Eyso de Wendt

de buitenplaats Oostenburg te Kollum

Oostenburg te Kollum

Wanneer Oostenburg gebouwd is, is niet precies bekend. Andreae zegt hierover op pagina 23:

"Omstreeks 1763 had De Wendt reeds de eigendommen, die voorheen aan de familie Jellema hadden behoord, in bezit gekregen en bouwde omtrent dien tijd het huis Oostenburg. Hij kocht onderscheidene huizen en erven in de Jellemasteeg en elders, en maakte van den grond, die tusschen die steeg en het Rechthuisplein gelegen was een tuin[...]. Kort na de stichting van Oostenburg had De Wendt een huis en hovinge aangekocht, gelegen aan de Voorstraat. Dit huis werd afgebroken en de oude standplaats tot eene uitreed voor die buitenplaats ingericht."

Uit de verkoopadvertentie van 11 oktober 1780, ruim een half jaar na het overlijden van Eyso de Wendt, blijkt dat Andreae het bij het rechte eind had:

Op Maandag den 23 October 1780 te één uur praecys zal ten huize van Sjoek Jans, herbergier te Collum bij strijkgeld finaalijk verkogt worden, op een afbreuk een stallinge (waar in een loot pomp met een koperen kraan is), wagenhuis en zomerhuis etc. staande te Collum digt bij de trekvaart, in het jaar 1763 gebouwd: als meede een groote huizinge en schuur, staande op het hoog te Collum en een klein huis door de hovenier van de heer E. de Wendt voorheen bewoond.

Uit een advertentie in de Leeuwarder Courant van 18 mei 1771 wordt duidelijk wanneer die reed is gerealiseerd:

reed naar Oostenburg

Deze reed was aan het eind van de 19e eeuw bekend als Nieuwe Reed, later Breedereed en heet vanaf 1 september 1954 Eyso de Wendtstraat.

Op pagina 117 schrijft Andreae echter:

"In het volgende jaar [1773] kocht Eyso de Wendt van Jacobus Fruitier [TW: deze is echter reeds op 16 mei 1737 in Schoonhoven overleden, waar hij dominee was; vermoedelijk is de weduwe daarna naar Groningen verhuisd en nimmer hertrouwd.] en diens echtgenoote 'zeekere Heerlijke Zathe en Landen gelegen in en aan de Gebuirte te Kollum [...] met Huisinge, Tuinen, Hovingen, Zingels en Plantagiën, c.a., het Hoog genaamd', te zamen groot 60½ pdm. Dit was ongeveer het voormalige Jellemastate. Zonder twijfel heeft hij spoedig daarop de buitenplaats Oostenburg gesticht, waarvan de herinnering bij velen nog levendig is. Het huis liet hij bouwen ter plaatse, waar zich nu het Armhuis bevindt en hetwelk ongeveer in denzelfden trant was gebouwd. Voor en na kocht hij onderscheidene huizen en hovingen aan en liet de lage landen ten westen der trekvaart ophoogen en met houtgewas beplanten".

Misschien ligt de waarheid wel in het midden als je de speciekohieren mag geloven. Daaruit blijkt dat in 1762 juffrouw de Wendt met drie personen woonde in het huis met nummer 46. Dat kunnen twee bedienden zijn geweest, maar ook de moeder van Eyso met zijn zuster Maria en één bediende. In 1763 wonen plotseling 7 personen (met vier paarden) in het huis; dat betekent vrijwel zeker dat Eyso met een aantal bedienden ingetrokken is. In 1764 is het huis nummer 46 afgebroken en vinden we Eyso met zijn zus en moeder en 5 bedienden terug in het huis nummer 43, dat Eyso voor 1.456 caroliguldens van Romke Sierds heeft gekocht. De vier paarden blijven tot en met 1775; vanaf 1767 tot en met 1772 wordt de veestapel uitgebreid met acht tot tien koeien.

In 1766 overlijdt de moeder van Eyso de Wendt.

Hoewel het huis met nummer 46 geheel is weggebroken, komt het in 1767 en 1768 weer te voorschijn als een ledig huis met één schoorsteen. Is dit het nieuwe Oostenburg? In 1769 wonen Eyso en zijn zuster in dat huis, dat 2½ schoorsteen telt; er zijn nog steeds 5 bedienden, 9 koeien en 4 paarden. In 1772 wordt het aantal schoorstenen uitgebreid tot 4½.

