Eyso de Wendt (1718-1780)

een Kollumer koopman in de Oost


©Femme S. Gaastra en Wilma Seybel

Dit artikel is verschenen in De Vrije Fries 74 (1994), pp. 85-102


Femme_Gaastra

Femme S. Gaastra, persoonlijk hoogleraar Zeegeschiedenis, Universiteit Leiden, Faculteit der Letteren, Instituut voor Geschiedenis, Sectie Vaderlandse Geschiedenis en Wilma Seybel, ex-student van de heer Gaastra en thans werkzaam bij een uitgeverij

De levensloop van de Kollumer Eyso de Wendt (1718-1780) is een bijzondere. De Wendt verliet op jonge leeftijd zijn ouderlijk huis en vertrok naar de Oost. In dienst van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) bezocht hij exotische streken: Java, India en China. Zijn glanzende carrière - hij bracht het tot 'directeur van de handel op China' - legde hem geen windeieren. Als vermogend man keerde hij in 1760 naar het vaderland terug. Vervolgens vestigde hij zich opnieuw in Kollum, waar hij als 'grand seigneur' van zijn kapitaal leefde en bovendien als grietman van Westdongeradeel een rol speelde in de provinciale politiek.

In deze levenschets wordt vooral aandacht gegeven aan de VOC-periode uit het leven van Eyso. Zijn loopbaan in den vreemde is niet slechts van belang omdat deze meer licht werpt op de achtergrond van een rijke Friese regent. Zijn carrière is tevens exemplarisch voor een kleine groep van succesvolle hoge VOC-ambtenaren, die door een verblijf in Azië financieel en daardoor ook sociaal omhoog wisten te klimmen in een maatschappij, die eerder door stagnatie dan door sociale mobiliteit werd gekenmerkt.

Als adelborst naar de Oost, 1734-1735

De vraag waarom Eyso als 16-jarige in 1734 in dienst van de VOC trad is nu, zo'n 260 jaar later, niet met zekerheid te beantwoorden. We kunnen het antwoord wel vermoeden. Voor een grote massa van arme lieden, zowel uit Nederland als het buitenland, was dienst nemen bij de VOC een laatste strohalm om aan verpaupering en een uitzichtloze toekomst in Europa te ontkomen. Maar voor degenen, die kennis van zaken hadden en op enig entree bij de directeuren of bewindhebbers van de VOC konden rekenen, bood het Compagniesbedrijf in Azië de gelegenheid om flink wat geld te verdienen of zelfs een waar fortuin te vergaren. Natuurlijk hoefden niet uitsluitend materiële overwegingen een rol te spelen - reislust, zucht naar avontuur en nieuwsgierigheid vormden soms een drijfveer om naar Azië scheep te gaan, in een enkel geval was er iets gepasseerd waardoor voor de betrokkene de grond in Nederland te heet onder de voeten was geworden en vertrek naar het verre Azië uitkomst bood.1

Voor Eyso zal zeker de mogelijkheid om geld te verdienen een rol hebben gespeeld. In 1733 was zijn vader overleden en het is niet zo gewaagd te veronderstellen dat die gebeurtenis in verband heeft gestaan met Eyso's vertrek het jaar daarop. Door dit besluit kon hij niet alleen zijn moeder ontlasten van zijn onderhoud, maar zou hij in de toekomst bij kunnen dragen in haar inkomen - iets wat hij inderdaad braaf zou doen. Overigens betekende dit niet dat Eyso behoorde tot de categorie van arme paupers. Integendeel, hij stamde uit een keurige en geziene familie van medici, ambtenaren en regenten. Zijn vader, Willem de Wendt, was advocaat aan het Hof van Friesland en fiscaal van Kollumerland geweest, zijn grootvader burgemeester van Dokkum.2 Het feit dat Eyso als adelborst in dienst van de Compagnie werd aangenomen en niet slechts als lichtmatroos ('kooploper' noemde de VOC zo iemand) of soldaat naar Azië scheep hoefde te gaan is een aanwijzing dat de bewindhebbers hem gezien zijn afkomst een voorkeursbehandeling gaven.

We mogen echter aannemen dat Eyso zijn stap niet alleen heeft gezet. Zijn oudere neef Adriaan Bergsma (1702-1780), afkomstig uit Dokkum en te Franeker in de rechtsgeleerdheid gepromoveerd, vertrok eveneens in 1734 naar Batavia, en wel als fiscaal (een functie die enigszins vergelijkbaar is met die van officier van justitie). Ook de familie Bergsma behoorde tot de bovenlaag van de Friese maatschappij. De vader van Adriaan was onder andere notaris te Dokkum geweest en was gehuwd met Catharina de Wendt, burgemeestersdochter en zuster van Eyso's vader.3 Het feit dat Adriaan in deze hoge positie vertrok, geeft aan dat ook hij op bescherming van de Amsterdamse bewindhebbers van de VOC kon rekenen. In de kamer Amsterdam had bovendien een 'extra-ordinaris' bewindhebber namens Friesland zitting en deze zal, zij het in bescheiden mate, in het 25 leden tellende bewindhebberscollege 'zijn' kandidaten naar aantrekkelijke baantjes hebben kunnen loodsen.4 Ongetwijfeld heeft de aanstelling van Adriaan Bergsma het voor Eyso gemakkelijker gemaakt om voor het avontuur te kiezen en naar Azië te vertrekken. De beide neven zeilden bovendien uit op hetzelfde schip, de Oostindiëvaarder 'Kerkwijk'.5

