Grijpskerk

Doopsgezinde gemeente Pieterzijl-Grijpskerk

Formsma zegt hierover in zijn boek op de pagina's 85 en 86:

Ook in Visvliet hadden enige mennisten zich in 1643 'onderstaan' een huis te kopen en daarin banken te plaatsen. Een vermaning zo dicht bij de bestaande bebouwing kon niet worden gedoogd, dat zou de mensen aanstoot geven. Daarom werd ze in 1644 op last van de Staten gesloten. In die buurt zou daarna Pieterzijl het centrum worden..... In 1664 werd te Pieterzijl een vermaning gesticht. De grietman gelastte sluiting, maar de mennisten gingen in hoger beroep bij de Hoge Justitiekamer, terwijl de grietman steun zocht bij de classis. Dit gebouw of een latere opvolger is blijven bestaan en zo werd Pieterzijl het centrum van een bloeiende doopsgezinde gemeenschap... Veel is daarvan niet bekend. Blaupot ten Cate weet in zijn boek van 1842 nog te vertellen, dat in een familiebijbel is aangetekend, dat Albert Sibolts op 14 september 1690 tot leraar is gekozen en dat hij vervolgens op 23 november de eerste vermaning heeft gedaan uit Mattheus XI,28. Verder dat in 1733 in Pieterzijl de eerste vermaning is gebouwd, terwijl men tevoren nog vergaderde in een toen nog bestaande arbeiderswoning... In de 18e eeuw werd de tolerantie ten aanzien vooral van de doopsgezinden steeds groter. De overheid zag veel door de vingers. Toch moesten de dissidenten niet teveel afwijken van de bestaande voorschriften... Maar pas de omwenteling van 1795 zou de gelijkrechtigheid van alle gezindten brengen.

Het archief van de doopsgezinde gemeente Pieterzijl-Grijpskerk is te vinden in de Groninger archieven onder toegangsnummer 360. Daar is ook een interessant historisch overzicht geschreven, dat we u niet willen onthouden.

Van de vroegste geschiedenis van de doopsgezinden wonende ten noorden van Grijpskerk is maar weinig bekend. Van de archivalia van de eigen gemeente uit de periode vóór 1800 is slechts één deel bewaard gebleven. Ook in de archieven van de hervormde classis Westerkwartier en die van de Plaatselijke gerechten zijn lacunes, die het onderzoek belemmeren. Blaupot ten Cate noemt in zijn werk de naam :" de Waard en Pieterzijl". Deze vermelding komt in de periode 1731 - 1743 ook voor in de "Naamlyst der Predikanten". De Waard is een polder, gelegen tussen de plaatsen Pieterzijl en Kommerzijl en verdeeld in de Wester- en Oosterwaard. De Doopsgezinde gemeente was de stroming der Vlamingen toegedaan.

De groei van de gemeente werd door de hervormde predikant uit Visvliet met lede ogen aanschouwd. In de vergadering van de classis Westerkwartier van 7 september 1668 meldde hij, dat de "Mennisten tot Pieterzijl een kerk hadden gebouwd. De classis riep op haar beurt de hulp van de grietman (burgemeester) van Visvliet in, die op grond van het vernieuwde plakkaat van 18 maart 1662 de sluiting van het vermaanhuis gelastte. De leden van de Doopsgezinde gemeente gingen daarop in beroep bij de Hoofdmannenkamer; doch zonder resultaat. De doopsgezinde gemeente bleef echter voortbestaan. Men kwam bijeen in een woning, waar men elkaar voordien ook ontmoette.

In 1733 bouwden de doopsgezinden van Pieterzijl en omstreken weer een vermaanhuis en nu zonder problemen. Nadat de gemeente na 1792 onder leiding van Gerben Cornelis van Grouw tot bloei was gekomen, ontstond de behoefte aan een groter kerkgebouw. Bij intekening werd in april 1814 door 27 leden een bedrag van 15.350 gulden opgebracht ten behoeve van een fonds, opgericht tot instandhouding van de gemeente. Uit dit fonds werd de bouw van kerk en pastorie betaald, waarmee een jaar later werd begonnen.

