Emigratie naar Argentinië in de Kollumerkrant

van eind 1888 tot en met 1891 (deel 2)

logo van advertentieblad van Noordoost Friesland

zaterdag 21 september 1889

Uit Argentinië

M. d. R.!

In de laatste nummers van Uw Nieuwsblad komen telkens berichten voor uit Argentina. De meeste dezer berichten zijn zoo mooi, dat de hier gebreklijdende arbeiders en zeker ook vele burgers er van watertanden, terwijl enkele zeer slechte tijdingen bevatten. Ik denk, dat de meesten uwer lezers de berichten uit de nieuwe wereld met aandacht en belangstelling lezen, en waag het daarom, een plaatsje in uw blad te vragen, ten einde het meest belangrijke, uit alhier ontvangen brieven uit Argentina mee te deelen. Den zesden Mei vertrokken van hier 4 huisgezinnen naar de Argentijnsche republiek. Zij hoopten daar te krijgen, wat ze hier moesten ontberen: voldoend voedsel om als mensch te bestaan. Den 8sten Mei ontvingen de achtergebleven ouders, familie en vrienden de eerste tijding uit Amsterdam. Het verheugde allen, dat ze daar goed waren aangekomen, doch velen konden een vloek bijna niet onderdrukken, toen zij vernamen, dat men deze ouders met hunne kleine kinderen, bijna tot in de wolken liet trappen klimmen om zich den eersten nacht na hun vertrek, ter rust te begeven, en ze daarvoor des anderen morgens 75 cts. per persoon liet getalen; (die iets gebruikte, betaalde f1.50). "Daar heb je de eerste afzetterij al", zeiden de meesten. Den 7den Mei gingen onze vrienden en vriendinnen scheep. Volgens een den 5den Augs. uit Cordova verzonden brief, werd van Corunna een brief verzonden, waarin gemeld werd, dat de reis voorspoedig ging. Deze brief is hier niet ontvangen. Zondag 12 Mei werd te Vigo den dag doorgebracht met lossen en laden. Vandaar werden Lissabon en de eilanden Palma en St. Vincent aangedaan en daarna koers gezet naar het land der bestemming. Veertien dagen aan een zagen zij niets dan lucht en water. Het voedsel, dat eerst goed was, werd slechter; de aardappels waren verbroeid en het brood was zeer slecht. Kleine kinderen, die niet aan de borst waren, kregen niet wat hun toekwam. Bovendien brak er eene kinderziekte uit, waardoor 19 stierven, wier lijken aan den oceaan moesten worden toevertrouwd. Een der van hier vertrekkenden moest in dit reusachtige graf worden geworpen. De overigen kwamen gezond en wel te Montevideo aan. Zes dagen gingen daar gemoeid met lossen; toen werd de reis voortgezet naar Buenos Aires, waar ze in het Immigrantenhotel werden opgenomen. H. Talsma met zijn gezin (meest groote kinderen) was een der eersten die plaats kreeg in eene Hollandsche kolonie dicht bij B. Aires. S. Faber met een klein gezin kreeg daarop plaats in eene Belgische kolonie, en eindelijk, na zes dagen wachtens, ondernamen W. Postma en K. Dijkstra met hunne vrouwen en kleine kinderen de reis naar het binnenland. In één nacht reisden zij met nog 6 andere gezinnen tot Rosario, waar zij drie dagen in het Immigrantenhuis moesten vertoeven, eer ze naar Cordova (Kordoba) konden vertrekken. Hier hebben ze 2 nachten zonder beddegoed doorgebracht, (dit was nog op 't spoor) en leden daardoor veel koude. Het voedsel was hier goed. De gevolgen van dit koude lijden bleven ook niet uit. Toen zij per spoor tot Cordova en verder per ossewagen 2½ uur gaans westwaarts van deze stad zich vestigden bij een Duitschen heer, om in diens kolonie (waarin veel aan groenteteelt wordt gedaan) werkzaam te zijn tegen eene bezoldiging van 30 à 35 dollard per maand, benevens vrije woning en kost, en zij eenige dagen hunne nieuwe woningen hadden betrokken, werden alle kinderen ziek. W. Postma en K. Dijkstra moesten binnen eenige dagen elk een hunner lievelingen grafwaarts brengen.