De beslissing naar de Oost te gaan was dan ook niet uniek: er waren in deze jaren wel meer Friezen die daarvoor gekozen hadden. Volgens een opgave van de personeelsrol van de VOC uit 1745 waren tenminste zestien dienaren uit de hogere rangen uit Friesland afkomstig. Opvallender nog is het feit dat deze dienaren bijna allemaal al in een rang vertrokken die uitzicht bood op een verdere carrière. Van de in tabel 1 genoemde personen was slechts Jacob Berger als matroos uitgekomen - welke opvallende kundigheden het hem mogelijk maakten toch opperchirurgijn te worden is niet bekend. Frans Bijfort en Hendrik Storm uit Leeuwarden vertrokken in de vrij lage rang van korporaal. De overigen op de lijst waren op zijn minst assistent, maar veelal (onder)koopman bij vertrek en dat duidt erop dat ook zij op voorspraak hadden kunnen rekenen bij de bewindhebbers. Overigens zijn er veel meer Friezen als matroos of soldaat op de VOC-schepen naar Azië vertrokken.

Op het schutblad van de familiebijbel der Bergsma's staat over het vertrek van Adriaan aangetekend: Den 17 December 1733 van zijne ouderen en broeders en zusters afscheid genomen hebbende vertrokken naar Amsterdam en den 17 Januarius Sequentis anni uyt Texel gezeilt naar Batavia en op den 1 Majus gekomen op de Caap.6 De reis met de 'Kerkwijk' verliep inderdaad voorspoedig. Het schip, een Oostindiëvaarder van het tweede charter (850 ton), was zoals alle VOC-schepen op de uitreis afgeladen met zeelieden en soldaten en uiteraard met levensmiddelen om de opvarenden onderweg van water en voedsel te kunnen voorzien. Aan boord waren niet minder dan 261 man, waaronder 98 soldaten. Vertrokken in de kleine 'Kerstvloot' van zeven VOC-schepen die op 17 januari vanaf de rede bij Texel uitzeilde, arriveerde de 'Kerkwijk' op 1 mei in de Tafelbaai bij de Kaap de Goede Hoop, waar nieuwe proviand werd ingenomen en de bemanning op adem kon komen. De 25e mei zeilde de 'Kerkwijk' verder en kwam tenslotte 31 juli 1734 te Batavia aan. Een reis van zes en halve maand was sneller dan gemiddeld, het aantal sterfgevallen onderweg, 22, (dus 8,5 %) was voor deze periode niet ongewoon al lag het iets hoger dan het algemeen gemiddelde bij de VOC.7

Het beeld van een 'rijkbeladen Oostindiëvaarder' is een cliché dat niet altijd opgaat. De retourschepen van de VOC die goederen uit Azië naar Nederland brachten waren inderdaad altijd rijkbeladen. Maar Europa had weinig te bieden voor Azië en de meeste schepen voeren dan ook uit met een geringe hoeveelheid Europese handelsgoederen. Om Aziatische produkten in te kopen moest goud en zilver worden gebruikt. Zilver was het meest gevraagd. Dat zilver werd verscheept in de vorm van baren en munten, waaronder Spaanse realen, Nederlandse ducatons of Zilveren Rijders en klein geld als stuivers, dubbeltjes en schellingen. Ducatons werden in Nederland op 63 stuiver gewaardeerd, in Batavia rekende de VOC er in deze jaren 78 stuiver voor. Het werd daarom aantrekkelijk voor particulieren ducatons mee te nemen, deze in Batavia aan de Compagnieskassier over te dragen en daarvoor wisselbrieven of assignaties te vragen, die dan naar Nederland werden teruggezonden. In Amsterdam of één van de andere steden waar de VOC gevestigd was, kon dan weer van de boekhouder van de Compagnie uitbetaling worden verlangd - en wel tegen die hoge koers. Om die hoge koerswinst te behalen werden zoveel ducatons naar Azië gesmokkeld, dat de VOC zelf nauwelijks zilvergeld hoefde te verzenden - de 'Kerkwijk' had dan ook geen zilver van de VOC aan boord. Ongetwijfeld zullen de opvarenden, misschien ook Eyso de Wendt of Adriaan Bergsma, wat blikken of kastjes met ducatons hebben meegenomen.8

