Emigratie naar Argentinië

publicatie van de Geref. Emigratie Vereeniging over emigratie naar Argentinië en Brazilië


Johannes Jacobus Inia


De schrijver van dit boekje is Johannes Jacobus Inia, onderwijzer en veehouder te Wijnjewoude. Hij is geboren te Tietjerk (1892) en in 1951 te Wijnjewoude overleden. Tjeerd Inia, die de tekst van dit boekje stuurde, schrijft over hem: "De ouders van Johannes zijn: Jacobus Jochums Inia (1855-1944) en Trijntje Klazes van der Veen (1856-1935). Ik heb eerst nooit begrepen wat hem er toe bracht om voorzitter te worden van een emigratievereniging, totdat ik ontdekte dat zijn neven, oomzeggers van hem, naar Argentinië zijn geëmigreerd. Het betreft hier de kinderen van zijn zus Fokje J. Inia & Otte Arjens Veninga. Dit zijn de broers Arjen en Jacobus die zo rond 1927 naar Argentinië gingen. Nageslacht van deze broers hebben laatst een interview gegeven in de Leeuwarder Courant.Omslag van het boekje van Inia van de GEV

Omdat deze site zich beperkt tot Argentinië, is de tekst over Brazilië weggelaten.

In de eerste bestuursvergadering van de op 25 Januari 1935 opgerichte Friesche Afd. der Geref. Emigratie Vereeniging, werd besloten een klein drukwerkje in 't licht te geven, ten dienste van belangstellenden, die de uitvoerige artikelen in het Friesch Dagblad over deze materie niet hadden gelezen.

Wij zullen trachten ons zoo objectief mogelijk van deze taak te kwijten en er ons vooral voor wachten een te optimistisch beeld te geven, omdat wij vreezen, dat duizenden landgenooten, onder den druk der huidige economische crisis, al te zeer geneigd zullen zijn, in iedere verandering een verbetering te zien.

Deze voorlichting, zal dus zeer beknopt, en dus onvolledig zijn, en gespeend aan iedere propagandistische tendenz. Wij zullen zooveel mogelijk ooggetuigen laten verhalen en het concludeeren overlaten aan den lezer.

In de eerste plaats verleenen wij het woord aan ons medebestuurslid, den heer Feike Postma van Tzum, die een half jaar in de Nederlandsche kolonie te San Cayetano geweest is. In 1932 heeft die kolonie zich vereenigd met een kolonie te Tres Arroyos (drie beken) een flinke stad ± 60 K.M. van San Cayetano verwijderd.

F. Postma, Tzum

De heer Postma verhaalt

„Het was 10 Dec. 1930. Alles was even guur en donker in ons oude Nederland en we verlangden het zomersche land Argentinië te zien. Wij, dat waren mijn kameraad Arjen Veninga en ik met nog vier Friezen uit Stiens en Jelsum, die op contract gingen, scheepten ons in. Veertien dagen te voren was het plan bij ons opgekomen. Door bemiddeling van een reisbureau kregen we de nummers van onze hutten en het passagebiljet. We hadden noodig : a. Een bewijs van goed zedelijk gedrag, af te geven door de burgemeester onzer gemeente ; b. Een gezondheidsattest van den huisdokter ; c. Een pas met foto en visum van het Argentijnsch consulaat te Amsterdam. Hier werden tevens vingerafdrukken van ons gemaakt, voor het geval, dat we eens met de politie in aanraking mochten komen.

Met het s.s. Flandria van de Kon. Holl. Lloyd vertrokken van uit Amsterdam. Door het Noordzeekanaal bereikten we de Noordzee en vervolgens Het Kanaal en Nauw van Calais.

