Emigratie naar Argentinië in de Kollumerkrant

van eind 1888 tot en met 1891 (deel 3)

logo van advertentieblad van Noordoost Friesland

zaterdag 9 november 1889

Uit La Colina (Zuid-Amerika) schrijft Hans Blom van Oudwoude o.a. het volgende:

Het is juist van daag (4 Aug.) een halfjaar geleden, dat wij uit Holland gingen. Wij hebben 182 hectare land, 180 pondemaat is er van omgeploegd en daar wordt weit ingezaaid. Verder pooten wij aardappelen en mais. Wij wonen in een nederig huis, maar hebben geen eten noch vleesch gebrek, al moeten wij het van een wit geschuurde tafel eten, wij lusten het wel. Er wordt ons meer aangebracht als wij op kunnen eten. Het kost maar 7½ ct. de kilo. Wij hebben 21 paarden in tal, maar daar zijn 2 veulens en 2 merries bij, die niet trekken. Het schijnt ons toe, dat de landbouw hier wel een bestaan kan geven, want het is hier een beste vette grond, voor alles geschikt. Wij zijn blijde dat wij Nederland hebben verlaten, genieten wij niet veel van onze onderneming dan onze kinderen. Ook zijn wij blijde dat wij met de eerste boot gekomen zijn, want wij moeten 90 nationaal voor het land betalen per hectare, die met de tweede boot zijn gekomen moeten 100 geven en er wordt gezegd dat het iedere boot vol opslaat.

Mijne vrouw heeft het ook veel beter dan in Friesland. Zij kan nu thuis bij de kinders blijven, en zoodoende de huishouding in orde houden. Zeer gaarne wenschten wij dat hier eene school was, om de Spaansche taal enz. te leeren.

zaterdag 23 november 1889

Wegens den overgrooten toevloed van crediet-passagiers voor de Argentijnsche Republiek, neemt de Nederl. Amer. stoomvaartm. dezulken niet meer aan.

zaterdag 15 februari 1890

Gedurende het jaar 1889 zijn uit onze provincie 1783 landverhuizers vertrokken, tegen 683 in 1888. Een groot gedeelte begaf zich naar Argentinië. Onder hen bevonden zich uit de gem. Schoterland 9, uit Haskerland 31 en uit AEngwirden 19. Kollumerland en Nieuwkruisland leverde het grootste aantal, n.l. 278. Ameland, Schiermonnikoog en IJlst waren de eenige gemeenten die geene landverhuizers leverden.

zaterdag 15 maart 1890

Men schrijft uit Buenos-Ayres (Argentinië) aan de Haagsche Ct: "Waarschuw toch onze landgenooten nog eens, om zich niet te laten verlokken tot den overtocht naar hier, wanneer zij geen geld hebben om de terugreis te betalen, als 't hun hier niet bevalt. Wie dat artikel inKollumerkrant in augustus 1890 over oproer in Argentiniëheeft, is tenminste vrij man; maar zij, die hier zonder dat reisgeld aan wal worden gezet, zullen 't zich veelal te laat beklagen, zich hierheen te hebben laten lokken. De zoo genoemde kolonie "La Fortuna" zal, naar ik verneem, weldra verlaten moeten worden. De onderneming is, meldt men, mislukt, want de menschen sterven er als muizen, en meerendeels zonder geneeskundige hulp, dat spreekt van zelf."

Zaterdag 20 december 1890

Iets uit de Republiek Argentinie (Zuid-Amerika)

Niemand der lezers van »de Kollumer Courant" zal de naam Argentinie vreemd zijn, evenmin als de emigratie daarheen op crediet. Thans heeft de schrijver dezer regelen 14 à 15 maanden in de Republiek vertoefd en wil 't een en ander, wat hij zoo van dit land heeft vernomen, meedeelen.

Wij zijn gereisd tot San Juan na eerst dagen te Buenos Ayres in 't emigranten hotel in allerlei ongedierte, vooral wandluizen, ratten en muizen, te hebben doorgebracht. Reeds daar (in B. A.) werden we gewaarschuwd niet verder landwaarts in te gaan, omdat men op allerlei wijze wordt bedrogen. Doch wij wilden hiervan niets aannemen, nog gedachtig aan de luchtkasteelen, die ons voorgespiegeld waren in Holland. In San Juan aangekomen, geraakten we al ras tusschen hoop en vrees; we begrepen niet te plaats te zijn, want er kwam geen patroon, voor wien wij waren gestuurd. Hier is nog een van honger en gebrek omgekomen. Eindelijk terug naar Mendoza en toen met ezelkarren naar onze bestemde plaats. Drie dagen en nachten moesten wij reizen en daar hebben wij weer veel geleden en bij den patroon aangekomen, merkten wij spoedig, dat men in B. A. de volle waarheid had gezegd. In Holland spelt men den armen emigrant op de mouw, dat hij hier land op crediet kan koopen, doch wij ondervonden iets anders. Met ons gingen nog 14 Hollandsche familiën, die ook land op crediet zouden ontvangen, zooals het bestuur der emigratie ons allen verzekerde, maar integendeel, niets anders dan bedriegerij, want van alles kwam niets terecht.

