Emigratie naar Argentinië

in de Kollumerkrant van eind 1888 tot en met 1891

logo van advertentieblad van Noordoost Friesland

zaterdag 1 december 1888

Kollum, 30 November.

Dinsdagavondadvertentie NASM agenten werd door den heer J. Kroes te Groningen bij I. ter Veer te Burum een lezing gegeven over de Argentijnsche republiek voor den arbeidenden stand. Zeker een teeken des tijds; een bewijs dat de behoefte naar lotsverbetering gevoeld wordt. De arbeidsmarkt is hier dan ook overvoerd. Emigratie naar een land, waar, bij goeden wil, voor arbeider, handwerksman en kleine landbouwer een schoone toekomst is weggelegd, is zeker zeer aan te bevelen. In Argentine wachten nog groote en vruchtbare velden op menschen om die te bebouwen, er dorpen en steden op te richten en spoorwegen aan te leggen. Daarom wil de Regeering de landverhuizers aanmoedigen en aan flinke arbeiders en werklieden vrije overtocht schenken echter onder verplichting dat de vracht in 2 ½ jaar wordt terugbetaald.

De heer Kroes werd met groote belangstelling aangehoord en heeft zeker aanleiding gegeven, dat de aandacht onzer arbeiders op dit schoone land gevestigd is.


In het begin van December gaan verscheidene werklieden, meest timmerlieden en metselaars, uit Groningen naar Zuid-Amerika, standplaats Buenos-Ayres, om voor een zeer hoog loon - f130 per maand met den kost daarboven, werkzaam te zijn. Deze lieden worden met een voorschot voor vrijen overtocht daartoe in de gelegenheid gesteld door de Braziliaansche regeering, om tegen eene daar gebruikelijke rentie 8½ pct. geleidelijk de verschuldigde gelden weder af te doen. Bij aankomst op de plaats van bestemming wordt vrij logies verschaft gedurende vijf dagen, in welken tijd er voor wordt ingestaan, dat men geslaagd is in het bekomen van werk.

Ook eenige huisgezinnen (meest arbeiders) van Kollum, Ee enz. vertrekken derwaarts.

zaterdag 23 feb 1889

Het stoomschip "Schiedam" der Ned. Am. St. M., waarmede vele onzer plaats- en gewestgenoten 5 Febr. zijn vertrokken naar Zuid-Amerika, vertrok 18 dezer van St. Vincent, gelegen op de Z.W. kust van Portugal. Het gerucht, als zou het stoomschip met man en muis zijn vergaan, blijkt dus gelukkig onwaar te zijn.

De Schiedam

De Schiedam

zaterdag 9 mrt 1889

Naar Argentinië:

Eerste berichten van "de Schiedam."

Hedenmiddag ontvingen wij de eerste bezending mededeelingen en aanteekeningen van onzen verslaggever, alsmede een achttal brieven van passagiers, bestemd voor hunne familieleden die wij onmiddellijk aan hun adres hebben verzonden. Achtereenvolgens worden nu al deze mededeelingen in ons blad opgenomen. Voor heden echter slechts dit: Alles wel aan boord op twee knaapjes na, Herman Oets en Lambertus Wijnbergh die mazelen hebben gekregen, maar het gelukkig vrij goed maken. De kinderen worden verpleegd in een hut van de eerste klasse. Het reisgezelschap is vermeerderd met vier nieuwe wereldburgers; er zijn namelijk vier kraamvrouwen aan boord, die in het daarvoor bestemde vrouwen hospitaal worden verpleegd. Allen bevinden zij zich naar omstandigheden zéér wel. Hare bevalling vindt men in dit nummer van ons blad onder de familie-berichten vermeld.

Stemming aan boord opgewekt en vroolijk, zonder uitzondering gunstig. De verstandhouding onder de passagiers is uitmuntend. De verzorging en voeding worden door allen zéér geprezen; uitdrukkelijk is door de passagiers zelven aan onzen verslaggever verzocht, hiervan melding te willen maken.

Nieuwsblad voor Nederland.

Ochtend-Editie 1 Maart '89

De vorige week te laat ontvangen. RED.

zaterdag 9 mrt 1889

De Arnh. Crt. geeft den inhoud weer van een brief, door een harer stadgenooten uit Argentinië ontvangen.

Rosario den 30 Jan. 1889.

Waarde Zuster!