Tabel 1: Friezen in dienst van de VOC in hogere rangen in 1745

jaar van aankomst functie/rang in 1745
Batavia
Nicolaas Jongsma (Leeuwarden) 1734 2e secretaris van de Raad Indië
Mantke Gales (Leeuwarden) 1746 waterfiscaal
George Fred. Everman (Leeuwarden) 1727 ontvanger-generaal
Carel Braarda (Leeuwarden) 1736 predikant
Lambert van Andel (Workum) 1733 opperkoopman en fabriek
Laurens Coortsen (Ameland) 1736 koopman
Jan Meijer (Heerenveen) 1738 onderkoopman
Gerardus B. de Wendt (Kollum) 1743 majoor
Hendrik Storm 1734 vaandrig
Coromandel (Pulicat)
Wouter de Jongh (Franeker) 1715 koopman, opperhoofd van Pulicat
Malacca
Mozes C. W. d' Pommerollis (Leeuwarden) 1736 boekhouder van de soldij
Bengalen (Houghly)
Anthony d'Arnoud (Franeker) 1734 soldijboekhouder
Jacob Berger (Dokkum) 1731 opperchirurgijn
Malabar (Cochin)
Reynicus Siersma (Leeuwarden) 1723 commandeur van Cochin
Frans A. Bijfort (Leeuwarden) 1738 luitenant
Surat
Eyso de Wendt 1734 onderkoopman
Ceylon (Colombo)
Hendrik Taakens (Bolsward) 1724 predikant
Bron: Rolle der gequalificeerden, 1745/46, ARA, VOC 11865.

De namen van alle opvarenden van de 'Kerkwijk' werden zoals bij de VOC gebruikelijk in twee identieke scheepssoldijboeken van het schip aangetekend. Na aankomst in Batavia werd één soldijboek naar Amsterdam teruggezonden, het andere bleef achter in het generaal soldijkantoor te Batavia. Ieder jaar kon de employé na het opmaken van de rekeningen eind juni in Batavia of op een ander VOC-kantoor een overzicht van zijn salarisrekening krijgen. Men moet niet te gering over deze salarisadministratie denken, per slot van rekening omvatte het personeel van de VOC overzee in de achttiende eeuw meer dan 20.000 man. Het VOC-archief bevat 2991 scheepssoldijboeken, hoofdzakelijk uit de achttiende eeuw, waarin in totaal het salaris van zo'n 750.000 personen is bijgehouden! Via Batavia werd het soldijkantoor van de VOC in de kamer Amsterdam of in één van de andere kamers (Middelburg, Delft, Rotterdam, Hoorn of Enkhuizen) op de hoogte gehouden van mutaties en bevorderingen, die door de boekhouders werden bijgeschreven onder de salarisrekening van de desbetreffende employé in het uit Azië ontvangen scheepssoldijboek.9 Dit ingenieuze systeem stelt ons derhalve in staat mede aan de hand van Eyso's salarisrekening in het scheepssoldijboek van de 'Kerkwijk' diens loopbaan bij de VOC te volgen.

De salarisrekening geeft aan dat Eyso bij zijn vertrek uit Nederland volgens voorschrift twee maanden gage als voorschot had ontvangen. In zijn geval ƒ 20, want zijn maandgage bedroeg ƒ 10. Ook blijkt dat Eyso een zogenaamde 'transportbrief of 'transportceel' had laten passeren. Eyso had ƒ 150 geleend, mogelijk van zijn neef Willem Bergsma, op wiens naam de transportbrief stond. Met deze transportbrief kon Bergsma dit geld van de rekening van Eyso opnemen, uiteraard pas nadat de VOC de zekerheid had dat Eyso nog in leven was en het geld ook werkelijk had verdiend.

De bewindhebbers in Nederland hadden Adriaan Bergsma al in een bepaalde functie benoemd, en inderdaad werd deze na aankomst in Batavia door de Gouverneur en Raad (ook wel 'Hoge Regering' genoemd) in de hoofdplaats van de VOC in Azië tot fiscaal aangesteld, en wel tot 'waterfiscaal', hetgeen inhield, dat hij zich vooral moest bezighouden met scheepvaart - het zullen meestal smokkelzaken zijn geweest, die hij heeft moeten uitzoeken. Vijf jaar lang, precies de tijd van zijn contract, heeft Adriaan deze taak uitgevoerd, toen keerde hij weer naar Nederland terug.10 In Friesland zou hij na 1740 een niet onbelangrijke rol spelen op het politieke toneel, waaraan zijn goede verstandhouding met de stadhouder mede debet was. Voor Eyso lagen de kaarten anders. Hij had, zoals gezegd, dienst genomen als adelborst, een positie die in de hiërarchie van de VOC weliswaar laag was en die hem slechts tien gulden per maand opleverde, maar wel een functie die uitzicht bood op promotie en die hem niet voor vijf, maar voor tien jaar aan de Compagnie bond. Misschien heeft Adriaan in Batavia enige invloed ten gunste van zijn neef kunnen uitoefenen. Toch duurde het enige tijd voor er wat meer perspectief in Eyso's carrière kwam. In 1736 zond de Hoge Regering Eyso naar het VOC-kantoor te Surat in India, waar hij als klerk, natuurlijk niet direct als gewoon maar eerst als buitengewoon of 'extra-ordinaris' klerk, aan de slag kon.