In deze nauwe zeeën waren verscheidene passagiers zeeziek, maar de Friezen deden het nog al goed. Na een week waren de patiënten weer zoo lekker als kip. Toen kwam er meer leven op de boot van 16000 Eng. ton met 8 à 900 passagiers, net een stad in het klein. De 3e klas had verreweg de meeste passagiers ; dezen hebben daar niet veel ruimte ; eet- en slaapgelegenheid alles gezamenlijk. Wij reisden per tusschenklasse, die aanmerkelijk beter was. Hutten, rook-, eet- en conversatiezaal waren best in orde. De reis kostte ons f 280 per persoon. We deden verschillende plaatsen aan : Cherbourg, La Coruna, Leixoes, Lissabon en de Canarische eilanden. Nog een laatste groet aan Europa, en toen was het een dag of tien àl water, wat we zagen, met zoo nu en dan een troep z.g. vliegende visschen. Bij het passeeren der linie ondergingen we de Neptunesdoop, een heel feest aan boord. De eerste stad, die we van Z.-Am. kregen te zien, was Pernambuco. Daarna Bahia en Rio de Janeiro, de hoofdstad van Brazilië, een der prachtigste steden van de wereld ; verder Santos en Montevideo, de hoofdstad van Uruguay. Den 3e jan. stapten we te Buenos-Aires aan land, dus na een zeerreis van ruim drie weken, gedurende welke wij veel schoons gezien en genoten hebben. Ik zal daar niet verder over uitweiden, want zoo'n reis moet men gemaakt hebben, om er zich een voorstelling van te kunnen vormen. In Buenos-Aires was het zomer, integenstelling met ons vaderland. Het was tamelijk warm in de stad. We werden opgewacht door Ds. Kiehl, de vertegenwoordiger van „Nederlandsche Landverhuizing". Deze ried ons aan in een Duitsch hotel te gaan en zoo namen we onze intrek in Hotel Emmerson, 25 Mayo, een goed hotel. We konden het Duitsch beter verstaan dan de landstaal, het Spaansch. De eerste drie dagen konden we niet afreizen naar de plaats onzer bestemming : San Cayetano, omdat het eerst Zondag en dan Driekoningen was. Intusschen hadden we Ds. Sonneveldt gevonden, bij hem gekerkt en waren bij hem op de thee geweest. Zijn Weleerw. stuurde voor ons een radiotelegram naar onze families in het vaderland, dat we goed overgekomen waren. Verder bezorgde hij ons een gratis spoorkaartje. Een emigrant kon toen, als hij voor het eerst in Argentinië kwam, gratis naar de plaats zijner bestemming sporen. Of dat nu nog zoo is, weet ik niet.

Bij aankomst in San Cayetano werden we met een auto van het station gehaald door Dakobus Veninga, een broer van mijn kameraad. Deze bleef bij zijn broer, die een tambo (veeboerderij) had en ± 60 koeien molk. De melk ging naar het naburige dorp. Van de onverkochte melk maakte men boter of kaas, terwijl er ruimschoots overbleef voor eigen gebruik.

Ik ging al spoedig in de graanoogst, die in volle gang was, bij Don German Zijlstra. Deze had een groote graanboerderij, evenals zijn beide broers Don Enrique (Hendrik) en Don Diego (Dirk). De gebroeders Zijlstra, emigranten van 1889, waren als kleine jongens met hun ouders in Argentinië gekomen. Don German had ± 80 paarden, een tractor, een paar auto's een gewone dorschmachine, zichtmachines, en een groote gecombineerde zicht- en dorschmachine, die het graan onder het maaien ook dorscht en schoon in de zak levert. Deze machine, die door een tractor en ook wel door een twaalftal paarden wordt getrokken, had een capaciteit van 40 H.A. per dag en kostte destijds 7000 peso's, naar de koers van f 0.96 de pesó.

Bij de gewone dorschmachine ben ik enkele weken in het veld geweest met de zoons van Zijlstra en wat Italianen en Turken, enz.