Uit de speciekohieren zou je kunnen afleiden dat in 1767 begonnen is met de bouw van Oostenburg, dat het in 1769 door de bewoners betrokken is en dat het in 1772 verder is verbouwd en uitgebreid.

Misschien heeft Eyso nog getwijfeld over de locatie van zijn nieuwe buiten, want in de zomer van 1766 koopt hij van Wilhelmina Frederica van Unia, douairière (=adellijke weduwe) van wijlen Albertus Emelius Lammeraal van Rengers voor 9.000 caroliguldens in de Torpmakluft ten oosten van Kollum een "zathe en landen met twee hornlegers als het een met huisinge, schuire en hovinge cum annexis en het andere onbebouwt". Totale oppervlakte van het gekochte is 101 pondemaat, ruim 37 ha. Het gaat hier om de voormalige Juma- of Bumastate, waarop in 1829 Oostenstein is gebouwd, dat op zijn beurt (helaas) ook al is afgebroken.

Hoe dan ook, op een gegeven ogenblik heeft Eyso besloten voor de locatie in de Kerkeburen, dicht bij de bebouwde kom. Hebelius Potter zegt in zijn Wandelingen door het gebied in het begin van de 19e eeuw dat huis en tuinen prachtig zijn, maar hij verwondert zich over de ligging van Oostenburg:

"deze is zoo zonderling uitgekozen, als onaanzienlijk, liggende in eenen donkeren hoek achter de dorpsbuurt; van daar ook, dat het aanzienlijk gebouw geheel niet in het oog valt en van geene plaats, dan deszelfs voorplein, gezien kan worden."

Links en rechts heeft Eyso wat omliggende "hovingen" aangekocht, maar veel stelt het allemaal niet voor en tot 1774 kun je zeker nog niet spreken van een landgoed. Maar dan slaat Eyso een grote slag met de aankoop van eerdergenoemde "heerlijke zathe" etc. groot 60½ pondemaat (ruim 22 ha) voor 14.000 caroliguldens van vrouwe Aricia van Bieruma, de weduwe van Jacobus Fruitier, wonende te Groningen.

De locatie van Oostenburg staat op bijgaande kaart aangegeven (met groene letters Ob). Het grijze gebouw linksboven is de Maartenskerk.

locatie Oostenburg te Kollum

Gaan we nog even verder met de speciekohieren. In 1774 vertrekt Maria de Wendt naar Leeuwarden, waar ze drie jaar later zal trouwen, 64 jaar oud. Eyso heeft dan 6 bedienden. In 1776 is er "een meid minder", in 1777 wordt een schoorsteen dichtgemetseld en komen er 2 bedienden bij, in 1778 is er weer "een bode minder". In 1779 heeft het huis 3½ schoorsteen, wonen er 7 personen, bestaat de veestapel uit 1 koe, 6 rieren en 6 paarden. In 1780 meldt het speciekohier dat Eyso de Wendt is overleden en "de eene schoorsteen na de wet digtmetseld". Verder staat er de aantekening "een beeste stal".

Het wordt uit de kohieren niet duidelijk wanneer erfgenaam Eco de Wendt Oostenburg heeft betrokken, want vanaf 1780 worden de hoofden in Workum aangegeven, vanaf 1783 in Sneek (aan de Marktstraat) en vanaf 1797 in Leeuwarden. Wel overlijden zowel Eco de Wendt als zijn echtgenote Geertruid Redding in Kollum, respectievelijk in 1799 en 1809. Ze woonden dus wel degelijk op Oostenburg, hetzij geheel of deels.

Het aantal schoorstenen in de kohieren wisselt, in 1780 2½, in 1781 3½, van 1792 tot en met 1784 4½, van 1785 tot en met 1803 weer 3½ en in 1804 weer één minder: 2½ schoorsteen.

Na het overlijden van Eco de Wendt wordt Oostenburg het eigendom van zijn vier kinderen Leonardus, Eiso, Maria Louisa en Anne Regnerus. Leonardus heeft een aantal jaren op Oostenburg gewoond. In 1817 en 1825 komt althans zijn naam voor in de inwonerslijsten van Kollum. Oostenburg wordt dan aangeduid met de locatie wijk B, nummer 1. Volgens Andreae bewoonde het echtpaar in 1831 het huis. Kort daarop moeten ze naar Leeuwarden zijn verhuisd, want beiden overlijden daar, echtgenote Aafje in 1832 en Leonardus zelf in 1834.