De doopsgezinde gemeente was na 1880 steeds vaker vacant (zonder predikant). Dit was overigens ook het geval bij andere doopsgezinde gemeenten in Groningen en Oost-Friesland. Bovendien waren er in het land maar weinig proponenten beschikbaar. Zelf zocht de gemeente de oorzaken hiervan in de afgelegenheid van het dorp Pieterzijl, dat alleen te paard of met een rijtuig te bereiken was en in de ouderdom van de pastorie. In 1887 nam men het besluit om de pastorie te verplaatsen. Daar een groot aantal leden van de gemeente Pieterzijl op dat moment in Grijpskerk woonde, werd deze laatstgenoemde plaats uitgekozen voor de bouw of aankoop van een nieuwe pastorie. Na dit besluit werd S.F. van der Ploeg als predikant beroepen. Deze was bereid te komen, mits hij in de stad Groningen mocht wonen zolang de pastorie in Grijpskerk nog niet beschikbaar was.

In de herfst van 1889 gingen de kerkvoogden naar Amsterdam voor een onderhoud met professor De Hoop Scheffer over het verplaatsen van de pastorie. Mede door een financiële bijdrage van hem kon in augustus 1891 het huis van de weduwe D.K. Teenstra te Grijpskerk worden aangekocht. De oude pastorie in Pieterzijl werd verkocht. De eerder genoemde predikant Van der Ploeg was inmiddels echter beroepen in Leer. Op de ledenvergadering van 9 maart 1892 besloot men eveneens het kerkgebouw naar Grijpskerk over te brengen. Op 27 november 1892 werd het nieuwe kerkgebouw in gebruik genomen. Men stelde toen voor de naam van de gemeente te wijzigen in Doopsgezinde gemeente Grijpskerk. Enige tijd werd de gemeente nog aangeduid als "Grijpskerk-Pieterzijl".

Een aantal leden dreigden de gemeente te verlaten als de naam "Pieterzijl" niet meer in de nieuwe naam zou voorkomen. Op 10 augustus 1898 werd bepaald dat de naam van de gemeente voortaan zal zijn: Doopsgezinde gemeente "Pieterzijl" te Grijpskerk. Inmiddels had men ook in de door het vertrek van Van der Ploeg ontstane vacature voorzien door de beroeping van de proponent A. Gerritsma. Tijdens diens ambtstermijn kon er een pijporgel worden aangeschaft, doordat hij gedurende een aantal jaren de hem toegezegde traktementsverhoging van 150 gulden per jaar afstond aan het orgelfonds. Vanaf 1915 konden de gezangen uit een nieuwe bundel begeleid worden door orgelmuziek.

Na de Tweede Wereldoorlog werd de gemeente door haar slechte financiële situatie genoopt samen met de doopsgezinde gemeente te Noordhorn een predikant te beroepen. Bovendien werd deze in 1956 gevraagd als consulent op te treden wegens een vacante plaats. Gesprekken tussen de gemeente Den Horn en de predikant Smeding leidden ertoe dat deze met instemming van de kerkenraden van de twee andere gemeenten in 1958 eveneens in Den Horn kon worden beroepen. Tien jaar later besloten de leden van de drie gemeenten om alle werkzaamheden samen te voegen. Deze nieuwe gemeente heet de "Verenigde doopsgezinde gemeente in het Westerkwartier van Groningen". Van elke gemeente gingen twee van de zittende kerkenraadsleden over naar de nieuw te vormen kerkenraad.

Op regionaal niveau was de gemeente lid van de "Humsterlandse Sociëteit". Als lid van deze sociëteit stemde ze in 1825 voor het plan van ds. Gerrit Bakker om te komen tot oprichting van een nieuwe sociëteit voor alle doopsgezinde gemeenten in de provincie Groningen (GDS). Na de oprichting maakte ze meteen gebruik van de regeling voor preekbeurten in de vacante gemeenten. De "Humsterlandse Sociëteit, nu overbodig geworden, werd op 15 juni 1829 ontbonden. De gelden van deze sociëteit werden onder de leden verdeeld.