Zij maakten ons deelgenoot van eene treurige ervaring. Een Nederlander, die, volgens een artikel in uw nummer van Zaterdag 14 September, van den heer J. Wijkstra, zich het lot der arme landverhuizers aantrekt en daarover schrijft in het N. v. d. Dag, en tot wien Postma en Dijkstra zich wenden om hulp, zegt hen wel te willen helpen, doch kan niet bij hen komen, om de verre reis. Later rijdt deze mijnheer hun huis voorbij, zonder naar hunne zieke kinderen om te zien. Zij hebben daardoor een slechten dunk gekregen van den grooten (?) hoogleeraar J. Roorda Smit te Cordova en de hulp van een geheel onbekenden dokter ingeroepen, die dadelijk bereid was hen bij te staan. Wij hopen, dat zij nu allen weer gezond mogen zijn. De woning, het voedsel en de verdiensten zijn goed. W.Postma schrijft, dat zij de eerste maand 15 dollard hebben overgehouden d.i. ruim 40 guldens. De werkzaamheden bestaan voor een groot deel uit het besproeien van het land uit de rivieren. Wie daar komt moet laarzen meenemen. De heer bij wien zij werken, is zeer nederig en bescheiden; hij bezocht hun kranke kinderen geregeld. Huisgezinnen met groote kinderen en vrijgezellen wordt een spoedige overkomst aanbevolen. Gezinnen met kleine kinderen dienen wel te bedenken, wat zij doen.

Wij danken onzen vriend Postma voor deze mededeelingen, en wenschen van harte, dat het hun daar wél moge gaan; dat door samenwerking de kolonie in bloei moge toenemen, en dat ze zich spoedig mogen verheugen in eene opvoedingsplaats voor hunne kinderen, welke ze nu, evenals eene kerk, moeten ontberen.

Door de opname van het bovenstaande in uw blad, en toezending van een ex. aan W. Postma te Cordoba (Argentina, Z. Amerika), zult gij, M. d. R. ten zeerste verplichten.

                                                                        UEds. dv. dnr.

                                                                        R. D. v. d. Kooi

Kommerzijl, 19 Sept. 1889

zaterdag 5 oktober 1889

De Red. van het Amsterd. Nieuws- en Advert. bladnam jl. Zaterdag het stuk van den heer R. D. v.d. Kooi te Kommerzijl uit ons blad over en voegde er het volgende aan toe:

"De hier bedoelde "groote professor" Roorda Smit is een Fries van geboorte, zoon van een plattelandsdokter. Hij studeerde te Utrecht in de Wis- en Natuurkunde (onder de oude wet) en maakte zijn hoofdvak van de chemie. Na mislukte pogingen om hier te lande eene betrekking te bekomen, ging hij eenigen tijd na zijne promotie zijn fortuin zoeken in de Transvaal. De toen hier te lande vertoevende President Burgers, had hem tot super-intendant-generaal van het mijnwezen benoemd. In de Transvaal bleek men echter niet van den heer Roorda Smit gediend te zijn, terwijl hij het mijnwezen geen stap vooruitbracht. De groote vlucht die dit later heeft genomen, was lang na zijn vertrek.

Na drie jaren kwam dan ook de heer Smit terug, schreef eene stijllooze compilatie over de Zuid-Afrikaansche volksplantingen, die als feuilleton in het Utrechtsch Dagblad verscheen, en ... ging te Utrecht in de Medicijnen studeeren. Na verloop van tijd eindigde hij ook die studie met gunstigen uitslag.

Tot verwondering van velen werd hij echter al tot hoogleeraar te Cordova in Argentinië benoemd, alvorens hij in de medicijnen gepromoveerd en zijn arts-examen had gedaan. Voor dit laatste werd hij zelfs eenmaal afgewezen en wel in het bijzonder voor de chirurgie (het vak waarin hij reeds tot hoogleeraar was benoemd).