Leonardus en Aafje hadden geen kinderen. De erfgenamen van Oostenburg zijn:

1. Anne Regnerus de Wendt te 's-Gravenhage (broer van Leonardus)

2. de dochters van Eiso, de overleden broer van Leonardus:

  1. Catharina de Wendt te Tjamsweer, gehuwd met Willem Alberda van Ekenstein
  2. Geertruid de Wendt te Friens, gehuwd met Maurits Pico Dideric baron van Sytzama

3. de kinderen van Maria Louisa, de overleden zuster van Leonardus:

  1. Nicolaas Ypey te Leeuwarden
  2. Leonardus Ypey te Leeuwarden
  3. Adolf Ypey te Leeuwarden
  4. Frederik Ypey te Dokkum
  5. Eco Ypey, in 1826 overleden; hij heeft bij zijn echtgenote Petronella Adriana Bienema nog vier in leven zijnde minderjarige kinderen: Maria Louisa (1816), Epke (1817), Sara Susanna (1819) en Matthijs (1820). De weduwe is opnieuw getrouwd met Hans Willem de Blocq van Scheltinga te Oudeschoot.

In 1835 besluiten de erfgenamen de goederen publiek te verkopen, waarvan Oostenburg, De Steenen Berg en het zomerhuis op afbraak. Hiermee wordt tegen de uitdrukkelijke wens in het testament van Eyso de Wendt gehandeld. De provisionele veiling wordt vastgesteld op 16 januari 1836 en de finale twee weken later, op 30 januari.

veiling Oostenburg in 1836

advertentie finale veiling in de Leeuwarder Courant van 29 januari 1836

In de advertentie wordt OP AFBRAAK ter veiling aangeboden:

  1. Eene HEEREN HUIZINGE, wijk B, no. 1, Oostenburg genaamd, bevattende 15 onderscheidene Vertrekken, Marmeren Gang, met Marmeren Lambriseringen, Marmeren Schoorsteenmantels, geheel beschoten Dak, ruim van Lood voorzien, - een ruim KOETS- of WAGENHUIS, STALLINGEN voor 14 Paarden en 4 Koeijen, KNECHTSKAMER en groote ZOLDERS, benevens eene groote BERGSCHUUR, alles in der tijd van de beste MATERIALEN gebouwd en uitmuntend onderhouden.
  2. Een STEENEN BERG aldaar, bij de Trekvaart, met escausijnsche steenen Trappen en dito Dekstukken.
  3. Een groot ZOMERHUIS aldaar, aan de Dokkumer Trekvaart.

Oostenburg uitmuntend onderhouden? En dan op afbraak verkopen?

Bij de finale veiling worden nog geveild:

  1. Twee IJzeren OPRIJHEKKEN, met Steenen Palen.
  2. Vijf brillante vaste SPIEGELS, met vergulden Lijsten, hoog 22 palm, breed 5 palm, allen uit een Glas, met de daarbij behoorende Damtafels met Marmeren Bladen van onderscheidene kleuren.
  3. Drie SCHOORSTEEN-SPIEGELS, met vergulden Lijsten, hoog 16½ palm, breed 10 palm; de SPIEGELS, aanwezig in de onderscheidene Vertrekken van den Huize Oostenburg voormeld.

Op de provisionele veiling wordt op Oostenburg ƒ7.519 geboden, op de Steenen Berg ƒ3.289 en op het zomerhuis ƒ226. Na afloop van de finale veiling zijn alle drie objecten gekocht door de aannemer Willem Kamerlingh te Groningen voor resp. ƒ8.549, ƒ3.716 en ƒ226, in totaal ƒ12.491. De heer Kamerlingh verhoogt de drie objecten bij samenvoeging met ƒ51 tot ƒ12.542. Nog datzelfde jaar wordt alles afgebroken. Waarschijnlijk heeft Eyso de Wendt zich in zijn graf omgedraaid...

Waarom heeft Eyso zijn buitenplaats de naam Oostenburg gegeven? Dat kan niet vanwege de ligging in het dorp Kollum zijn geweest, want dat is vrij centraal. Kollum daarentegen ligt in het oosten van Friesland. Waarschijnlijker lijkt mij dat de naam refereert aan zijn werk in het oosten van de wereld en dat hij, godvruchtig als hij was, het huis zag als een burcht.

In 1836 en 1837 wordt Oostenburg gesloopt. De afbraakgoederen worden in mei 1837 bij boelgoed verkocht:

afbraak goederen

Op de fundamenten verschijnt kort daarop, in 1838, een armhuis.