Na een maand vertrokken weer 13 familiën naar Mendoza, waarvan de een hier, de andere daar stoof. Een maand later zijn ook wij vertrokken en nog 3 maand later ook de laatsten en hebben evenals wij gezegd, nimmer weer naar de bedriegelijke vlijtaal van "land op crediet te kunnen verkrijgen" gehoor te geven. Toen hebben we in Lujan gewerkt aan het leggen van een brug over de Mendoza rivier, zijn later naar Mendoza vertrokken en nu voor ongeveer 3 maand in Villa Mercedes aangekomen. Daar wij nu met ons drieën zijn, die voor een huisgezin van 5 personen werken, evenals onze medereizigers naar hier, hebben wij goed ons brood, doch als één persoon alles moet verdienen, komt het niet te breed om. (Het gewone daggeld is 1 peso 50 centavo's ) .Nu zegt men in Holland, dat één peso gelijk staat met f2,50, doch dan wordt een peso in goud bedoeld, en daar men in papier uitbetaald wordt, kan 't soms zijn, dat een peso gelijk staat met een gulden, ja zelfs nog minder waarde.

De papieren zijn hier van 5, 10, 20 en 50 centavos, 1, 2, 5, 10, 20, 50, 100 en 200 peso. Of ze er ook zijn van 1000 en hooger is mij niet bekend. De koperen munt is : 1 en 2 centavos. De prijzen voor de verschillende waren zijn erg duur, en wel gemiddeld voor enkele als volgt : rijst per kilo 50 centavos, meel (tarwemeel) 25 centavos, koffie 2 peso, thee gelijk in Holland, doch slechter kwaliteit, aardappelen de mud 8 peso, vleesch per kilo 20 centavos, vet 40 centavos, tabak 1 peso (dezelfde soort die men in Holland koopt voor 20 cent de kilo) melk per liter 20 à 25 centavos, de kilo versch spek 1 peso à 1 peso 50 centavos. Groenten, als erwten, boonen, kool enz. zijn allen verschrikkelijk duur. Een ieder ga nu zelf de rekening maken ; ik wil niet zeggen, dat het hier slechter is dan in Holland, doch kan men van Argentina spreken als van een land overvloeiende van melk en honig, gelijk door zoovelen wordt gedaan, die ons alles zoo heerlijk en schoon hebben voorgepraat ? Laat het dan nog wat beter zijn voor den polderwerker in betrekking tot de dagelijksche behoeften ; iemand, die in den landbouw is, krijgt te veel om te sterven, en te weinig om te leven. Dat is niet alleen het geval in de streken waar wij geweest zijn, maar overal.

Voor enkele dagen kwamen hier nog Hollandsche huisgezinnen, die bij een Hollandsche heer in de kolonie waren te Cordoba, doch deze was ook al even slecht als al de anderen, want hij vergunde de werklui niet anders dan mais en vleesoh. Dat de vreemdelingen, Franschen, Italianen, Spanjaarden en inboorlingen (de voornaamste bevolking) de Hollanders zoo behandelen, is slecht, maar dat menschen uit één land, ja uit dezelfde gemeente zoo gemeen zijn, hunne plaats- en gewestgenooten zoo te kastijden, is ondragelijk en, gij zult het met mij zeggen, onmenschelijk. Nu, zoo een is de eigenaar van een kolonie te Cordoba en hij heeft er nog sommigen onder zijn macht en commando.

In de kolonie la Colina, dat voor velen het land der belofte was, en waarvoor vele agenten den emigranten een adres meegeven is 't ook al niet te vinden. Wij vernamen van een paar personen, die er geweest waren, dat zich daar veel Hollanders bevonden, doch de een was nog al armer dan de ander en van land op crediet was geen sprake. Wel doen de eigenaars zich eerst zoo voor, doch als de moordzuchtige wolven hun prooi maar eerst tusschen de klauwen hebben. Dan zuigen zij ze het bloed uit, steeds loerende, hoe zij meer kunnen vangen. Hoe worden die bloeden niet in strikken gevangen, wijl zij zich eerst voorstelden, spoedig een ruim bestaan te hebben en nu te verkeeren in armoede zooals ze in Holland nog nimmer hebben gekend. En zouden de agenten van dit alles niets weten? Zoo niet, dan ware het noodig, dat zij zelf eerst eens gingen onderzoeken, en zoo ja, dan zijn ze nog grooter schelmen dan menig tuchteling.