's Nachts sliepen we in een schuurhooge stroohoop, in een deken gewikkeld. We gebruikten veel wijn en vleesch. Aardappels werden er weinig of niet gegeten. Zoo brachten we de heele week in het veld door. Zondags waren we thuis en hadden leesdienst in het eenvoudige van modder opgetrokken kerkje. Als de oogst voorbij was vergaderden Zondags ook de M. V. „Het Mosterdzaadje" en de J. V. „Calvino". Na de oogst was er voor mij geen werk meer in de kolonie en kwam ik bij een Argentijnsche boer, een dag sporen uit de buurt van San Cayetano. Dat was een veeboer, waar we met z'n tweeën ± 70 koeien moesten melken. Maar dat gaat anders dan in Nederland. De kalveren blijven bij de koeien loopen. De jonge kalveren blijven eerst de heele dag bij de moeders, maar als ze ouder worden, komen ze tusschen de melktijden bij de koeien vandaan. 't Vee loopt ook het geheele jaar buiten. Is het melktijd, dan haalt men te paard (men loopt daar bijkans nooit) het vee op en dan komen koeien en kalveren apart in een corral (yester). Men laat nu een kalf los, dat terstond de moeder opzoekt. Eerst laat men het een poosje aan alle vier tepels drinken en bindt het dan vast aan de rechtervoorpoot van de koe, die intusschen de melk heeft laten schieten. Vlug melkt men nu het meeste uit en laat het aan het kalf over, de laatste straaltjes uit de uier te halen. Koeien en kalveren komen later weer apart, anders blijft er te weinig melk voor den boer over. Bij deze methode heeft men geen last van harde kwartieren en verkeerde melk. Wanneer een koe slecht te melken is, vanwege kleine tepels, etc. dan ziet men dat wel aan het uiterlijk van het kalf. Op deze Argentijnsche melkerij maakten we zelf kaas, die later naar Buenos-Aires ging en in de winkels verkocht werd. Daar ik hier anders niet hoorde dan Spaansch, heb ik de taal aardig aangeleerd. Gemakkelijk was dat eerst niet ; je moest beginnen als een klein kind, met eerst „goeden dag" te leeren zeggen, maar men leert nooit vlugger, dan in zoo'n geval.

Na 4 maanden vertrok ik weer naar een andere boer. Op den duur bevredigt het primitieve leven van die menschen ons, Nederlanders, niet. Men werkt Zondags evengoed als in de week en naar de kerk gaat men niet. De bevolking is grof Roomsch, maar leeft in de kamp net als de heidenen. Sedert ben ik nog bij een Argentijnschen boer geweest, die tevens advocaat was. Hij had wel 15 zetboerderijen, waar hij, behalve het ronde inlandsche vee ook nog een paar honderd Friesche koeien hield, afkomstig van de Wassenaars van Jelsum en anderen. Het is niet doenlijk, om alles te vertellen, wat ik zooal gezien en beleefd heb. Een huis van modder heb ik ook wel mee opgebouwd ; dat is een mooi stuk werk. Men zet vier stijlen in den grond en spant daartusschen gegalvaniseerd draad, waarover slingers van stroo. Vervolgens graaft men een eindje van te bouwen huis af de grond los, verwerkt daar water en fijn stroo door heen en laat in deze brijachtige massa een paar paarden enkele uren rondtrappen. Met deze modderspecie worden de muren opgebouwd, waarin men vooraf de kozijnen van deuren en vensters geplaatst heeft, die men in de winkel kan knopen. Gegolfde platen er boven op voor dak, een plafond van jute, een paar dagen drogen, oneffenheden weggepolijst met wat weeke paarden of rundermest en ten slotte van binnen en buiten netjes opgewit. De vloer is gewoon van leem ; alleen in de slaapkamer, die zooveel als pronkkamer is, heeft een planken vloer. Wil men het nog wat opsieren, dan brengt men binnenshuis wat fresco's en muurversieringen aan. Deze huizen zijn eenvoudig en netjes, sterk en buigzaam en, wat vooral van belang is, goedkoop. Met dit eigen maaksel komt men er ook gemakkelijk toe, er een woning of een vertrek bij te bouwen.

Als drinkwater voor mensch en dier wordt grondwater gebruikt ; men graaft putten, die best water opleveren. Windmotoren draaien het in groote tanks. Sloten en vaarten ziet men in die streken niet. Het land is verdeeld in groote complexen, afgerasterd door prikkeldraad. Soms treft men een beekje aan. Het klimaat in de provincie Buenos-Aires is heel goed voor ons, Nederlanders. Dit geldt natuurlijk niet voor heel Argentinië, omdat het land zoo groot is. Het volk des lands is gastvrij, doch leeft primitief. De grond is goed, met ruim voldoende teelaarde, die goede gewassen oplevert.