Een traag begin - Eyso's loopbaan te Surat, 1736-1746

De VOC had in de loop der tijd in Azië een omvangrijk bedrijf opgebouwd. Centrum van handel, bestuur en scheepvaart was Batavia. Op Java, in de Molukken en op Ceylon manifesteerde de VOC zich als koloniale macht. Elders in Azië, van de Perzische Golf tot aan Japan, had de Compagnie grote en kleine handelsvestigingen. Deze vestigingen leverden produkten voor Europa, zoals de fijne specerijen van de Molukken, de peper uit Java, Sumatra en India, de katoenen en zijden stoffen uit India, thee uit China en koffie van Java. Maar tussen de VOC-vestigingen onderling bestond ook een levendige handel: zo leverde Japan goud en koper voor India, vonden Indiase stoffen een goede markt in de Indische Archipel en was bijvoorbeeld Perzië een leverancier van edel metaal voor India. Kortom, de VOC had in Azië een uitgebreid eigen scheepvaart- en handelsnetwerk, dat in belangrijke mate bijdroeg aan de inkomsten van de Compagnie.

gezicht op Surat in India

Surat (de VOC schreef meestal Suratte), de grote havenstad in de provincie Gujarat in Noordwest-India, was voor de VOC van belang omdat specerijen, vooral kruidnagelen, konden worden verkocht en katoenen stoffen en indigo (de blauwe verfstof) kon worden ingekocht.

Toen Eyso in Surat aankwam was de grote bloeiperiode van de stad echter voorbij. De onrust in het achterland had de handel geschaad, de concurrentie van de Engelse East India Company was groot, en de Indiase indigo werd op de Europese markt steeds meer verdrongen door goedkopere soorten uit Spaans-Amerika. Bovendien was het kantoor geplaagd door wanbestuur. De directeur van de VOC-vestiging, Pieter Phoonsen, had tijdens zijn bewind (van 1729 tot 1740) de handel voornamelijk ten eigen bate gevoerd. Jaarlijks had hij keurig opgegeven hoeveel specerijen waren geveild, maar deze verkopen hadden in werkelijkheid niet plaats gevonden. Phoonsen verkocht de specerijen onderhands aan Indiase kooplieden en stak de opbrengsten in eigen zak.11 Eyso heeft als klerk en, vanaf 1738, als boekhouder onder Phoonsen gediend, maar hij zal nog teveel 'junior' zijn geweest om in het complot te zijn betrokken.12 Misschien heeft Eyso de Wendt wel enig voordeel gehad van de schoonmaak die de nieuwe energieke directeur Jan Schreuder na het vertrek van Phoonsen in 1740 onder de VOC-dienaren heeft gehouden. Hij werd 'tweede pakhuismeester' en in 1742 volgde een bevordering tot onderkoopman en werd hem tevens de functie van secretaris van de Raad van Surat, het kleine bestuurscollege van de VOC-vestiging, opgedragen. Maar daar stokte de loopbaan en in 1746 keerde Eyso naar Batavia terug.13

Hij was toen dertig jaar, had het recht om na zijn tienjarig dienstverband naar patria terug te keren, maar had vermoedelijk nog weinig extra geld verdiend. Weliswaar waren met de bevorderingen ook de maandgages wat omhoog gegaan - als onderkoopman verdiende hij tenslotte ƒ 40 per maand - maar dergelijke bedragen vielen in het niet bij hetgeen op andere wijze in Azië verdiend kon worden. Overigens liet Eyso, zoals nagenoeg alle dienaren in de wat hogere functies bij de VOC, zijn verdiensten niet in Azië aan hemzelf uitbetalen. De boekhouders in Amsterdam schreven de hem toekomende gelden geregeld op zijn salarisrekening bij. Een gemachtigde haalde dan bij tijd en wijle een bedrag van deze rekening, misschien om het voor Eyso in Nederland te investeren of aan zijn moeder in Kollum ter beschikking te stellen. In ieder geval zal hij in afwachting van nieuw emplooi in Batavia herinneringen aan thuis hebben kunnen ophalen: zijn oudere broer Gerardus Beylanus (1712-1788) was namelijk inmiddels ook naar Batavia vertrokken en vervulde daar sedert 1743 een officiersfunctie in de militie van de VOC.

Van supercarga tot directeur - De Wendt en de handel op China, 1747-1757

Het was Schreuder, die tenslotte wat meer vaart in Eyso's loopbaan bracht. Schreuder wist namelijk de Hoge Regering en de bewindhebbers in Nederland over te halen om een nieuwe scheepvaartverbinding tussen Surat en Kanton in China in te stellen. De VOC had in haar handel op China lange tijd vertrouwd op Chinese kooplieden die met hun jonken handelswaar naar Batavia brachten, maar dat systeem voldeed niet meer toen thee - in de achttiende eeuw was alleen China leverancier van deze drank - in Europa volksdrank werd. Tussen 1729 en 1734 zond de VOC schepen rechtstreeks vanuit Nederland naar Kanton in China om thee en porselein te kopen. Na 1734 voeren schepen eerst naar Batavia, vandaar naar Kanton en vervolgens rechtstreeks via Straat Soenda, dus zonder Batavia opnieuw aan te doen, weer naar Nederland terug. Behalve thee brachten deze schepen porselein en enkele exotische produkten mee, terwijl goud uit China bij de ingang van Straat Soenda aan enige kleinere VOC-schepen werd overgegeven; dit goud was voor India bestemd. In China bestond een beperkte markt voor Europees textiel (Leids laken), voorts kon de VOC er peper verkopen, maar het belangrijkste betaalmiddel voor de Chinese produkten was zilver, dat vrijwel uitsluitend in de vorm van Spaanse realen te Kanton werd aangevoerd.14

