Emigratie naar Argentinié

De oogst van tegenspoed

emigratie van Friese landarbeiders naar Argentinië (1888-1890)


Gerlinde Banda


Het onderstaande is een samenvatting van de doctoraalscriptie aan de RuL van Gerlinde Banda, van augustus 1993.

Na 1880 verhoogde Buenos Aires de aantrekkelijkheid van immigratie door speciaal daarvoor bestemde hotels te stichten met gratis huisvesting. In 1886 werd een regeringscommissie ingesteld voor informatie en propaganda, die kantoren opende in New York, Parijs, Londen, Wenen, Berlijn, Antwerpen en Brussel. In Nederland werden agenten ingezet die landbouwers moesten werven. In de jaren 1888-1890 verstrekte de Argentijnse overheid zelfs gratis overtochten, de zogenaamde pasajes subsidiarios. Voorwaarde was dat de aspirant-emigranten jong en gezond waren en landbouwer van beroep.

Contract Félix LynchAangelokt door de mooie voorspiegelingen emigreerden veel boeren in deze periode naar Argentinië.  Zij vestigden zich voornamelijk in de landbouwprovincies Buenos Aires, Santa Fé, Entre Ríos, Córdoba en Corrientes. Er werden in die tijd veel kolonisatieprojecten opgezet zoals bijvoorbeeld in de provincie Buenos Aires: Micaela Cascallares, La Hibernia en La Colina bij Tres Arroyos, La Fortuna bij Bahia Blanca en Félix Lynch bij Chacabuco. De landeigenaar stelde gewoonlijk woningen, gereedschappen, machines en zaaigoed ter beschikking aan de nieuwe landarbeiders.

De Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart Maatschappij (NASM) die tot Vlag van de NASM1888 alleen op de Verenigde Staten had gevaren, bracht in dat jaar schepen in de vaart naar Argentinië en Brazilië. De NASM had een vloot van vijf schepen ter beschikking, te weten de Pieter Caland, Schiedam, Zaandam, Leerdam en de Edam. De reis naar Buenos Aires duurde doorgaans zo'n vijf à zes weken. De route ging langs de haven van Dover naar Boulogne, vervolgens via de Golf van Biskaje naar La Coruña en Lissabon, en langDe Leerdam (gezonken in 1889)s Madeira naar Las Palmas. Van daaruit werd de oceaan over gestoken en koers gezet naar Montevideo. Het laatste traject naar Buenos Aires duurde dan nog een dag of drie.

Na een zware reis, die sommigen wegens de uiterst primitieve omstandigheden aan boord en de slechte voeding niet overleefden, werden de landverhuizers in Buenos Aires aan land gebracht. Met paardetrams werden ze vervolgens naar het Immigranten-hotel in La Rotonda de Panorama del Retiro gebracht, waar iedere landverhuizer vijf dagen gratis kon verblijven. Artsen waren permanent aanwezig om voor de zieken te zorgen. De meest voorkomende ziekten waren maag- en darmontstekingen, buikgriep, mazelen en bronchitis.

Het  immigrantenhotel in Buenos AiresIn het immigrantenhotel was een bureau gevestigd, het Oficina de Trabajo, dat informatie over de landbouwgebieden verstrekte en de immigranten hielp bij het vinden van werk. Grootgrondbezitters en maatschappijen kwamen hier werk aanbieden en namen meestal een aantal immigranten mee het binnenland in. Dergelijke reizen konden zeer lang duren. De reis naar het zuiden van de provincie Buenos Aires, waar veel Nederlanders naar toe zijn gegaan, was iets 'gemakkelijker'.

Na aankomst in het binnenland was de teleurstelling vaak groot: de emigranten troffen een woest stuk grond aan waar nauwelijks water aanwezig was. Vaak kwam het voor dat de immigranten zelf een waterput moesten graven en een woning van één, twee of drie vertrekken bouwen. Soms had de landeigenaar woningen laten bouwen die pas gearriveerde immigranten kregen aangewezen. Meestal moest het land eerst twee tot drie maal geploegd worden.

De landbouwprovincies waar Friezen naar emigreerden worden meestal aangeduid als Pampa. De belangrijkste Nederlandse koloniën bevonden zich te Tres Arroyos, Rosario en Buenos Aires. Overige provincies waar Nederlanders zaten, waren Entre Ríos, Corrientes, Córdoba, San Luis, Tucumán, La Pampa, Santiago del Estero en Mendoza. In latere jaren ontstonden ook Nederlandse gemeenschappen in Comodoro Rivadavia te Chubut (begin twintigste eeuw), Tandil (na de Tweede Wereldoorlog) en Mar del Plata (jaren vijftig).

De koloniën op het platteland boden belangrijke voordelen zoals de gezamenlijke huur van grond voor het opzetten van een coöperatie, de behartiging van de rechten van de bewoners en het handhaven van de eigen taal, gewoonten en geloof. Over het algemeen was het leven in die eerste jaren erg hard en vele families trokken van kamp naar kamp in de hoop dat het leven daar beter zou zijn. Levensmiddelen en kleding waren erg duur en de lonen laag. Het enige betaalbare voedsel was vlees, maar de Friezen waren niet gewend aan het eten van zoveel vlees. Vooal veel kinderen stierven door gebrek aan melk en groenten. In de jaren 1890-1891 werden bijna dagelijks doden op een kar naar het pas opgerichte kerkhof van Tres Arroyos vervoerd. Veel landarbeiders konden de ontberingen niet aan en verlieten de kolonie. Ze trokken naar elders in Argentinië of keerden terug naar Nederland. Toch hadden de meeste Friese landbouwers die doorzetten, het na een kaart van Argentiniëaantal jaren redelijk goed.