Sedert naar Cordova vertrokken, blijkt hij nu, naar wij vernemen, als oogheelkundige fortuin te maken. Zijne brieven onlangs in hetNieuws van den Dag verschenen, waarin hij zijn wijsheid over landverhuizing naar Argentinië luchtte, zijn nog even stijlloos als zijne schrijverij over Zuid-Afrika in vroeger tijd. Het verwonderde ons zelfs dat de Redactie van het Nieuws ze eerst niet wat heeft omgewerkt.

De arme landverhuizers aan wie zeker een exemplaar van het N. v. d. D. in handen kwam, meenden dat die professor in de medicijnen die in hunne nabijheid woonde, een belangstellend vriend zou zijn, en toen dus hunne kinderen in het vreemde land ziek lagen, waagden zij het zijne hulp in te roepen. Heel natuurlijk. Maar dat was mis. Voor dezen "belangstellenden vriend van Nederlandsche landverhuizers", voor dezen professor die schatten verdient "was het te ver" zooals hij schreef om hen te bezoeken. Maar wel reed hij hun huisje, waar zij niet wisten wat ze met hun zieke kinderen moesten beginnen, in zijn rijtuig voorbij!

Ze hadden nog wel gedacht, dat belangstelling voor arme landgenooten hem zijne brieven over Argentinië in de pen gaf. Die onnoozelen! De Redactie van het Nieuws zal den heer Roorda Smit verzocht hebben, eens wat over het onderwerp der landverhuizing naar Argentinië te schrijven en de heer Roorda Smit heeft er behoorlijk zijn honorarium voor opgestreken. Zoo stellen wij ons de zaak voor. Maar belangstelling in arme landgenooten!

Welk fortuinzoeker uit den zoogenaamd fatsoenlijken stand zou in den vreemde iets willen te doen hebben met die arme drommels, die hem aan zijn geboorteland herinneren en die ook al hun fortuin in de wereld op hunne wijze meenen te mogen beproeven!"

zaterdag 5 oktober 1889

Ook te Balk begint de landverhuizing in de smaak te vallen, althans in de vorige week zijn weer eenige werkmansgezinnen naar Argentinië vertrokken om daar, zoo mogelijk, een beter bestaan te vinden. Toen het oogenblik naderde waarop ze misschien voor altijd den vaderlandschen bodem zou gaan vaarwel zeggen, kwam een der vrouwen tot de overtuiging "dat ze het in Gaasterland toch niet zoo kwaad gehad hadden" en wist zij haar echtgenoot te bewegen van het plan af te zien, waarna de echtelieden met hun kroost en bagage weer de reis naar huis ondernamen.

zaterdag 5 oktober 1889

In verschillende couranten lazen wij de volgende advertentie:

Argentijnsche Republiek

Volgens telegrafisch bericht, dato 14 September jl., van Z. E. den Minister van Buitenlandsche Zaken te Buenos Ayres, zijn aldaar ten spoedigste noodig minstens 200,000 werklieden om den aanstaanden oogst binnen te brengen.

Behalve den overtocht genieten zij alle voordeelen der wet voor landverhuizers.

De bezoldigingen in de Argentijnsche Republiek zijn naar gelang van bekwaamheid en der provincie waar men werkt. Zij bedragen per maand ongeveer: voor landbouwers f30 tot f100, voor hoveniers f75 tot f200, voor metselaars f120 tot f225, voor timmerlieden f120 tot f225.

Voor nadere inlichtingen, ook betreffende de passage, vervoege men zich tot het Bureau van Informatie betreffende de Republiek, te Gouda.