Het wordt hoog tijd dat ik U eens het een en ander van onze lotgevallen mededeel, en toch moet ik nog aarzelen er aan te beginnen. Met korte woorden moet ik U melden dat wij diep ongelukkig en laaghartig bedrogen zijn. Op de reis hebben wij goed weer, maar slecht voedsel en slechte behandeling gehad, tengevolge waarvan onze drie jongste kinderen ziek zijn geworden, waarvan de twee jongste reeds zijn overleden en ik zelf lijd aan een soort cholerine, waardoor het mij onmogelijk is te werken.

In Buenos Ayres was het onmogelijk werk te krijgen, omdat men de taal niet verstaat en al had ik ook werk gekregen, dan had ik toch geene woning kunnen krijgen, want daar moet men meer verwonen dan men verdient. Toen zijn wij naar hier vertrokken en ik heb hier werk gekregen bij een Duitschen patroon voor ongeveer 6 gulden per dag, maar wij zitten in een hok zonder kast, zonder haard, zonder stoel of tafel, zonder iets, 't is een waar varkenshok en dat kost 25 gld. per maand; alles is even duur behalve vleesch; boter is haast niet te krijgen, melk is peperduur, brood is duur, thee haast niet te betalen en zoo gaat het een na het ander. Kon ik nu maar werken, maar ik ben ziek. Daarbij moet ik tot de knieën door het water als het regent en dat doet het bijna elken dag, en als het dan weer iets droger is, blijft men in de klei steken.

Wat er nog van ons groeien moet weten wij niet, maar zóó als nu heb ik er nog nooit ingezeten. Vele van onze reisgenooten zijn naar Bellafesta gegaan om landbouwer te worden, maar daar is het zoo heet en daar heerschen kwade koortsen, zoodat het te bezien staat of een van hen er het leven af zal brengen. Anderen zijn naar Rojo gegaan om maïs te plukken, maar wat zal dat geven voor een timmerman, of draaier, of schoenmaker? Ik ben op een meubelfabriek aangeland, die pas begint; als ik nu maar werken kan, dan is daar werk genoeg en al zijn de verdiensten niet dadelijk zoo hoog, ik sta dan toch altijd op het droge en behoef om den regen niets te verzuimen. Moge er na dezen tijd van beproeving een betere voor ons opdagen, want zooals wij thans hier zitten is het bedroevend om te zien. Ieder Nederlander zij intusschen gewaarschuwd niet naar hier te komen, want 't is een bedriegerij op groote schaal en rooven en stelen, zelfs moorden is hier aan de orde van den dag.

zaterdag 13 april 1889

Aan boord van het stoomschip "Schiedam" naar Argentinië zijn vier kinderen gestorven, waarvan twee uit Kollum, nl. Trijntje en Grietje Bloemsma, respectievelijk 28 weken en 2 jaar oud, de eerste werd ziek 20 Febr en overleed 1 Maart aan kramp in de maag, het tweede kreeg 26 Febr. last van wurmen en stierf reeds den 3 Maart. Verder was Jan Westra van Oudwoude, 3½ jaar, lijdende aan mazelen, maar gelukkig weer hersteld.

Hartroerend was de begrafenis van de twee kinderen van Bloemsma, menschen, die blijkbaar zielsveel van die twee kleinen hielden. De kinderen werden des nachts te 12 ure begraven. Toen het eerste kindje stierf, moest de moeder bewusteloos worden weggedragen; de vader woonde de begrafenis bij, gebroken van smart. Nadat het lijkje in een kistje was gelegd, werd het door twee matrozen opgetild en op de verschansing gezet; hier werd een strop om het kistje geslagen en nu ontblootten alle aanwezigen het hoofd, nl. de bemanning van het schip, de eerste klas passagiers en eenige tusschendekspassagiers. De kapitein was zichtbaar geroerd. "God heeft dit kind op den Oceaan tot Zich geroepen - aldus sprak hij - wij vertrouwen het lijkje daarom ook aan den Oceaan toe." En op een wenk, vierden de matrozen het touw en nauwelijks had het kistje de golven geraakt, of het schoot uit den strop en verzonk in de diepte.

Met een doffen slag viel de vader op het dek neer; hij moest naar zijn kooi gedragen worden. Juist op dat oogenblik stierf zijn tweede kind.

N. v. N.

zaterdag 11 mei 1889

Maandagmorgen kon men getuige zijn van een niet alledaags schouwspel. Een 100 tal personen, zoowel oud als jong, begaven zich dien dag van Buitenpost per spoor om naar Argentinië te vertrekken, terwijl er ook nog ruim 100 in den trein aanwezig waren, dat bij het afscheid zeer moeielijke tafereelen voordeeden is licht te begrijpen. Een huisgezin van Anjum met man, vrouw en eenige kinderen viel dit zelf zoo zwaar, dat zij nog bij tijds terug keerden en hun reeds verzondene bagage in den steek lieten.

zaterdag 6 juli 1889

Door een onzer vroegere dorpsgenooten is de volgende brief uit Argentinië verzonden:

SAKOLIKA, den 20 Maart 1889.

