Eyso de Wendt

De "Steenen Berg"

De Steenen Berg volgens een schets van A. Martin omstreeks 1870

Schets van A. Martin (omstreeks 1870)

De ontvanger Adam Godfried Schultz (Kampen 1734 - Dokkum 1816) geeft in een zogenaamde gekaapte brief van 14 november 1780 (dus het jaar van overlijden van Eyso de Wendt) onderstaande beschrijving van de Steenen Berg:

alsmede, dat hij een poort of gemetselde boog, ((waar men kruijsweegs onderdoor kan passeeren,)) van vijftig voet hoog metselwerk, en daarop nog dertig voet hoog aarde tot een berg, ((waarop men met blaauwe steene trappen klimpt)) zou volmaaken, om boven op die berg, ((als zijnde in de vier hoeken met aarde aangevult)) een chinees zomerhuijsie te maken; uijt deze gebrekkige beschrijving kunt UWEd. bemerken, hoe zeldzaam dit stuk is, en zeker zonder wederga in Neederlandt, dog hij zal misschien in de Indiën een berg gezien hebben, daar men kruijsweegs onderdoor rijden kan, en heeft daarom zijn nagedagtenis hier door willen vereeuwigen, altans hij heeft er eenige jaren aan laten werken, en zegt men, door de daarbij geleeden koude, en ongemak, zijn Leeven, na den Mensch, verkort.

Ervan uitgaande dat een voet in die tijd ruim 30 cm was, stond het zomerhuisje op een hoogte van bijna 25 m. De poort was ruim 15 m hoog. Bij leven zou Eyso de Wendt een riant uitzicht hebben gehad over zijn bezittingen, maar ook over het dorp Kollum. Alleen de toren van de Martinikerk was hoger.

Mr. Andreae vult in de Friesche Volksalmanak 1898 de beschrijving aan met:

De nieuw aangelegde bosschen strekten zich zuidwaarts tot den Dockumer trekvaart uit, westwaarts tot de eigendommen van de familie Van Scheltinga, oostwaarts tot den Kollumer trekweg. Ter plaatse ongeveer, waar zich nu aldaar een koornmolen bevindt, liet hij "een zware steenen berg" metselen, waaronder een "zeer hooge kruisgang en waarop zijn erfgenaam Eko de Wendt een koepel of zomerhuis" liet bouwen. Van uit dien "kruisgang" liepen vier lanen naar de vier windstreken, welke lanen met elkander verbonden waren door een singel, die nagenoeg rondom het geheele terrein liep. Op het eind van de zuidelijke laan stond een koepel of zomerhuis aan de trekvaart.

Potter bezocht op zijne vele wandelingen en tochten ook Kollum, en hoezeer hij Eyso de Wendt ook prijst in zijn edel streven, om werk te verschaffen en armen te helpen, -- hij kon zijne goedkeuring niet hechten aan den bouw van die "steenen berg."

"Het is", zegt hij, "een lomp steenen gevaarte uit vier gewulfde steenen bogen bestaande, hetwelk verbazende sommen heeft gekost, en niets heeft dat lieflijk, schoon, kunstig of bevallig genoemd kan worden; noch als een voorwerp van kunst of smaak, noch als een geschikt tuinsieraad verdient het eenige opmerking." Hij schijnt er zich wat boos over te maken, althans zich er aan te ergeren, want hij betitelt dit kunstelooze voorwerp als "eene Oostindische gekheid"; en hierop laat hij volgen: "die duizenden daaraan ten koste gelegd, hadden beter besteed kunnen worden", zeker daarbij gedachtig aan de andere werken, die de eigenaar elders had laten uitvoeren.

De locatie van de Steenen Berg in 1832

De Steenen Berg in 1832 (blauwe balk is Kollumer trekvaart)

Eyso de Wendt overleed op den 1sten Maart 1780 te Leeuwarden, omstreeks 62 jaren oud [...].

Zijn neef Eco de Wendt, in 1755 burgemeester te Workum en in 1782 te Sneek, erfde de buitenplaats, welke hij eenige jaren bewoonde met zijne vrouw Geertruid Redding, die in 1799 stierf, terwijl hij tien jaren later (1809) te Kollum overleed.

Hierop werd het huis Oostenburg met zijn "Steenen Berg" en met zijne "plantagiën" het eigendom hunner vier kinderen, van welke Leonardus en zijne vrouw Aafke Johanna van Sloterdijck het buiten in 1831 bewoonden. Vijf jaren later, 1836, lieten de vier kinderen van Eco de Wendt "de Heerenhuizinge, de Steenen Berg en het zomerhuis aan de Dockumer trekvaart" op afbraak verkoopen, terwijl ook de tuinen en bosschen van de hand werden gedaan.