In twee voorgaande artikelen kwam de Nederlandse hoogleraar in Cordoba, de heer Roorda Smit, er niet zo best vanaf. In het volgende ingezonden stuk werpt niemand minder dan de burgemeester van Kollumerland, de heer Witteveen, zich op als verdediger van de heer Roorda Smit. Spreekt hier zijn rechtvaardigheidsgevoel? Of is er misschien een andere reden? De burgemeester kende vrijwel zeker  Jelle Albertus (Roorda) Smit, want deze is op 19 oktober 1850 te Burum (gemeente Kollumerland) geboren. Op 19 januari 1883 trouwt hij te Utrecht met Arnolda Maria van Dugteren, die op 21 augustus 1930 te Buenos Aires overlijdt. Het betrof een huwelijk bij volmacht, want de bruidegom woonde al in Cordoba.

zaterdag 12 oktober 1889

M. d. R!

In nummer 12 Uwer Courant dd. 21 September jl. publiceert de Heer R. v. d. Kooi van Kommerzijl mededeelingen uit de Argentijnsche Republiek, waarbij de Hoogleeraar te Cordoba Dr. J. Roorda Smit in een slecht daglicht wordt geplaatst.

Gebood de voorzichtigheid alreeds eerst voldoende zekerheid te hebben in hoeverre de Hoogleeraar werkelijk schuld heeft aan het feit alvorens zich op te werpen tot verspreiding van nadeelige geruchten ten zijnen opzichte, in elk geval is het niet nobel iemand aantevallen, die op honderden uren afstand zich niet verdedigen kan.

Het Amsterdamsche Nieuws- en Advertentieblad, het stuk van Van der Kooi overnemende, acht zich geroepen er nog eenieg lieflijkheden bij te voegen aan het adres van gemelden Hoogleeraar.

Gevoelt niet ieder, die dat stuk leest, hoe partijdig het gesteld is en hoe nijd en afgunst des schrijvers pen in beweging brachten?

Men behoeft ons niet te vertellen wie Dr. J. Roorda Smit is.

Wij kennen hem als een zeer verdienstelijk man, die veel te hoog staat om van dergelijk geschrijf notitie te nemen.

De wijde baan die Professor Smit alreeds heeft doorloopen, ligt geheel buiten den beperkten gezichtskring van zijne benijders.

Zij, die nog vrij wat klimmen moeten op den maatschappelijken ladder alvorens het standpunt bereikt te hebben dat Professor Smit heeft ingenomen, deden beter te zwijgen in plaats van een man aan te vallen die door eigen verdienste zich de positie heeft verworven die hij nu bezit.

Dr. J. Roorda Smit studeerde en promoveerde te Utrecht in de wis- en natuurkunde. Als Super-Intendant Generaal van het mijnwezen naar de Transvaal vertrokken, noopten de politieke verwikkelingen dier Republiek hem naar het Vaderland terug te keeren.

Onmiddellijk zijne studiën hervattende, promoveerde hij kort daarna in de medicijnen en ontving weldra eene aanstelling als Hoogleeraar te Cordoba.

Wat zegt gij van zulk eene carrière M.d.R.?

Ware het niet te wenschen dat vele Nederlandsche jongelieden in plaats van zich hier te vergenoegen met een klein postje en bij moeders pappot te blijven, het voorbeeld van dezen energieken man volgden en in het buitenland trachten te verkrijgen wat zij hier niet machtig kunnen worden?

Maar, - daartoe behoort kennis en moed, twee qualiteiten, die velen trachten te vergoeden (?) door eigenwaan en bluf.

Kollum, 7 Oct. '89.            Mr. J. Witteveen.

zaterdag 19 oktober 1889

Brief uit Argentinië

Onlangs is van een uit Zuidhorn in Mei ll. naar Argentinië vertrokken emigrant een brief ontvangen, uit welk schrijven 't volgende wordt medegedeeld:

Na enkele bijzonderheden over de reis aangestipt te hebben, vervolgt de schrijver: het valt mij hier niet af, want wij hebben het naar wensch. Bij onze aankomst te Buenos-Ayres brachten wij eerst 3 dagen in het emigrantenhuis door, van waar we na 15 uren aaneen sporens dicht bij de plaats onzer bestemming, La Colina, aankwamen. Met een kar bespannen met 5 paarden, werden wij naar de ons toegewezen hoeve gebracht. We werden 16 familiën bij elkander geplaatst, en moesten ons eerst vrij wat behelpen, wat de woning aangaat. Doch men bouwt hier alle dagen, maar huizen, die bestaan uit een slaapvertrek, een woonvertrek en een stook vertrek. Dat zijn nog huizen, mijn vriendje, de muren zijn ongelogen wel 60 duim dik, maar ze zijn zacht, ze zijn n.l. van zoden en dat moet wel, omdat ze zoo gauw klaar moeten. Ons is 30 à 40 H.A. land toegewezen, dat wel wat bergachtig is, maar toch goed voor den landbouw. Paarden zijn mij 5 bezorgd en daarmede moeten wij het land bewerken. De paarden zijn in 't algemeen niet zoo groot en zoo sterk als bij u en zijn heel anders van manier, want draven doen ze nooit. Zij huppelen maar, net als een jongen op een hobbelpaard.