Ik vat de pen op om U eenige letteren te schrijven. Wij zijn hier door Gods zegen nog gezond en hopen van U hetzelfde. Wij zijn den 10den aangekomen in de haven en waren toen nog twee uren van de wal af en zijn Maandag den 11den afgehaald door een klein stoomschip. Wij hebben hier drie dagen in een logement geweest te Buenos-Ayres. Daar werd het ons eerst akelijk aangezegd en des anderen daags kwamen er vele agenten om ons te winnen. Wij zijn er maar toe overgegaan om boer te worden: daar zijn de meeste Friezen toe overgegaan. Wij zijn Donderdag den 14den vertrokken naar onze boerderij; de vrouwen en kinderen zijn met een tramwagen naar het spoor gebracht en de mannen met een boerewagen en wij hebben des nachts 14 uur in den trein gezeten en toen stonden de boerewagens klaar met 7 en 8 paarden er voor, want 100 paarden is hier maar één en zoo is het hier met koeien en schapen ook.

Bosschen zijn hier niet te bekennen; het is hier allemaal effen land. Wij zijn nu in onze woning; het is een huis met twee kamers en een keuken, het is met klei opgezet, maar dan netjes, het bovendak is van zink. Wij worden hier van alles buitengewoon behandeld.

In plaats van turf branden wij gedroogde koemest, dat brandt als zwavel. Wij krijgen land en paarden en koeien. Wij eten van het beste rundvleesch, maar aardappelen zijn hier nog niet, maar als wij ze krijgen zullen wij ze spoedig bouwen. Wij zijn van plan om eerst veel koolzaad te bouwen, want het land is hier heel best. Enkelen zullen wel weer terugwillen, die altijd met omgekeerde handen staan.

Ouders, beraad u niet meer; vrienden en bekenden, verkoopt alles wat gij hebt en kom bij ons zoo spoedig als gij kunt en kom maar op landskosten en wees niet bezorgd voor het eten op de boot. De reis duurt wel lang, maar de zee is bedaard en vader zal U wel van Buenos-Ayres afhalen.

Een van onze kameraads heeft twee kinderen op de boot verloren en hebben de oudste van de drie overgehouden. 7 kinderen zijn op de reis gestorven en 7 geboren. De kapitein heeft 8 gedoopt. Het luchtgestel is hier gezond. Wij wonen dicht bij het spoor en zoo bij een rivier. Wilde dieren zijn hier niet. Zijt gegroet:

JAN V. D. TUIN.

GEERTJE HOFMAN.

Dit is nu de waarheid dat ik schrijf.

jan van der tuin.

zaterdag 17 augustus 1889

Zuid-America

Kornelis van der Tuin in April ll. van Kollum naar de Argentijnsche republiek vertrokken, schrijft van daar aan een kennis van hem te Kollum, onder anderen:

Wij zijn 11 Mei aan wal gestapt en toen hebben wij drie dagen in het Immigranten-Hôtel geweest, daar was het slecht en vragen zij u naar de zeereis, mijn vriend, vertel hun dan, dat het een slechte reis is voor fatsoenlijke menschen, meer zal ik daar niet van zeggen.