Schreuder nu zag een mogelijkheid om tussen Kanton en Surat een lucratieve handel op te zetten. In Kanton kon textiel uit India en tin uit Malakka - de schepen zouden immers via Straat Malakka zeilen - verkocht worden, terwijl in India Chinees poedersuiker kon worden afgezet. De bewindhebbers zagen wel wat in de plannen. Voor de vaart tussen Surat en Kanton werden kooplieden aangesteld, die zoals in de Chinahandel gebruikelijk de titel 'supercarga' mochten voeren. Om de handel te bevorderen en ook om de neiging tot illegale handel te onderdrukken, kregen deze supercarga's een ruime provisie van 2,5 procent van de bruto opbrengsten van de verkochte produkten te Kanton en Surat. De Hoge Regering in Batavia spoorde de carga's aan de handel te voeren 'als off dese voor eijgen rekening gedaan werd'.15

Eyso, die sedert oktober 1746 te Batavia verbleef, werd nu in juli 1747 tot 'tweede supercarga' in de handel tussen Surat en Kanton benoemd en werd geplaatst op het schip 'Leiden' dat van Batavia via Surat naar Kanton moest varen en vandaar weer over Surat moest terugkeren.16 Het is goed mogelijk dat dat gebeurde op voorspraak van Schreuder, die Eyso uit de Suratse tijd uiteraard goed kende. Ook kan het feit dat Adriaan Bergsma inmiddels de zetel van buitengewoon of extra-ordinair bewindhebber in de kamer Amsterdam had bemachtigd van invloed zijn geweest op de stijgende lijn in Eyso's loopbaan.17 Gedurende twee handelsseizoenen, 1747-1749 en 1750-1752, heeft Eyso deze taak uitgevoerd. Zo'n tocht laat zich illustreren aan de hand van het voorbeeld van de 'Geldermalsen', het schip dat in 1750 door de Hoge Regering voor deze handel werd bestemd. Met dit schip vertrok Eyso eind 1750 van Batavia naar Surat, waar het in maart 1751 aankwam om goederen voor Kanton in te nemen. Vervolgens zeilde de Geldermalsen 15 april van Surat naar het zuidelijker op de Indiase kust gelegen Cochin en vandaar naar Malakka, waar nog tin werd ingenomen, om daarna samen met de VOC-schepen uit Batavia op 21 juli 1751 voor Kanton te verschijnen. De 'Geldermalsen' werd tenslotte in november naar Nederland gezonden - waar het schip nooit zou aankomen, het verging voor de kust van Sumatra. Eyso keerde begin 1752 met een ander schip naar Batavia terug.18

gezicht op Kanton

In 1750 liep de vaart tussen Surat en Kanton minder goed en de bewindhebbers gaven in 1754 opdracht deze vaart te staken. De Heren Zeventien, de bewindhebbers die het hoofdbestuur van de VOC vormden, vermoedden waarschijnlijk terecht dat niet zozeer de Compagnie maar de carga's zelf het meest van de handel profiteerden.

Inmiddels was Eyso de Wendt, die in 1748 de rang van 'koopman' had verkregen, al overgestapt naar de reguliere Chinahandel tussen Batavia en Kanton. In 1752 was hij daarin 'derde supercarga', het jaar daarop al 'eerste'. Beide keren diende hij onder de directeur van de Chinahandel, Roelof Blok, onder wie hij ook al in de Surats-Chinese handel werkzaam was geweest. Toen Blok in 1753 ontslag nam, kon Eyso diens positie overnemen. Drie seizoenen, 1754-1755, 1755-1756 en 1756-1757, was Eyso directeur.

China nam een aparte plaats in binnen het VOC-handelsnetwerk. De Chinese overheid had alle buitenlandse handel geconcentreerd te Kanton, en daar verschenen derhalve elk seizoen in augustus of september de Europese schepen om thee en porselein te halen. De VOC-schepen waren meestal in juli uit Batavia vertrokken om een maand later voor het Portugese Macao ten anker te gaan. Vandaar voer het schip dan langzaam en geholpen door kleine sleepbootjes stroomopwaarts de grote rivier op tot aan de rede van Whampoa. Verder konden de grote schepen niet komen. De carga's stapten dan over in sloepen die hen naar de factorij in een voorstad van Kanton brachten. Het factorijgebouw van de VOC, door de Chinezen de 'Hong der Gerechtigheid' genoemd, werd van Chinese kooplieden gehuurd. Na afloop van het handelsseizoen, meestal begin januari maar soms pas eind februari, liet men de inboedel achter. De carga's scheepten zich weer in voor Batavia, enkele carga's wikkelden nog wat zaken af en vertrokken dan in de 'stille tijd' naar Macao, waar zij de komst van de schepen in het volgend seizoen afwachtten.