Koeien krijgt men ook, doch dat is maar één en een kalf, en dat is maar om in de kweek te komen.

Als er vrienden nog naar hier willen komen, moeten zij zich niet laten afschrikken door praatjes; ze moeten er maar vrij en blij op af komen. Als ze komen moeten ze maar geen Hollandsch geld meenemen, maar liever een groote kist vol klompen en dan groote en kleine, die zullen ze hier wel met voordeel kunnen omzetten, want die zijn hier niet te krijgen.

Als ik wat langer op mijne hofstede geweest ben, zal ik u meer kunnen vertellen. Geld heb ik nog niet verdiend, doch dat komt als de oogst is ingezameld, maar we hebben alle dagen goed eten en drinken, daar wordt door de regeering voor gezorgd. Wij zijn allen goed gezond.

Gegroet, J. P.

In de krant van zaterdag 19 oktober 1889 reageert de heer Van der Kooi op het ingezonden stuk van burgemeester Witteveen. Een week later volgt weer een reactie van de burgemeester en de zaterdag daarop, 2 november 1889,  schrijft Van der Kooi weer van zich af. Daarna geeft de heer Witteveen het op. De inhoud van hun polemiek is verder niet bijster interessant. Het Nederlandse consulaat te Buenos-Aires reageert in mei 1889 heel positief op een aanvraag van de heer Roorda Smit om in Cordoba een vice-consulaat op te richten. Hier volgt een deel van de concepttekst van hun advies aan de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken, Jhr. C. Hartsen:

De wenschelijkheid dezer reorganisatie is vooral tengevolge der toenemende landverhuizing uit Nederland naar Argentinië steeds meer op den voorgrond getreden.

Het is toch ongetwijfeld van groot nut voor onze immigranten, wanneer zij zich tot een consulair ambtenaar kunnen wenden om voorlichting en steun, ook op plaatsen in het Argentijnsche binnenland gelegen, dus ver verwijderd van de thans in de kustprovinciën bestaande drie posten.

Naar mijne meening komen met het oog hierop vooral de plaatsen Parana, Santa 'Fe', Bahia-Blanca en Cordoba voor de vestiging van vice-consulaten in aanmerking. [...]

Terwijl, wat de andere hiervoor genoemde plaatsen betreft, het mij nog niet mocht gelukken passende personen te vinden, meen ik in den Heer Roorda Smit een alleszins geschikt candidaat voor de vervulling van een vice-consulaat te Cordoba te hebben aangetroffen.

De Heer Smit - Dr. Jelle Albertus Roorda Smit geboren te Buren (bedoeld wordt: Burum) in Friesland den 19 October 1850 is iemand, die, gelijk ik weet, aan verschillende landgenooten in Argentinië reeds belangrijke diensten heeft bewezen, en daardoor toonde een warm hart te bezitten voor onze belangen daar te lande. Voorts staat hij door zijne maatschappelijke positie - de Heer Smit is zéér vermogend en sedert eenige jaren als geneesheer en hoogleeraar te Cordoba gevestigd - bij de plaatselijke autoriteiten en ook bij de President der Republiek in hoog aanzien.

Met het oog op een ander, neem ik nu de vrijheid de oprichting van een vice-consulaat te Cordoba - de hoofdplaats van de belangrijke provincie van die naam, waarin zich reeds verscheidene landgenooten hebben gevestigd - ten zeerste aan te bevelen en voor de vervulling van dien post genoemde Heer Smit voor te stellen.

Verder lezen?