Dus vriend zoo zijn wij dan in het Immigranten-Hôtel, waar wij onze bestemde plaats kregen, daar waren vele bazen om volk, daar was ook een Hollander die ons zeide waar de meeste Friezen naar toe gingen, en dat was naar de Landbouw, en toen besloten ik en Wouter de Vries ook daar naar toe te gaan en dat is in alle opzichten goed gelukt. Wij moesten toch altijd wat kiezen. Zoo kwamen wij dan op 14 Mei aan bij mijn neef Jan van der Tuin, die had het best naar den zin, en waren ook allen frisch en gezond, die was eigenaar van 66 Hectare land, hij heeft 7 paarden en eene koe en eenige kippen en hij krijgt nog 4 paarden en twee koeijen, ik heb 40 Hectare land dat kan ik bebouwen en beploegen met 8 à 9 paarden en daar krijg ik ook 3 koeijen en eenige kippen bij. Dus vriend het lijkt vreemd in eens boer te worden zonder geld, maar ik zal u opgave doen hoe dat toegaat, zooals ons wordt opgegeven krijgen wij alles op schuld, het land per Hectare voor 225 Americaansche guldens, ieder paard 20 en ieder koe 10 Amerikaansche guldens, alles met 8 procent interest, en dit mijn vriend moeten wij avonturen. Wij hebben 23 jaar tijd om te betalen, maar er zijn Franschen die in 3 jaren alles afbetaald hebben, maar laat het maar 10 jaar duren, dan kan het ook wel gaan. De grond is hier best, ongeveer 3/4 meter beste bouwbare grond, boomen kennen wij hier niet. Wild gedierte weten wij hier ook niet van als wat konijnen, dat zijn leelijke dieren, die wegen ongeveer 10 kilogrammen en wat klein soort slangen, gisteren heb ik nog een met de spa doodgestoken. Nu vriend wij moeten altijd ploegen en zaaien, tweemaal in het jaar (op 't oogenblik hebben wij hier winter, maar ik heb nog maar twee nachten wat ijs gezien), nu kunnen wij van de eerste vrucht zooveel betalen als wij willen en dan moeten wij ons zelf redden, tot zoolang krijgen wij alles op crediet. Om den anderen dag komt de vleeschwagen, dan kunt gij krijgen zooveel gij wilt op het boekje en voor het overige is het voedsel meestal rijst, erwten of meel, doch wij eten drie maal daags vleesch zoo veel wij willen. Wij staan 's morgens 6 uur op en gaan 7 uur naar het landwerk, op 't oogenblik help ik mijn buren en zij mij later, want één persoon kan met deze paarden weinig beginnen, zij zijn wild en dom. En nu mijn vriend, ik dank God, dat wij hier naar toe gegaan zijn en hebben wij tot op dit oogenblik geen berouw, het eenigst dat wij missen is de predikdienst en de school, toch houden wij Hollanders met elkaar alle Zondagen godsdienstoefening door eene lezing tehouden, en hopen wij dat zich dat zal uitbreiden tot Gods eer en onze vertroosting. - Onze huizen zijn van klei en het dak van zink, gij zult misschien zeggen hij schrijft van geen schuur, doch zoodra de vrucht klaar is komen er heeren om te koopen, en dan komt de machine om het aftemaaien en schoon in de zak te leveren. Dus ploegen is de hoofdzaak, gaarne zou ik willen dat gij een voor mij zoekt die bij mij komt te ploegen, hij heeft dan deel in het land, en raad verders flinke boerenarbeiders aan, naar hier te vertrekken, want bij u is krapte en hier is overvloed.

Colina, Provincie Buenos-Ayres

zaterdag 31 augustus 1889

Uit Argentinië

Wij hebben indertijd eenige brieven uit Argentinië geplaatst, en nu dan een uit een ander blad overgenomen. Over het algemeen was de indruk dien men door die particuliere berichten ontving, vrij gunstig. In de "Nieuwe Gorichemse Courant" kwamen thans echter een paar brieven voor die niet gunstig luiden voor landverhuizers naar Argentinië.

De "N. G. Ct." schrijft:

Onderstaande brieven zijn ons ter openbaarmaking gegeven, de schrijvers zijn ons bekend. Indien alles waar is, wat daarin wordt gezegd, dan is het dringend noodig, dat zij, die om hun lot te verbeteren, hun Vaderland vaarwel zeggen, vooraf degelijke inlichtingen inwinnen. Misschien ligt het op den weg der Regeering, die getoond heeft hare aandacht aan de landverhuizing naar Argentinië te willen schenken, door middel van haar Consul te Buenos-Ayres te onderzoeken, of onderstaand schrijven waarheid behelst,

In ieder geval zouden wij het hoogst wenschelijk achten, dat ook andere bladen deze brieven overnamen, opdat het aantal misleide slachtoffers niet toeneme!

COAMAO, den 21 April 1889.

Waarde Vader!