Tot zover Andreae. In 1823 brengen Jacob van Lennep en zijn vriend Dirk van Hogendorp tijdens hun voetreis door Nederland een bezoek aan Kollum en beschrijven hun ervaringen bij de Steenen Berg:

[...] keerden wij terug en kwamen langs denzelfden weg te tien ure weder te Kollum aan. Nu gingen wij in de fraaie bosschaadjen van den Heer DE WENT* wandelen: welke met die van MEERENBERG veel gelijkenis hebben, doch ongelijk grooter zijn. Eindelijk aan een viersprong binnen dezelve gekomen zijnde, zagen wij ons voor een groote portiek van 130 à 150 voeten hoogte, aan weerskanten voorwaarts verlengd met een afhellend voorstuk van ruim 100 voeten lengte, waarin een trap recht naar beneden liep die slechts aan een' zijde meer bestaat. Onder het portiek gekomen zagen wij dat elke laan op zoodanig een portiek uitliep, die vereenigd een gebouw* uitmaakten.

Dit gebouw heeft een rijke O.I. vaarder met name DE WENT* om zijn' naam te vereeuwigen, daargesteld en bij zijn dood beschreven, dat het moest onderhouden worden. Daar zijne neeven en nichten hem plaagden, maakte hij twee Heeren WENT, die hij slechts bij name kende, universeele erfgenamen op de voorwaarde dat zij zijn' naam zouden aannemen. Een hunner is thands in 't bezit van die plaats.

prent van Van Lennep van de Steenen Berg

Nu zagen wij dit gebouw, maar ras bekroop ons de lust het te beklimmen. Al de trappen zoo wel die nog bestonden als de vervallene waren met muren afgesloten die zich tot in eene sloot uitstrekten, terwijl de deuren in die muurtjes toe waren. Doch één der jongens, die daaromtrent speelden, zeide ons: hier langs kunt gij gemakkelijk opkomen. - Wij volgen hem - hij geleidt ons aan een muur die als de andere midden in een sloot uitkwam. Daar toont hij ons een taaien esschentak, die achter den muur opgeschoten boven de sloot uitstak: hij springt toe, grijpt denzelven en slingert zich aan de andere zijde des muurs. Zonder te vinden dat deze manier juist zoo gemakkelijk was, volg ik zijn voorbeeld: ook van Hogendorp en de andere jongens aarzelen niet, en wij bevinden ons spoedig op de plaats. Nu volgen wij den jongen tusschen de ingestortte trappen en klouteren wij over heesters, struiken, struveelen, bouwvallen, steenklompen, enz. de hoogte op. In het eind niet zonder moeite boven gekomen op een groene terp, genieten wij een heerlijk en wijd uitgestrekt gezicht over weiden, korenvelden, bosschen, lusthoven, boerenwooningen, dorpen en water. - Doch nu bestond de moeilijkheid weder aftekomen. Dan wij volgden onzen leidsman, die de trap afgaande, op een muur klimt en zich van tien voet hoogte laat afzakken. Ik neem hetzelfde besluit en kom toen als hij op mijne voeten te land, doch mijn arme reisgenoot valt tot groote vreugd van mij en de jongen, onder ons schaterend gelach, op zijne partes posteriores neder. Lagchende om het denkbeeld dat wij even als verraders, door verspieders begeleid, eene forteres beklommen hadden, wandelen wij langs aangename dreven voort. In de herberg de Roskam gekeerd, bezagen wij aldaar een paardentuig en hoofdstel met zilver ingelegd dat den volgenden dag verreden moest worden, aten te half één een warm kalfsschijfje, duiven enz. en een heerlijk beschuitje met bessensap.

Van Lennep en Van Hogendorp beleefden dus een spannend jongensavontuur op de Steenen Berg, die in 1823 blijkbaar al behoorlijk in verval was.

In 1836 wordt de Steenen Berg publiek op afbraak verkocht. Kort daarna wordt op deze plek een molen gebouwd, die op 9 november 1910 afbrandt.

brand molen op de plaats van de Steenen Berg in de Leeuwarder Courant van 11 november 1910

Leeuwarder Courant van 11 november 1910

In de uitgave Kollum in oude ansichten deel 2, uitgegeven door de Europese Bibliotheek te Zaltbommel en thans (2012) nog steeds verkrijgbaar, komt tweemaal een afbeelding van de molen voor, namelijk op nummer 27 (DE WALLEN) en op nummer 50 (TREKVAART NAAR DOKKUM). De laatste afbeelding is een ansichtkaart, uitgegeven door N.F. Streekstra:

molen op de plek van de Steenen Berg