Ik wensch te besluiten, met de opmerking, dat men mij niet als een bij uitstek deskundige moet beschouwen. Daartoe ben ik er te kort en ook te veel op één plaats geweest. Emigratie in het wilde naar Z.-Amerika is ten sterkste af te raden ; men stelt zich dan aan groote geestelijk-zedelijke gevaren bloot.

Kolonisatie is de eenige manier om in alle opzichten te slagen. Dan is er in Argentinië toekomst voor onze menschen. Natuurlijk niet voor zulken, die te lui zijn om te werken, maar voor menschen, die, gesterkt door een krachtig geloof, de hand aan de ploeg willen slaan, om met God en met eere zich een toekomst te scheppen voor zichzelf en het nageslacht. Geve God de Heere, dat welhaast ook onze Overheid moge inzien, het groote belang van een omvangrijke kolonisatie inArgentinië, tot leniging van den geestelijken en economischen nood van ons Nederlandsche volk".

F. POSTMA, Tzum.


Op de vergadering van 25 Jan, in de Noorderkerk, waar onze Friesche Afdeeling werd opgericht, waren enkele huismoeders, verlangend te weten, wat wij verstonden onder een bewoonbaar huis. Wij kunnen ons voorstellen, dat onze vrouwen en meisjes, die mede belangstellen in dit vraagstuk, gaarne eens zullen vernemen het oordeel van een Nederlandsche ( Friesche ) vrouw,' die van nabij de zaken kan beoordeelen.

Wij willen daartoe enkele fragmenten aanhalen van brieven, afkomstig van Servora Trijntje Mulder-Van Gunst, sedert 1928 in Argentinië woonachtig.

Senora. Mulder-Van Gunst

„Ik heb mij hier al aardig ingeburgerd, doch het moest eerst wel wennen. Met die huisjes gaat het heel best. Matjes en kleedjes behoef je niet uit te slaan. Ik keer het heele huis maar met een groote heidebezem en dan is het zoo netjes. Men zal in Holland wel zeggen : „Bah, een huis van aarde, daar zou ik niet liefst in willen wonen. Het valt me allemaal nog mee, na hetgeen M. geschreven had. De Zondag is hier heel gezellig " (den 11-10-'28).

„Het is nu Maandagmiddag en het weer is verbazend slecht ; zoo droog en een harde wind, dat het allemaal stof om je, heen is. 't Lijkt buiten wel op een zandwoestijn. Dat zijn de slechtste dagen in Argentinië, want dan is het heele huis een stuk stof ; jullie kunt er geen voorbeeld van denken.

M. heeft al eens geschreven van buiten om, dus ga ik eens schrijven, hoe wij hier wonen.

Wij hebben hier een aardig huisje, natuurlijk op zijn Argentijnsch, maar mij best naar den zin hoor ! Het bestaat uit keuken, slaapkamer, woonkamer, verandah en dan de kamer van de drie jongens. In de slaapkamer hebben wij een mooi ameublement gekregen ; verder niet veel pronks, hoor ! Zoodoende is het hier een goedkoop leven. Voor de vrouw is het hier ook geen druk leven. Ik heb het hier zoo naar mijn zin, ten eerste aan de zij te leven van een geliefde man en dan het rustige leven. Ik ga ook wel eens een ritje maken met mijn man, de kamp in, op het paard, als het mooi weer is. Ja, dan kun je toch zoo genieten van het mooie Argentijnsche weer. Het is nu de mooiste tijd, als het voorjaar weer aankomt. Soms ga ik ook wel eens een dagje uit met paard en sulky, maar dat eind is zoo lang alleen door de kolonie. Jan gaat bij leven en welzijn na de oogst trouwen : Dus, dan zijn er al vijf jonge paren, in de kolonie ; het gaat hard vooruit !" (2-9-'29).


Om een denkbeeld te geven, van 't geen er zoo al valt te beleven op het Argentijnsche land, laten we thans enkele gedeelten volgen, uit een brief van Jacobus Veninga te San Cayetano d.d. 11-1-'25. Deze persoon is thans „Don Gakobo" te Barroes, nabij Tres-Arroyos.