In elk geval wordt nu den agenten geraden, niemand Argentina meer aan te prijzen, want de grootste armoede in Holland is nog niet te vergelijken bij de ellende van velen in deze wereld. Later meld ik eens weer iets; ik hoop, dat niemand meer gehoor zal geven aan de schoone woorden, die hem voorgespiegeld worden, het zijn slechts de kleuren van een regenboog, die men ziet in een druppel water, aan een boom hangende, wanneer de zon er op schijnt, en den schilder zouden bewegen ze weg te nemen, om zijn penseel in te doopen. Waarde lezers en lezeressen ! denkt aan het "Wien Neêrlands bloed", en blijft waar gij zijt.

Heil u, die zich nog in dat dierbare Holland bevindt! duizendmaal heil u!

Villa Mercedes, 3 Nov. 1890.

                                                                                                                                            Tj. Helder,

                                                                                              en mijn vriend JAN LOONSTRA.

Op uwe vraag berichten wij, dat dit blad bij vooruitbetaling f 3 per jaar naar Zuid­Amerika kost.     De Uitgever.

kosten voor abonnement op Kollumer krant voor emigranten in Argentiniëdonderdag 25 december 1890

In verband met de toestanden in Argentinië heeft de Nederlandsche-Amerikaansche stoomvaartmaatschappij besloten, vooreerst geen verdere stoombooten derwaarts te zenden. Ten einde evenwel de vaart elk oogenblik weder met kracht te kunnen opvatten, blijft het Agentschap te Buenos-Ayres bestaan.

zaterdag 28 maart 1891

Grooter ellende dan te Rotterdam te aanschouwen was bij aankomst van het stoomschip Edam van Buenos-Ayres, is wel zelden gezien, zegt de N. R. Ct. De ongeveer 150 tusschendeks passagiers waren slechts in eenige lompen gehuld. De meesten waren niet in staat de kosten voor hunne verdere reis te betalen. Eenige consuls, alsmede de directie der N. A. S. M, voorzagen hen zooveel mogelijk van het noodige, en tevens van spoorwegkaarten. Aan boord der boot had het hun aan niets ontbroken. Over de toestanden in Zuid-Amerika werden de treurigste tafereelen opgehangen. Duizenden smachten nog naar de gelegenheid om terug te kunnen komen.

Enkele maanden later wordt op dit artikel vanuit Argentinië gereageerd in de krant van

zaterdag 27 juni 1891

INGEZONDEN

Mijnheer de Redacteur!

Door middel van schrijven, van een mijner landgenooten, R. Kuitert alhier, hebben wij het Advertentieblad van Kollum en omstreken te lezen gekregen. Soms leest men nog iets nieuws over Z. Amerika. Zoo las men ook laatst dat een aantal Hollanders weer in Rotterdam waren aangekomen, natuurlijk in behoeftigen toestand, en slechts met behulp van den consul naar hunne bestemming konden gaan. Nu zulke gasten te ontvangen uit een land, waar zoo veel lof van werd gesproken, is niet zoo aangenaam. Laat mij ook een paar regels schrijven, met verzoek deze te plaatsen in uw veel gelezen blad, ik zal dit uit eigen ervaring doen.

Het was 20 Aug. 1889 toen ik Holland vaarwel zeide, wij werden te Rotterdam ingescheept en gingen per S.S. Leerdam op Gods genade de wijde wereld in. Een reisje van 58 dagen deed mij verlangend uitzien naar zooals ik meende het land der belofte.

Eindelijk 16 Oct. kwam ik op mijne bestemming aan bij de familie H. Blom en compagnons. Een groot gezin, doch nergens geene behoefte aan. Een groote hoeveelheid land, 30 paarden, een aantal koeien om te melken, men kon boter en kaas maken, dus geen gebrek dan alleen aan geld. Welnu dat kwam later, ja ze schenen weldra de grootste en de rijkste boer in de kamp te zullen zijn. Ik verhuurde mij bij hen als knecht voor 180 pesas per jaar. Onze tarwe stond buitengewoon best ; maar in het begin van December, als het hier zomer (heet) is, kreeg men nog zooveel vorst, dat alles verloren scheen, wat ook later bleek. Toen men in Januari dacht te oogsten viel er weinig in te zamelen, dus zeer nadeelig voor den boer, maar nog erger voor den eigenaar der kamp, van wien het crediet bekomen was.