Eindelijk ben ik in de gelegenheid om U iets van ons te laten hooren, dat wij goed in Amerika zijn gekomen, uitgenomen, dat wij ons klein meisje hebben moeten verliezen, dat was een groot verlies voor ons, toen zijn wij in de gelegenheid gesteld als landbouwer naar Bellavista te gaan op goede voorwaarden zooals het scheen, dat was 25 hectaren land, 2 ossen, 1 ploeg, bijl en spade, paard en andere gereedschappen en een huis, te betalen in 5 jaar voor den som van zeven honderd peso, een peso staat gelijk met f1,80 Hollandsch geld; dus dat was om te doen, maar hoe bedrogen kwamen wij uit, 's nachts, na vier dagen gevaren te hebben van Buenos-Ayres, kwamen wij aan, toen moesten wij op den grond slapen en dan met twee zieke kinders, want Kees en Willem waren onder weg ziek geworden; toen zijn wij nog den anderen dag naar de kolonie gegaan, 4 uur van Bellavista, en hoe was het daar gesteld? treurig, overal water, dat wij zagen en moeras en geen hand breed goede grond, overal rood zand en geen woning voor ons; toen moesten wij bij den directeur in de bergplaats slapen, circa tien dagen en geen doctor voor zieken. Ronde bolletjes brood, dat wij met een hamer stuk moesten slaan, geen boter en geen melk in het land voor zieke kinders, niet kunnen slapen van de muskieten, dat was ellendig overal; toen zijn wij naar ons huis gegaan, een huis van 6 palen in den grond en een rieten dak op de palen, anders niets; en als het regende, niet zooals bij ons maar bij stroomen en om den anderen dag, dan waren wij allen nat en konden geen eten kooken, want het water stond binnen net zooals buiten; dan konden wij nog wel met een boot varen, dan mocht ik alle dag een uur loopen om vleesch te halen en dan moesten wij tot aan de knie in het water, dat bleef niet in onze kleren zitten, want alle raakten aan den afgang, zoodat er vele stierven, zoomede onze Willem die is ook gestorven. Onze Kees is zoo mager als een hout, maar nu is het wat beter als veel hoesten, Jane is ook ziek geweest, maar nu gelukkig beter. Zoo hebben wij vijf weken ellendig geleefd tot dat het niet meer kon, toen ben ik met Jaap en vijf Hollanders zonder vrouw en kinders gevlucht naar Coamao, dat ging niet zonder gevaar, want als wij gesnapt waren, zouden wij in de gevangenis tot dwangarbeid gebracht worden, want u moet weten, dat wij als blanke slaaf verkocht zijn, want wij mochten niet zonder vergunning een briefje naar de stad brengen en het was overal politie dat men zag, en als wij wat zeiden, werden wij mishandeld en onmogelijk kan je de stad verlaten zonder vergunning van den directeur van de kolonie, zoodat alle schippers niet mogen varen zonder verlof van hem en de namen opgeven van de vertrekkenden, maar nog zijn wij gelukkig ontsnapt, zonder vrouw en kinderen, maar nu zijn zij gelukkig toch hier, maar zijn nog veertien dagen weg gebleven, want vrouwen laten zij niet makkelijk gaan en dat ik niet eerder geschreven heb, kan ik niet helpen, want brieven kan je niet weg sturen, want ze worden open gedaan en niet verzonden, want zij kunnen wel begrijpen, als wij het schrijven, dat er geen mensch meer naar hier toe komt. Het is slecht, het werk wat ik nu doe is van alles; in een zaagfabriek, die maakt biels (dwarsliggers) voor 't spoor. Voorts komplement aan mijn broers en al de bekenden en mijn Ooms in Vlissingen. Schrijf spoedig terug, want ik weet nog meer, maar ik kan niet meer. God zegen U.

J. J...

Coamao, den 21 April '89.

Dierbare Grootmoeder.

Daar ik mij nederzet om eenige letteren te schrijven laat ik u weten, dat ik door Gods zegen nog frisch en gezond ben, dat hoop ik van u en de familie ook te hooren. Was het anders, het zou mij van harte leed zijn, maar Grootmoeder, ik had wel eerder geschreven, maar wij zijn in een aardigen toestand geweest. Vooreerst in Bellavista was er geen gelegenheid om te schrijven. Wij mochten naar een hotel, maar het was erger dan in een beestenstal. Wij mochten vechten om ons eten te krijgen. Er waren omtrent vijf duizend mannen in, toen zouden wij naar de boerderij gaan, dat stelden ze ons zoo mooi voor. Als het waar geweest was, dan waren we gauw rijk geweest. Wij mochten naar Bellavista, dan kon elk huisgezin 25 hectare land krijgen en de noodige gereedschappen en voor zeven honderd peso konden wij een huis huren voor 5 jaar 1 peso pl. m f1.80. Toen wij daar kwamen, waren er geen gebouwen; met 20 huisgezinnen moesten we bij elkander in een bergplaats slapen. Toen werden er strookeeten gezet, daar zijn wij vijf weken in geweest en er was niets anders dan een dak en aan de zij was het open en als het regende, wist je niet, waar je heen mocht. Het regent tegenwoordig zoo veel, en als je om je eten mocht, dan mocht je een uur loopen en dan ging je tot je broeksband in het water, dat kon geen mensch uithouden, daar stierven zooveel menschen, elken morgen moesten wij een kind wegdragen, dus dat konden wij niet uithouden toen ben ik gevlucht met 2 uit Zeeland, dan ben ik vier dagen en vier nachten weg geweest, altijd door de wildernis geloopen. Wij mochten weer terug, wij hadden geen cent op zak, wij waren wild van den honger en nu zijn wij weer gevlucht, ik met Jobse en nog een paar kameraden, zij hebben de vrouwen in de kolonie gelaten, het was zoo erg, dat wij een bewijs mochten hebben, om naar de stad te gaan, heele dagen zaten wij in het lange gras. Je kont er haast niet boven kijken, we waren net als de beesten, 2 weken duurde het, toen stuurden ze de vrouwen weg, dat heeft veel moeite gekost, maar Grootmoeder het sond mij niet aan, als ik in Bellavista kwam, het eerst wat ik zag, was een ploeg van 20 man aan het werken, de een was geboeid met een blok aan zijn been en een ander stond in een beugel met zijn twee beenen, dus dat was niet mooi, maar door Gods zegen ben ik van die plaats af, nu zijn wij aan het werk, maar wat ik verdien weet ik niet recht, ik geloof van een peso, het is hier alles zoo duur, dat het met een huisgezin niet uit te houden is. Grootmoeder als het niet verandert, zal ik niet lang blijven, dan zal ik in Buenos-Ayres of in Montevideo zien te komen, dan kan ik misschien wel naar Holland terug komen, dus Grootmoeder, ik zal wel eens nader schrijven, wees zoo goed doe de complementen aan vader en moeder zuster en broeders en aan de familie. Wees van mij gegroet, die zich noemt J. W... schrijf spoedig terug.