De bekendste en meest succesvolle Nederlandse kolonie is Tres Arroyos, die in 1989 haar honderdjarig bestaan vierde. De belangrijkste nederzetting was Micaela Cascallares, dat in 1889 door Benjamín del Castillo werd opgericht. Ongeveer 60 Friese en Groningse gezinnen kwamen in 1889 naar deze nederzetting waar ze een akker en een woning kregen toegewezen door de landeigenaar. na drie jaar kwam er een einde aan het bestaan van de kolonie en werden het land en de boerderijen verkocht. Over de andere twee koloniën, La Hibernia en La Corina, is veel minder bekend. Beiden waren eigendom van Enrique Butti, een rechtsgeleerde van Italiaanse afkomst. Begin 1891 besloot hij La Hibernia te verkopen en naar La Corina te gaan, een andere pas opgerichte kolonie die hij in het district Necochea bezat.  Hoewel Enrique Butti ditmaal het werk had gedelegeerd, was ook deze kolonie niet rendabel en moest worden verkocht. Een ander agrarisch cenrum waar veel Nederlanders zaten, was La Fortuna dat op 6 januari 1889 door de heren Mansi en Aguilar was opgericht. Hoewel de bewoners in 1889 redelijk tevreden waren over de gang van zaken in La Fortuna, werd de kolonie het jaar daarop vrijwel opgeheven. De kolonie Félix Lynch die in maart 1889 werd opgericht, was in handen van Félix Lynch en Julia Lynch de Saavedra. Dit agrarisch centrum lag in het district Chacabuco. Aanvankelijk ging het goed met de kolonie, maar in juli 1890 schreef een van de pachters, Anton Drenth, samen met de 21 overige Nederlandse families een klachtenbrief naar Den Haag. Toen er geen voedsel meer werd verstrekt besloten de families de kolonies te verlaten.

Gerlinde Banda komt tot tot de volgende samenvatting en conclusie:

Dat emigratie een zware beproeving was, bleek al gauw: door de primitieve omstandigheden op de stoomschepen en het slechte voedsel, werden velen ziek of overleden. Hoewel na aankomst in Argentinië een aantal dagen gratis in het immigrantenhotel kon worden verbleven, liet de opvang hier veel te wensen over. Wanneer emigranten door bemiddeling van het Oficina de Trabajo werk hadden gevonden, reisden ze vaak uren per trein naar het binnenland. Eindelijk op de plaats van bestemming aangekomen, was de teleurstelling veelal groot: een oneindige woestenij waarin zelf alles moest worden opgebouwd. In de meeste gevallen werden de beloofde landbouwwerktuigen niet verstrekt. Velen trokken van de ene kolonie naar de andere, in de hoop op een beter bestaan. De beginjaren waren zeer zwaar: de emigranten moesten wennen aan andere levensomstandigheden. De Nederlandse consul Van Riet te Buenos Aires speelde een grote rol bij de opvang en bemiddeling van de Nederlandse emigranten. De prijs van de emigratie was hoog: de meeste gezinnen verloren één of zelfs meerdere familieleden. Om een bestaan op te bouwen was veel doorzettingsvermogen nodig. Gesteund door hun geloof, wisten veel Friezen het uiteindelijk toch te redden.

Hadden de landarbeiders in Argentinië economisch gezien een beter bestaan dan hun lotgenoten in Nederland? Nee, over het algemeen hadden de meesten het aanvankelijk niet beter dan in Nederland. In Argentinië bleek weliswaar een overvloed aan vruchtbare landbouwgrond aanwezig te zijn, maar het was één grote woestenij: alles moest nog worden opgebouwd. Daar kwam dan nog bij dat de levensomstandigheden heel anders waren dan in Nederland. Een andere manier van land bebouwen, ander voedsel, een vreemde taal en een onbekende mentaliteit maakten de situatie er niet gemakkelijker op. Bovendien was de afzondering op de uitgestrekte pampa's groot. Vooral in de beginjaren was het leven erg moeilijk. Velen moesten de prijs van de emigratie met hun leven betalen. De hooggestemde verwachtingen sloegen al gauw om in desillusie. Een probleem was dat de meeste boeren Nederland waren ontvlucht en nauwelijks geld hadden waardoor ze het over het algemeen moeilijker hebben gehad dan wanneer zij in Friesland waren gebleven. Vakkennis, doorzettingsvermogen en kapitaal waren onontbeerlijke elementen en het lijkt erop dat zij die daarover beschikten economisch succes hebben gehad.

Geconcludeerd kan worden dat de emigratie aanvankelijk een mislukking, of liever gezegd een drama is geweest. Landarbeiders emigreerden omdat elders de vooruitzichten en mogelijkheden om een bestaan op te bouwen beter waren. Zeker in de eerste jaren was echter armoe troef. Pas na een tiental jaren ging het de meesten beter. Zij hadden zich aan de andere omstandigheden leren aanpassen en de taal leren spreken. Na de vele ontberingen konden de landarbeiders een bestaan opbouwen.

Land en werk in overvloed, en een toekomst voor kinderen en kleinkinderen was de uiteindelijke oogst van de tegenspoed!

De gehele scriptie ligt ter inzage bij zowel Tresoar in Leeuwarden als het Streekarchief Noordoost-Friesland te Dokkum.