Jacobus Veninga

„Een half uur voor zonsopgang worden we 's morgens uit ons nest gejaagd en 's avonds komen we een uur na zonsondergang thuis. 's Middags een uurtje schafttijd. En dan moet ik den ganschen lieven dag opsteken en bij de machine weer lossen. Maar we verdienen best en dan mag je er ook wel wat voor doen. Zoo zwaar hebben wij het ook niet, want we rijden met vier wagens en ieder moet om de beurt lossen, zoodat we tijd genoeg hebben, om een wagen te laden. De nieuwe Hollanders, die hier kwamen hadden allemaal last van buikpijn (door verandering van klimaat en levenswijze.) Daar heb ik mijn deel ook van gehad en dan valt het werken niet mee. We waren deze week aan het dorschen. Het woei een halve storm (dat doet het hier haast altijd) en een eindje van ons af stond een stoomdorschmachine. Wij dorschen n.l. met een tractor. Daar vloog een vonk uit de pijp in de stroohoop en in een minimum van tijd stond alles in lichte laaie. Door de droogte loopt het vuur, zoo snel als de wind, langs de stoppel voort, zoodat soms heele velden afbranden. 't Was juist tegen schafttijd ; wij de zweep over de paarden en in volle galop er heen. De menschen, die er bij waren, repten zich, wat ze konden, om met zakken te slaan, het vuur zooveel mogelijk tegen te houden. Maar het eenigste redmiddel is de ploeg. Toen wij er kwamen hadden ze dan ook al een ploeg gehaald met 8 paarden bespannen. Doch zoo iets heb ik nog nooit gezien. Eén kerel zat op de ploeg ; die geleek net een bare duivel. Dan reed er één op en los paard naast, en die sloeg maar met de zweep. Zoo werd de ploeg in wilde galop door het vuur heen gejaagd. Toen was het gevaar spoedig geweken. De machines waren gespaard gebleven ; alleen een partijtje haver was verbrand. Onze baas had vooraf om al zijn land heen geploegd, zoodat voor hem niet veel gevaar bestond voor vuur van buitenaf. De stoomlocomobiel van. Dirk Zijlstra is van binnen gebarsten. Dat is een schadepostje voor hem van 3000 peso's en een heele week niet werken, met 30 man op de kost. De Kerstdagen en Nieuwjaar hebben we hier werkende doorgebracht. Toen waren we wel een beetje onwennig.

De kost is hier heel best ; we krijgen per dag ongeveer een kilo vleesch en een liter wijn. We hebben 's Zondags maar een keer preeklezen. De andere boeren hier werken Zondags altijd door. We zien hier om ons heen de dorschmachines wel ronken. Op godsdienstig en zedelijk gebied staat Argentinië op zeer laag peil. Met de taal begin ik al te leeren, maar het zal wel een jaar duren voor we ons fatsoenlijk redden kunnen : „Alles zal rech kom !"


Uit een brief van Arjen Veninga, die in Dec. 1930 met Postma naar Argentinië vertrok.

Arjen Veninga

„Zooals U ook wel zult weten, zijn het hier allemaal nog modderwegen. Nu kunt u wel nagaan, dat door het vele rijden, die wegen zoo hol worden als een gracht. Dat hindert niet, zoolang het droog weer is, maar als het eens 3 dagen aaneen regent, veranderen die wegen in rivieren. Wellicht zult U denken : Waarom brengt de Gemeente of de Regeering daar niet wat verbetering in, te meer, waar er wel een hooge wegenbelasting betaald moet worden, n.l, door het verknopen van patenten, op de manier van fietsplaatjes in Nederland, die voor een auto 100 peso's kosten. Doch dit is ook de eenige belasting, die hier betaald wordt. Maar dat belastinggeld wordt allemaal in de groote steden verkwist. Als U b.v. eens te Buenos-Aires komt, ziet U zich bijna de oogen uit het hoofd, zoo mooi en grootsch is alles opgebouwd, ook de wegen. Nu wil ik niet beweren, dat de regeering hier alle wegen verharden moet, maar als zij er eens voor zorgde, dat ze bolrond lagen met aan beide zijden een vrij diepe goot voor waterafvoer, dan was dat al een heele verbetering. En zoo veel kosten zou dat ook niet meebrengen, want er zijn hier paarden en ploegen in overvloed".