zaterdag 7 september 1889

Waarschijnlijk als een protest, tegen hetgeen wij de vorige week over

Uit Argentinië

overnamen uit de "N. Gor. Ct." zond men ons de onderstaande brief ter plaatsing.

Velen konden het niet gelooven, dat de beide stukjes waarheid zou zijn. Nu wij zullen het niet ontstrijden of bevestigen, maar eilieve, men moet zich daar den toestand niet overal hetzelfde voorstellen. De eene provincie bij de andere is veel onderscheid en wordt door zeer verschillende kolonisten bestierd. Ieder heeft zijne toestanden en gewoonten en waarom is het onmogelijk, dat die beide huisgezinnen in verkeerde handen zijn gevallen?

Wij willen onze arbeiders, die derwaarts wenschen te vertrekken, niet ontmoedigen, maar hen waarschuwen om voor gewetenlooze agenten der kolonies bij hunne aankomst te Buenos-Ayres op hunne hoede te zijn.

Onderzoek eerst nauwkeurig en laat u door bekenden, die reeds aldaar eene goede gelegenheid getroffen hebben, afhalen.

De Redactie

La Fortuna, 2 Julij '89.

Geliefde Ouders!

Ik neem de pen op om u eenige letteren te schrijven, want ik denk dat gij wel verlangend zult zijn om iets van ons te hooren en te weten, waar wij hier zijn en hoe het met ons gaat. Nu Gode zij dank, wij zijn goed gezond, dat is te zeggen Hedserd en ik, want een treurige slag heeft ons ouderhart getroffen door het verlies van ons eenigst kind, Gij kunt denken en wel eenigszins gevoelen, hoe wij gesteld waren onder dit zoo smartelijk verlies, maar wij wenschen Gode te zwijgen, Wiens doen enkel majesteit en wijsheid is en kracht geeft naardat hij weet dat wij noodig hebben. Een ziekte van slechts drie weken maakte een einde aan haar voor ons zoo dierbaar leven. Zij overleed aan de gevolgen van de roodvonk. Nu geliefde ouders, heb ik u het smartelijkste eerst gemeld, en verblijd mij dat ik u nu ook nog goede tijding kan melden. De vooruitzichten zijn hier goed voor de toekomst. Wij hebben alles hier wat wij noodig hebben, eten en drinken en vleesch zooveel wij hebben willen en dat is toch veel, niet waar? Wij hebben 200 pondemaat best land en krijgen deze week ons vee, ossen of paarden en kunnen dan in de volgende week beginnen te werken, maar gij kunt wel denken dat wij zoo veel niet kunnen doen aan het land dan bij u, maar dat behoeft ook niet, want het land is hier in beter staat om vrucht te geven, daar het nog nooit bebouwd is geweest. Het is hier alles vlak veld, bosschen zijn hier niet en wild gedierte is niet te vinden, wel eenige slangen maar niet groot en ook niet gevaarlijk. Dit is een Hollandsche kolonie en wij kunnen dus ook onze eigen taal houden, dat is heel aangenaam dat kunt gij wel denken. Gij zult wel vragen hoe gaat dat met zooveel land, nu dat zullen wij u zeggen. Wij hebben hier alles op schuld, land, vee, huis, eten, gereedschappen en zaaizaad, al wat wij noodig hebben en moeten dat betalen na den oogst en het land in 23 jaar, dus dat kan wel goed komen. Wij hebben een huis met twee kamers, maar natuurlijk van zoden en een zinken dak, maar dat gaat nog al zoo slecht niet, wij kunnen ten minsten ons heel best schikken en wenschen niet naar Holland terug en zoo zegt ieder.