Op de carga's rustte de verantwoordelijke taak de goederen voor Nederland in te kopen. De directeur en eerste carga's waren verantwoordelijk voor inkoop van thee en zijde, de derde en vierde carga hielden zich vooral bezig met de inkoop van porselein. De Chinese kooplieden waren verbonden in een gilde of 'Co-Hong' en deze kooplieden of 'Hangisten' trachtten door prijsafspraken en monopolievorming de handel zoveel mogelijk in eigen voordeel te laten verlopen. Een poging in 1754-1755 om aan slechts zes kooplieden de handel met de Europeanen te gunnen mislukte echter door tegenwerking van de supercarga's. Eerst na de tijd van Eyso de Wendt, in 1760, zou de greep van de Co-Hong weer wat sterker worden. Maar profijt was er niet alleen voor Chinese kooplieden of de officiële Europese compagnieën. De Chinahandel had de naam zeer voordelig te zijn voor de dienaren. Niet alleen gaven de compagnieën vaak ruime mogelijkheden om officieel bij te verdienen (daarbij kon de VOC, zoals reeds bij de Surats-Chinese handel bleek, niet achterblijven), ook onofficieel werd door deze Europeanen handel gedreven.

We mogen aannemen dat Eyso de mogelijkheden in de Chinahandel heeft aangegrepen. Eenmaal in de kring van supercarga's doorgedrongen kwam hij temidden van een aantal VOC-dienaren, die zelf een belangrijke rol speelden op het hoogste bestuursniveau of in ieder geval met de hoogste bestuurders in Batavia en patria goede relaties onderhielden. Het gaat dan om dienaren als Roelof Blok, die schatrijk naar Enkhuizen zou terugkeren, Daniel Armenault jr., die het zou brengen tot opperhoofd van Deshima, de VOC-factorij in Japan (een post nog lucratiever dan die van directeur te Kanton), en E. Temminck, die goede betrekkingen onderhield met Amsterdamse bewindhebbers. Eyso zal ook geregeld uit Kanton met de 'gepermitteerde bestelkastjes' porselein naar het vaderland hebben verscheept, zoals hij in 1752 deed met de 'Geldermalsen'. Aan boord van dit ongeluksschip waren twee bestelkastjes die Eyso aan zijn moeder Idske Beylanus te Kollum had geadresseerd.19 In de reguliere Chinahandel genoten de carga's voorts één procent van de opbrengst van de te China uit Nederland en Batavia aangebrachte goederen en een half procent van de opbrengsten van het zilver. En die opbrengsten waren aanzienlijk. In 1754 bedroeg de totale waarde der aangevoerde goederen drie miljoen gulden, in 1755 twee miljoen en in 1756 bijna anderhalf miljoen.

Eyso heeft rechtstreeks geld uit Kanton naar Amsterdam overgemaakt, gelden die waarschijnlijk uit deze verdiensten zijn voortgekomen. Zo werd tussen november 1754 en januari 1757 ƒ 4000 naar Idske Beylanus gezonden. Soms ook werd geld aan zakenrelaties of aan andere familieleden overgemaakt, of werden voor of in samenwerking met derden financiële transacties verricht. In totaal schreef Eyso tussen 1754 en 1757 voor ƒ 14.860 aan assignaties uit.20 Het principe van deze transacties was dezelfde als reeds hierboven in de eerste paragraaf besproken. Eyso stortte geld in de kas van de VOC te Kanton, steeds Spaanse realen, en ontving daarvoor assignaties, die naar Amsterdam werden gezonden, waar de kamer Amsterdam van de VOC vervolgens geld op uitkeerde. De bewindhebbers waren dus volkomen op de hoogte van deze gang van zaken.

de oostindiëvaarder Bossenhoven

Uiteraard was ook de officiële gage van Eyso omhoog gegaan. Sedert 1748 verdiende hij als koopman ƒ 60 per maand, in 1754 was zijn gage opgelopen tot ƒ 80 overeenkomstig de rang van opperkoopman. Als directeur kwam hem een salaris toe van niet minder dan ƒ 180 per maand, en dat bedrag werd hem, nadat hij nadrukkelijk om de verhoging had moeten verzoeken, sedert mei 1755 toegekend. Voor de achttiende eeuw was het een niet onaanzienlijk salaris, waarbij nog steeds de aantekening, dat Eyso dit bedrag gewoon in patria op zijn salarisrekening liet staan en waar gemachtigden van tijd tot tijd een bedrag van opnamen.