„In eenzelfde winkel koopt men hier, waar men thuis half Leeuwarden voor moet afsjouwen van de onbeduidendste zakdoek tot de meest moderne landbouwmachine".


Uit een brief van Sjoerd de Vries, sedert Mei 1929 in Argentinië

Sjoerd de Vries

„In die Golf, daar bij Frankrijk (Biscaje) waar U al van sprak, ben ik zeeziek geweest, wat nu juist geen aangenaam gevoel was. Dat duurde maar een paar dagen en toen lachte men aan boord om de nieuwelingen, die stonden te overgeven. Toen we Spanje gepasseerd waren, ging ik werken bij de banketbakker. Anders verveelde ik mij toch en nu had ik ook lekker eten en gebak 1 e klas. In Buenos-Aires heeft Ds. Sonneveldt mij afgehaald, wat hij mij 's morgens in een brief al reeds meldde. Ik heb tot Maandagavond bij dominé gelogeerd. Nu, ik moet je vertellen, dat hij mij tot groote steun is geweest ; want ik kon daar geen mensch verstaan. 's Maandagavonds ben ik dan per trein vertrokken naar mijn nieuwe heimat ( 14 uren sporen). Als men, wanneer het licht wordt, eens over de velden ziet, dan keert het hart je bijna om, zoo mager en kaal lijkt alles. En dan sommige huizen ! In Friesland zijn netter varkenshokken, hoor. Veninga heeft mij van de trein gehaald en toen zijn wij met het sulky naar zijn „modderne" woning gereden. Dat doet eerst vreemd aan, zoo alles van modder. Maar, enfin, ik gevoel mij hier best thuis en men heeft het hier met 60 koeien aardig gemakkelijker, dan in Friesland met 10. Maar U sprak van jaarlijks f 1000 over te houden, doch dat zal niet gaan, Inia ! Wanneer men het in een jaar verdient, houdt men zich niet slecht. Men kan gerust rekenen op f 900 verdienen en dan zijn de kleeren hier duur. Ik verdien f 70 in de maand, wat werkelijk een best loon is."


Kerkblad voor Zuid-Amerika

Nieuwsberichten uit het „Kerkblad voor Z.-Amerika, Dec. 1932. Tres Arroyos : Ds. Bruxvoort en gezin brachten Benige dagen van ontspanning in de Kamp door, ten huize van br. en zr. C. van der Sluis...

- De oogst, tot voor vier weken veelbelovend, blijkt meer en meer een groote mislukking te zijn. Gezien de lage prijzen der granen, zien de boeren meer dan zorgelijke tijden tegemoet. Is er en kwaad in de stad, dat de Heere niet doet? Hij heeft ons geslagen en Hij zal ons genezen

- Br. G. Kraan, administrateur van ons Kerkblad, kwam van Buenos-Aires naar hier over. Welkom !


Uit correspondentie met Ds. A. C. Sonneveldt, reeds 25 jaar in Argentinië. De berichten zijn van recentere datum, het oudste van Januari 1934.

Ds. A. C. Sonneveldt te B. Aires

Wat ons bij deze persoonlijke zegeningen vooral verblijdt, is het feit, dat ook al onze gemeenteleden werk en brood hebben en dat het met „ons" volkje overal, behoudens een enkele uitzondering goed gaat. Men verwacht in Tres Arroyos een goeden oogst en als er geen tegenslag kermt, dan wordt het een goed jaar voor velen. Nog eens dat zegt zoo veel juist in dezen tijd van crisis en zorg. En de Boeren in Chubut krijgen dit jaar prachtige prijzen voor de wol !"