Wij hebben hier allen bekend volk bij ons, Wouter de Vries, Harmen Bloemsma, Jelke allen van Kollum en wonen een half uur van ons vandaan Hans Bloem en Niekele Westra, dus dat is nog al niet slecht, zoo veel bekenden, dat kunt gij denken. Wat de godsdienst aangaat, dat is hier vrij en ieder kan die vrijheid gebruiken zooals hij wil.

Wij hebben hier Zondags vergadering en die wordt geopend met gebed en gezang. Daarna wordt er een preek gelezen en wederom gezongen en gedankt en als God dan Zijnen onmisbaren zegen geeft, dan kunnen wij nog wel eens een gezegenden dag doorbrengen. Nu weet ik u geen nieuws meer te melden, als dat wij twee winters achter elkander hebben, want het is hier nu winter, het vriest hier nachts nog al vrij wat, maar het klimaat is hier uitstekend gezond en de winter is hier niet lang.

Groet allen die belang in ons stellen.

Uw liefhebbende kinderen

Hedserd Sibma en Geertje Zijlstra.

zaterdag14 september 1889

Ingezonden

Mijnheer de Redacteur!

In uw blad van 7 Sept. j.l. komt voor eene waarschuwing van u aan emigranten naar Argentinië, naar aanleiding van een paar slechte berichten, de vorige week door u uit de N. Gor. Cour. overgenomen.

Deze waarschuwing betreft hoofdzakelijk misleiding door slechte agenten in Buenos-Ayres.

Ik beweer niet dat zoo iets niet gebeuren kan, maar meen toch dat misleiding niet altijd in 't spel is, wanneer deze of geene verkeerd terecht komt.

Een uitstekend middel om tegen zwendelarij gewaarborgd te blijven, is: zich uitsluitend te houden aan wat onze Nederlandsche consul raadt of beveelt. Van onze gewestgenooten die derwaarts zijn gegaan is - voor zooverre mij bekend - nog geen het slachtoffer van bedrog geworden.

Evenwel, onder de duizenden die vertrokken zijn, zal zoo nu en dan een geheel ongeschikte zijn voorgekomen, die geen werken geleerd heeft; of een die zich de toestand aldaar gedacht heeft als of met weinig moeite alles verkregen wordt. Dezulken - het kan niet uitblijven - worden bij aankomst en vestiging deerlijk ontnuchterd. Geen wonder dan ook dat zij hun hart in bittere uitingen lucht geven, en 't ligt voor de hand, dat deze niet de schuld aan zich zelven, maar aan 't land wijten.

Een interessant staaltje, in hoeverre slechte berichten soms bij onderzoek valsch bevonden worden, voeg ik hierbij. Het komt voor in het Nieuws van den Dag van 8 Aug. 2e blad, en is van de hand des Heeren J. Roorda Smit, Hoogleeraar te Cordoba.

Onder meer schrijft hij:

De Hollandsche emigrant, hoewel over 't algemeen werkzaam, is gewoonlijk te veeleischend. Hoewel in zijn vaderland dikwijls aan bittere armoede gewoon, begint hij reeds aan boord te pruttelen. De scheepskost bevalt hem niet, het verblijf aan boord nog minder. Het emigrantenhotel valt niet in zijn smaak, hij pruttelt over de middelen van vervoer en is zeer dikwijls niet tevreden, als hij eens op de plaats van zijn bestemming is aangekomen.

Hij vergeet, dat in zijn nieuwe vaderland andere toestanden bestaan en dat hij zich nooit recht op zijn plaats zal gevoelen, zoolang hij de taal van 't land niet recht machtig is.

Daarbij ontbreekt hem dikwijls de energie om door een zuren appel heen te bijten - zooals toch allen gedaan hebben, die vóor hem kwamen.

Natuurlijk komt het dikwijls voor, dat de emigrant niet tevreden is met zijn werk, waarmee hij beginnen moet, maar hij moet niet vergeten, dat werk nooit onteert, ook al moet men voor 't oogenblik iets aannemen, waarvoor men geen roeping of lust gevoelt.