In 1757 kwam een abrupt einde aan Eyso's bemoeienis met de Chinahandel. Daaraan lag een organisatorische verandering van de vaart op China in het VOC-bedrijf ten grondslag. De bewindhebbers waren ontevreden over de winstontwikkeling en koesterden voorts een zeker wantrouwen jegens hun dienaren in Batavia en Kanton, dus ook tegenover De Wendt. Bovendien meenden ze dat de aanvoer van peper uit Batavia naar Kanton weinig lucratief was. Beter was het de schepen uit Nederland direct naar Kanton te consigneren - ook al zouden die schepen op de heenweg nog Batavia aanlopen - en de factorij te Kanton onder een commissie van bewindhebbers te plaatsen. De directeur en supercarga's zouden in Nederland worden aangesteld. De directeur zou nu drie procent van de verkoopopbrengst der retourgoederen ontvangen. De overige carga's kregen hogere gages dan voorheen, maar het verzenden van gepermitteerde kastjes werd verboden. De Hoge Regering, gepikeerd door deze handelswijze van de superieuren in patria, gaf Eyso bevel om na het seizoen 1756-1757 de huur van de factorij op te zeggen en de inboedel te verkopen.

Met een kapitaal van Kanton via Batavia naar Kollum (1757-1762)

In 1757 kwam Eyso derhalve weer terug in Batavia, maar wel in heel wat betere positie dan tien jaar daarvoor. Hij zal er opnieuw zijn broer Gerardus hebben aangetroffen die inmiddels carrière had gemaakt in de Bataviase militie. Gerardus was in 1743 met het schip 'Zaamslag' van de kamer Zeeland in Batavia aangekomen en toucheerde toen reeds als 'capitein' ƒ 100 per maand, een bedrag dat langzaam opliep naarmate hij hoger in de hiërarchie kwam. In 1744 werd hij tot majoor bevorderd, in 1747 tot luitenant-kolonel en tenslotte werd hij 'hoofd van de Bataviase militie' en maakte hij deel uit van één van de bestuurscolleges in Batavia, dat van de Heemraden. In de laatste jaren van zijn verblijf te Batavia, van 1761 tot 1764, werd maandelijks ƒ 350 op zijn salarisrekening bijgeschreven. Hij was te Batavia gehuwd en behoorde inmiddels tot de gerespecteerde bovenlaag van de koloniale samenleving; zijn dochter huwde met Iman Falck, de latere gouverneur van Ceylon.21 Of Gerardus zich als militair bijzonder geprofileerd heeft moet betwijfeld worden. Hij speelde een rol in de zogenaamde 'Bantamse opstand', waarin hij de beklimming en bezetting leidde van de Moenara, een heuvel in de Bovenlanden van Batavia, die echter door de vijand reeds verlaten was.22 Maar misschien heeft hij ook weinig kans gehad om zich als militair te laten gelden. Het was voor Batavia een vrij droeve tijd: sedert 1733 was de sterfte er enorm toegenomen en vooral de militairen werden door tropische ziekten getroffen.

In 1764 repatrieerde Gerardus met het schip 'De Jonge Lieve' en op 24 oktober 1765 was hij weer in Nederland terug. Zijn totale bij de VOC verdiende gage was opgelopen tot ƒ 60.104 (en 13 stuivers en 3 penningen). Van dit verdiende salaris had Gerardus, net als bij Eyso het geval was, geen penning in Batavia besteed. Stipt werd eens per jaar door een gemachtigde in Middelburg het verdiende van de salarisrekening gehaald en naar moeder Idske Beylanus in Kollum overgemaakt.23 Dat Gerardus inmiddels in Batavia toch niet op een houtje had hoeven te bijten wordt duidelijk uit het feit dat hij voor zijn repatriëring in 1764 via assignaties ƒ 28.025 naar Amsterdam overmaakte, een bedrag dat hijzelf na aankomst in Amsterdam in het najaar 1765 kon innen. En in 1766 werd hem nog eens ƒ 1.152 achterna gestuurd.24

De officiële gage van Eyso haalde het niet bij die van zijn oudere broer. Het saldo van zijn salarisrekening kwam uit op ƒ 23.050 (ook hier waren de kleintjes niet vergeten: 6 stuiver en 11 penningen). Maar daar stond meer dan genoeg tegenover. Uit de Chinese handel zal Eyso via officiële provisie-regelingen het nodige hebben overgehouden. We moeten echter aannemen dat er via minder officiële kanalen het nodige is bijgekomen. Hoe zijn fortuin tot stand is gekomen laat zich slechts raden. Smokkel van Chinese zijde, lucratief maar door de Chinese overheid en de VOC verboden, zal een rol hebben gespeeld. Mogelijk zal ook handel in goud en opium tot zijn inkomen hebben bijgedragen. In ieder geval zal Eyso in Batavia enige tijd nodig hebben gehad om de financiën af te wikkelen. In maart 1761 werd hij nog benoemd tot 'geassumeerd' (= toegevoegd) lid van de Raad van Justitie, maar die baan zou voor de oud-directeur van de handel in China van weinig betekenis blijken te zijn.25