„Wat Argentina betreft, hebben we nog steeds dezelfde opinie. Mocht ik een of andere kolonisatie-maatschappij ontdekken, die er iets voor voelt om op eenigszins groote schaal te koloniseeren, dan zal ik altijd mijn best doen en u op de hoogte houden. Nu de peso laag staat en de gulden zoo hoog, is het feitelijk de tijd, om iets te doen. Alles is daardoor voor Nederlanders goedkoop. Met verwondering vernam ik, dat de Regeering geld disponibel stelt voor landbouwers, die willen emigreeren. Best. Maar waarom niet een actie op groote schaal, om in een land, dat volgens ieder, die tot oordeelen bevoegd is, een schitterende toekomst tegemoet gaat, grond te koopere en b.v. een drie of vier duizend flinke landbouwersgezinnen hier te plaatsen, mede ter verlichting van de druk in Nederland ? Er wordt hier eiken dag beste grond verkocht, ook groote stukken te Tres Arroyos, waarvan de prijs, in Hollandsch geld komt, op nog geen f 100 per H.A. En dan stukken van 4-8000 H.A. (eens zelfs 30.000 H.A. ) ; dus aangewezen a.h.w. voor het vormen van kolonies, waar dan meteen het kerkelijk leven in orde komt. Steeds nog mijn ideaal ! En dan nog vaak met een gemakkelijk systeem van afbetaling gedurende vele jaren." (4-1-'34).

Na zijn terugkomst uit Chubut in Mei 1934, vervolgde Z.Eerw. de correspondentie over „het zoo belangrijke en urgente vraagstuk der emigratie, in het vertrouwen, dat we onder den zegen des Heeren Benig resultaat zullen bereiken." Hij deelde mede

1. Dat er zich te Tres Arroyos een commissie had gevormd, bestaande uit practische landbouwers, om een eventueele kolonisatie van Nederlanders van hulp en voorlichting te dienen.

2. Dat de broeders te T. A. enthousiast zijn voor het plan, om op eenigszins groote schaal Nederlandsche kolonies in Argentina te stichten. Zij wijzen er op : a. dat het in verband met de geldkoers nu de beste tijd is. b. dat er momenteel enorme oppervlakte land is gekomen in het bezit van de hypotheekbanken, welke grond voor geringe prijs te koop is ; c. dat Argentina zonder twijfel het land der toekomst is en dat geen enkel ander land zoo goedkoop kan produceeren. Zij gaan voorts geheel accoord, dat het zuiden van de provincie Buenos-Aires (10 x Ned. ), met name de streek bij Tres Arroyos voor een Hollandsche kolonie de beste streek is, wat kwaliteit van grond enz. betreft.

3. Er werd reeds voorloopig gesproken met leidende persoonlijkheden in den handel, van de Nationale Hypotheekbank en Spoorwegen, en bij allen vinden de kolonisatieplannen hartelijke instemming.

4. De Nederlandsche boeren telen dezelfde producten, als in het vaderland : tarwe, haver, gerst en lijnzaad. Door den langen tijd, die voor alle werkzaamheden beschikbaar is ( 11 maanden van het jaar) kan een boerderij van 150 H.A. door één flinke man worden behartigd. De bedrijfsonkosten per H.A, zijn : huur 14 peso's, zaaizaad 5 ps., bewerking 8 ps., verzekering 2,50 ps., totaal 29.50 peso's in Nederlandsch geld ±f 10.- per H.A.

5. De kosten van installatie van een boerderij van 150 H.A. met toebehooren en een jaar levensonderhoud bedragen globaal 10.000 peso's dat is nu slechts een goede f 3000. (Gunstige wisselkoers).

6. De beste manier is dan wel, om het land te koopen : Zonder dwaze overdrijving mag worden verklaard, dat degenen, die thans hier land koopen voor een luttel bedrag, later, als de wereldtoestand zich normaliseert, daar een fortuin mee zullen maken. Want het land is minstens viermaal zoo veel waard en werd ook vroeger zoo veel duurder verkocht. En dat was in den tijd, toen de peso en de gulden dezelfde waarde hadden. De prijs van goeden grond wordt thans opgegeven te bedragen ongeveer 200 peso's per H.A. Echter is men van meening, dat het nog wel goedkooper zal verkregen worden, indien we een groot complex konden koopen. Dan wordt het zoo van 60-65 gulden per H.A. Een spotprijs ! Nu of nooit !