Op landelijk niveau was de gemeente lid van verschillende fondsen, zoals het weduwen- en wezenfonds en het emeritaatsfonds. De oprichting van het Mennofonds ten behoeve van de verhoging van de predikantstraktementen, leidde in 1921 tot de officiële aansluiting van deze doopsgezinde gemeente bij de Algemene Doopsgezinde Sociëteit (ADS) te Amsterdam.

Vermaning Grijpskerk

Een gedetailleerdere beschrijving van de doopsgezinde gemeente Pieterzijl/Grijpskerk is te vinden op de pagina's 26 t/m 45 van het boek "Aanteekeningen uit de geschiedenis van doopsgezinden in 't Westerkwartier, provincie Groningen, in 't algemeen en uit de geschiedenis van de doopsgezinde gemeente Pieterzijl-Grijpskerk in 't bijzonder " door Dr. S.K. de Waard (uitgeverij J.B. Wolters, 1901, Groningen), dat in de Groninger archieven is te vinden onder toegang 1769, cat.nr. 388.

Meer informatie over de vermaning. Op deze website staat ook een ledenlijst met de leden van het eerste uur.

Klaas Pera stuurde me de volgende interessante tip. Op Google Books kwam ik een boekje tegen van Marten Martens, doopsgezind predikant, schoolopziener, vertaler en dichter in Friesland. Het boek heet Ik heb het groote doel mijner Aardsche Bestemming bereikt. Martens beschrijft daarin, dat hij een keer (waarschijnlijk in 1794) gaat logeren bij ds. Gerben Cornelis van Grou in Pieterzijl (pagina 59 tot en met 61):

... en ging op reis naar een dorpje in Groningerland (Pieterzijl) om daar dien tusschentijd te slijten. .... Van hier (Leeuwarden) ging ik met de Trekschuit op Dockum, en van daar naar Stroobos. Thands nam ik mijn Reiszak onder den arm en ging over het dorpje Griepskerk naar Pieterzijl, de eigenlijke plaats mijner bestemming. Naa anderhalf Uur loopens vond ik daar mijnen vriend Z. gelogeerd bij den Mennisten Predicant van dat Plaatsje (zijnde dominee Gerben Cornelis van Grou). Ik was niet minder welkom (mits voor een ordentlijk weeklijks kostgeld), want wij hadden den Dominee met het geheele dorp, 't welk grootlijks uit 12 Huizen bestond, wel kunnen opeeten en dit was ons oogmerk niet, om dat de mennoniste Dominees tegenwoordig zeer schaars en dun gezaaid zijn en worden. 't Is schande dat de Predikanten op menigvuldige Plaatzen zowel in Neêrland, als elders, zo slegt bezold worden!

In voetnoot 69 op pagina 59 geeft Martens nog een korte beschrijving van Van Grou:

Gerben Cornelisz van Grouw (1754-1825) was sinds 1783 lekenprediker te Berlikum (Fr.) en van 1792-1814 te Pieterzijl, waar hij in 1825 overleed. Hij stamde uit een geslacht van Grouwster liefdepredikers, waarvan sommige leden later de achternaam 'van Grouw' en 'Zuiderbaan' aannamen... Hij stond in 1793 op de voordracht te Barsingerhorn en Wieringerwerf (volgens Willem Stuve moet dit Wieringerwaard zijn, want Wieringerwerf werd in 1931 gesticht), maar werd niet verkozen. Zijn echtgenote, Dieuwke Simens van Grouw, was vroedvrouw. Zijn salaris bedroeg ƒ200 + ƒ60. Marten Martens zou predikbeurten voor hem in Pieterzijl vervullen. In een brief van 01-09-1809 zou Martens aan de Amsterdamse kerkenraad schrijven: 'Gerben Cornelis van Grou bevindt zich reeds 9 maanden in eenen aanhoudende staat van zukkeling en bijkomende melancholie, zoodanig dat dezelve, om nut te stichten en het welvoegelijke van den openbaren godsdienst te bewaren, het predikambt niet meer kan waarnemen'. Martens beval aan hem voor het leven ƒ200 en vrij wonen toe te kennen, ook aan zijn weduwe na diens overlijden...

Later gaat Martens ook nog op bezoek bij de  sterrenkundige Eise Eisenga in Visvliet (pagina 62).

Lijst van leraren en predikanten (met dank aan de Groninger archieven)