Maar men gaf onder deze omstandigheden nog geen moed verloren, hoewel velen de kolonie verlaten moesten. Men begon weer op nieuw het land klaar te maken voor een volgend jaar. Toen men in de maand Sept. het zaad weer in den grond had, waarvan later de opbrengst nog minder was dan het vorige jaar, was het werk in de kamp ook gedaan en zoo het scheen zou het eten ook gedaan zijn. Weinig crediet op de boekjes, waarop in den winkel nog niets te krijgen was, vaak geen vleesch aan de slagerij enz. noodzaakte de boeren hunne gezinnen te verlaten en elders werk te zoeken.

Ook ik moest mijn fortuin zoeken en na de tusschenliggende stations bezocht te hebben, kwam ik eindelijk in de stad Azul terecht. Ik had toen acht dagen rondgedwaald, doch daarbij nog geen gebrek geleden en hield verblijf in de onderscheidene hotels. In laatstgenoemd station bekwam ik werk bij een Italiaan (melkboer), het was toen 20 October, ik verhuurde mij voor 30 pesas per maand ; tot nog toe ben ik in zijnen dienst.

Wat nu het klimaat betreft, is lang niet zooals de voorschriften luiden ; hier in het zuiden heeft men veel strenge nachtvorsten, ja zelfs nog in den zomer als het koren in den bloei staat, veel droogte, de sprinkhanen tot vijand enz. Daardoor ook het mislukken van den oogst deze twee jaar, wat menig Hollander bedrogen en in ellende heeft gebracht. Dan is de grond nog niet geschikt voor den bouwboer, de meeste plaatsen heeft men hoogstens twee voet grond, die nog voor den wind wegstuift. Verder is het rots, dus putten te graven wat vaak voorkomt, 't is hier zwaar werk. Nu begrijpt men al zeer goed, dat alles niet zoo rooskleurig is als ons in Holland door de agenten werd voorgelezen, waar velen op weg zijn gegaan, in de gedachte hier met weinig moeite in korten tijd rijk te zijn, maar helaas, te laat ! Zooals in vele landen meer, is de room ook hier van de melk af ; die hier voor 20 á 30 jaar zijn gekomen, kunnen nu als heer leven.

Maar die nu komen, hebben meer kans om bedelaar te worden, dan om hun eigen brood te eten. De meeste bewoners van La Fortuna en meer andere Koloniën, zitten nu diep onder de schulden, die nooit kunnen betaald worden, van armoede te Buenos-Ayres in het emigrantenhuis, nog niet te weten waar naar toe ; terwijl de landheer die hen bij duizenden heeft voorgeschoten, arm is.

Velen van onze landgenooten zouden ontbloot van alles, zooals ze zijn, weer in Holland aan den wal wenschen te staan, maar hoe daar te komen ? Wat nu hier het leven aangaat, laat veel te wenschen over, zoowel voor een meer bejaarde, als voor een jong mensch. Veel moet ik hier ontberen, waar ik mij in Holland bij vermaken kon. Vooreerst ander bestaan van levensmiddelen, dan het bereiden daarvan ; geen gezelschappen waar men zich bij kan aansluiten.

Waar nog kerken en scholen zijn, is alles nog R. Catholiek. Zon- en feestdagen te vieren weet men hier niet van, maar altijd werken ; geen geregelden tijd van arbeid, zooals in de boekjes staat van 8 uren per dag, neen, dat getal moet met 2 vermenigvuldigd worden, vooral in den zomer. Men gaat vaak met daglicht op en af, als het in 't geheel niet duister werd, zou men in 't geheel geen rust krijgen. Wel is het waar, dat men hier 2 à 3 maal zooveel verdient als in Holland, want 3,60 gulden kreeg ik daar in geen drie jaar. Dat ondervond ik tijdens mijn laatste verblijf in de prov. Groningen, toen ik bij mijn afscheid 2,50 per week vroeg, was dat te veel, hoewel ik daar alles voor gedaan had, en toen ik bij slot van reken 1,30 dacht te ontvangen, met enkel 90 werd afgescheept. Daar werd al weer bewaarheid het spreekwoord : dat een paard dat haver ruim verdiende, niets in zijn bek vergaart.

Azul, Mei 1891.                       H. de Boer.

Verder lezen?