7. De Commissie oordeelt, dat er hier minstens 60% hypotheek zal kunnen blijven, maar gezien de lage rentekoers in Nederland, zou het beter zijn, alles contant te koopen. Dat zou weer van invloed zijn op de koopprijs. Met contant geld doet men hier thans wonderen.

8. Er was te T. A. grond beschikbaar voor 150-200 gezinnen. Volle medewerking van Bank en leidende personen. Men wil zelfs den President der Republiek zoo noodig gaan spreken over dit plan en eventueel vrijdom van douanerechten vragen, voor landbouwgereedschappen, die de kolonisten mochten willen meebrengen.

Om eenigszins een idee te geven omtrent de rentabiliteit deelde Ds. S. in een schrijven d.d. 26 Mei 1934 eenige winsten mede, dat jaar, door sommige kolonisten te T. A. verkregen. Deze gegevens zijn niet bestemd voor publicatie, omdat men volstrekt niet met cijfers van een enkele oogst wil werken, en daardoor te hooge verwachtingen opwekken. Wat echter in alle bescheidenheid en voorzichtigheid wel mocht worden medegedeeld, was : met welke graanprijzen dat jaar zulke moedgevende resultaten werden bereikt. Men ontving

    voor tarwe 4,40 pesos, dat is nog geen 2 gulden per 100 kilo ;

    voor haver 2,50 pesos, dat is nog geen gulden per 100 kilo ;

    voor lijnzaad 10 pesos, dat is schraal 4 gulden per 100 kilo ;

    voor gerst 3 pesos, dat is een dikke gulden per 100 kilo.

Hierdoor wordt wel bewezen, dat Argentina buitengewoon goedkoop kan produceeren, dat er bij zulke lage prijzen nog winsten kunnen worden gemaakt, en regeeringssubsidie overbodig is.

Er was nog een ander feit, dat mede de rentabiliteit demonstreerde van het landbouwbedrijf in Argentina. Het is in T. A. gewoonte, dat de nieuwe gecombineerde maai- en dorschmachine, waardoor de oogst vlug en economisch wordt bewerkt, zoo tegen den oogsttijd aan de boeren wordt verkocht en afgeleverd, en dat de eerste afbetaling plaats vindt na dien oogst. In ongeveer 3 jaren wordt dan alles afbetaald. Dat dus de boeren in staat zijn, bij regelmatigen oogst en prijzen, om dat te doen ; en dat de verkoopers op deze manier hun machines verkoopen, is toch wel een aanwijzing, dat het bedrijf rendabel is. Doch al is men overtuigd, dat het landbouwbedrijf in A. een goede toekomst tegemoet gaat, toch blijft voorzichtigheid geboden.

Momenteel betalen onze boeren te Tres Arroyos aan huur 25% van de opbrengst. Een mooi systeem, ook voor den eigenaar. Nu stelt men zich de zaak aldus voor : Als de Nederlandsche Regeering wil helpen, laat het dan op royale wijze geschieden, en zoo, dat ook daardoor het succes wordt verzekerd. Zou het niet mogelijk zijn, dat de Regeering aan de eventueele kolonisten een renteloos voorschot geeft en dan b.v. met de bepaling, dat elk jaar iets wordt terugbetaald ? Laten we dit eens stellen op 157o van de opbrengst als minimum. Dan zitten de boeren niet op een hooge huur, dan zullen ze niet ten achter raken, dan zijn in de eerste en moeilijkste jaren de bedrijfskosten gering, en - de Regeering krijgt het voorgeschoten geld terug, wat in dezen tijd van subsidies aan schier alle bedrijven niet te slecht is. U dient nog te weten, dat hier op eigendommen een kleine belasting wordt geheven, zoo 3 à 4 pesos per H.A.


Hiermede besluiten we onze mededeelingen. Van onszelven hebben we er niets aan toe te voegen, dan de bede, dat God van den Hemel ons deze plannen doe gelukken.

Duurswoude, Februari, 1935.

J. INIA, Secr.