Daarbij komt nog, dat vele emigranten - natuurlijk niet de besten - voorgeven iets te kennen, terwijl ze er volstrekt niets van afweten. Ook dat is zeer dom, want de bedrieger is natuurlijk spoedig ontdekt, zijn werk wordt hem ontnomen en hij is verplicht eenigen tijd leeg te loopen, totdat er weer een kansje voor hem openkomt. En last but not least komen er velen, die nooit iets geleerd hebben en in Nederland hun geheele leven hebben verluilakt.

Laat ik dit pessimisme van mij met een voorbeeld illustreeren. In 't laatst van Februari l.l. logeerde ik bij den waarnemenden consul, den Heer de Boer, te Buenos-Ayres. Juist een paar dagen na mijn aankomst arriveerde een adres, onderteekend door verscheidene Hollandsche kolonisten, uit de kolonie Bella-Vista (provincie Corrientes). De brief was vol van de bitterste klachten over mishandeling, gebrek aan voedsel en woning, bitter armoe, bedrog van de zijde der landeigenaars, enz. enz.

Onder het aanroepen van God werd de consul verzocht toch asjeblieft tusschenbeide te komen en de arme kolonisten te beschermen tegen dit verregaande geweld en willekeur. Wij - de consul en ik - namen dit alles voor goede waar aan en we besloten de arme sukkels weer naar Buenos-Ayres te laten komen.

De Heer de Boer nam daarvoor de noodige maatregelen, en met zijn bekende menschlievendheid herbergde hij allen - naar ik meen 30 personen - in zijne villa en onderhield hen geheel op eigen kosten.

Natuurlijk waren de Heer d. B. en ik nieuwsgierig om verdere details van het verblijf der kolonisten te Bella-Vista te hooren. Reeds dadelijk viel ons op, dat de verhalen niet geheel eensluidend waren.

De eerste woordvoerder van het gezelschap beweerde: 1o. dat hij in 4 dagen niet te eten had gehad, 2o. dat de geheele kolonie Bella-Vista onder water stond, zoodat de kolonisten tot aan hun borst in 't water stonden, 3o. dat het land niet deugde, want dat de aarde rood was, 4o. dat zwermen wilde beesten en nog wilder Indianen hen steeds bedreigden, de eersten met hun tanden en nagels, en de laatsten met tanden, nagels en geweren. Horribile dictu!

De tweede woordvoerdster, n.l. de vrouw van no. 1, beweerde, dat ze dagelijks genoeg vleesch en brood hadden gehad, maar nooit aardappelen, 2o. dat alles op ca. 200 meter hun hut (dus men had huisvesting!) onder water stond, 3o. dat ze gehoord had, dat er roodhuiden in de buurt waren, 4o. dat ze zich met hare dochters geneerde, omdat de meeste mannen in Corrientes geen pantalon droegen, maar een lap om de beenen, weet uwes!Wijkstra, agent voor reizen naar Agentinië(alias de hier te lande zeer gebruikelijke chiripa), 5o. dat gedacht had, dat er op hen geschoten werd, maar dat het bleek, dat een nieuwsgierige Correntijner, die hun 's avonds vleesch kwam brengen, een lucifer had aangestoken en zich verstout had om, zonder pantalon te dragen, een blik te werpen op hare dochters.

De derde woordvoerder, een timmerman vertelde 1o. dat hij, zijn moeder en zijne broers altijd een goede hut hadden gehad en volop vleesch en brood, 2o. dat er op het land 12 centimeters (sic!) water stond op enkele plaatsen, en dat men daarom wel eens in een diepe sloot terecht kwam, als men onvoorzichtig liep, en 3o., last but not least, dat hij dacht meer met zijn ambacht in Buenos-Ayres te kunnen verdienen.

Op onze vraag echter of ze werkelijk in de kolonie geweest waren, kregen we een negatief antwoord. Ze waren door den landeigenaar voorloopig elders onder dak gebracht, om later per gelegenheid naar de kolonie te gaan.

Ik bedoel hieraan niets toe te voegen.

Of ik Argentinië dan ieder aanbeveel? Ik beantwoord die vraag niet. Hij die derwaarts gaat, zal hij succes hebben, moet geschikt zijn voor Argentinië. Die geschiktheid bestaat hoofdzakelijk in een vasten wil en een paar rappe handen. Beide eigenschappen bezit ons friesche volk over 't algemeen. Niettegenstaande dit, bereide ieder zich voor dat de eerste tijd het moeilijkst is, waaraan moedig het hoofd geboden moet worden.

U dankend voor de opname verblijf ik

                                                                                Uw Dv. Dr.

Ee, 10 Sept. '89                                                    J. Wijkstra Jr.

Verder lezen?