Enkele maanden later had Eyso het grootste deel van zijn kapitaal vrijgemaakt en kon hij vertrekken. Hij stortte in Batavia 92.308 ducatons in de compagnieskas, ontving daarvoor in ruil negen assignaties van ieder ƒ 36.000 gulden (dat was de limiet die de bewindhebbers aan één assignatie hadden gesteld) en één assignatie van ƒ 9.307. Bij elkaar het verbazingwekkende bedrag van ƒ 332.302, dat hij na terugkeer in Nederland en de afloop van de najaarsveiling van de VOC in Amsterdam zelf kon innen.26 Voor zijn vertrek legde hij ook nog een verklaring bij de notaris af, dat hij geen 'pretentsie' op de VOC meer had, behalve het nog op zijn salarisrekening staande.27 De VOC eiste zo'n verklaring omdat de bewindhebbers niet wilden dat dienaren geld in Batavia onder de VOC lieten staan; de rente die de VOC daarover moest vergoeden was namelijk veel hoger dan de in Nederland gangbare. Vervolgens scheepte Eyso zich op het retourschip 'Lapienenburg' in, een Oostindiëvaarder van het grootste charter (1150 ton). Dit schip zeilde in een grote vloot van twaalf schepen onder 'admiraal' Roelof Blok op 2 november 1761 van Batavia, verbleef van 27 december 1761 tot 2 maart 1762 in de Tafelbaai (tijd voor het gebruikelijke uitstapje naar de Tafelberg zal er dus wel geweest zijn) en ankerde 26 juni 1762 onder Texel.28

Een 'nabob' in Kollum, 1762-1780

Aanvankelijk vestigde De Wendt zich in Leeuwarden, maar al spoedig vertrok hij naar zijn geboorteplaats Kollum. Een 'nabob', zo noemden de Engelsen die dienaren van de East India Company, die schatrijk naar Europa thuisvoeren en zich vervolgens in grootse stijl als nieuwe rijken op het Engelse platteland vestigden. Ook Eyso voerde die staatsie - maar toch ook weer niet zo uitbundig, daar was Kollum misschien de plaats niet voor. Niettemin bouwde hij er het huis 'Oostenburg' en kocht er een groot grondgebied, waar hij een mooi park of 'plantagie' liet aanleggen en daarin verrees ook een stenen en met aarde bedekte 'berg'. Die 'berg' was gebouwd op een punt waar twee grote lanen van de tuin elkaar kruisten en bestond voornamelijk uit vier stenen bogen. Het was een bouwsel waarvoor al in eigen tijd niet iedereen waardering kon opbrengen. Tevens werd een theehuis gebouwd.29 Zijn rijkdom gaf hem aanzien en tenslotte ook politieke invloed. De eerste lucratieve functie die hem ten deel viel was het bewindhebberschap namens de Provincie Friesland in de kamer Amsterdam. In deze hoedanigheid volgde hij Adriaan Bergsma op, die juist zijn tweede termijn had vervuld. De Friese bewindhebber in de kamer Amsterdam was een zogenaamd extra-ordinaris bewindhebber, die voor zijn diensten 1200 gulden per jaar ontving. Een zware functie was het niet, de Friese bewindhebbers verschenen bijna nooit in de bewindhebbersvergaderingen, die drie keer per week werden gehouden. Ook Eyso's naam treffen we niet aan in de presentielijsten.30 Na afloop van zijn driejarig dienstverband richtte hij zijn aandacht op Friesland. In 1772 kocht hij van de familie Van Aylva het grietmanschap van Westdongeradeel (maar hij bleef in Kollum wonen) en in 1778 werd hij Gedeputeerde Staat van Friesland.31

Oostenburg

Maar de band met de Oost was nog niet geheel verbroken. Kennelijk was het hem niet mogelijk geweest of had hij het misschien niet wenselijk gevonden om alle zaken in Batavia definitief af te doen. In later jaren komt de naam van Eyso de Wendt opnieuw in de lijsten van assignaties van Batavia voor. Kooplieden maakten in sommige jaren nog aardige geldbedragen aan hem over. Willem Schol, schepen van Batavia, Ide Schiltman, weermeester, en later ook Dirk Houttuijn, koopman in VOC-dienst, traden daarbij op als zaakwaarnemers voor Eyso. Waaruit deze betalingen zijn voortgekomen blijft duister. Dat is niet het geval met de betalingen die sedert 1771 aan hem werden gedaan in gevolge geldstortingen voor assignaties op zijn naam door de kassier van de 'Amfioen-Societeit', David Julius Aitsma.

Die 'Amfioen-Societeit' was een merkwaardig handelslichaam. In de achttiende eeuw vervoerde de VOC opium van Bengalen naar Java. Dat was een dermate lucratieve handel, dat ook de Compagniesdienaren zelf er zich met hart en ziel op stortten, met als gevolg dat de Compagnie flinke schade leed. Op voorstel van Gouverneur-Generaal Gustaaf Van Imhoff werd in 1745 een opmerkelijke oplossing gevonden om deze 'baatzugtige lieden' hun winsten te ontnemen. Een 'Amfioen-Societeit' (amfioen is opium) zou het alleenrecht krijgen om de door de VOC aangevoerde opium af te nemen en op Java te verkopen. De Societeit zou een maatschappij op aandelen zijn, waarin de te Batavia woonachtige ambtenaren zouden deelnemen. Zo zou het wegkwijnende Batavia, waar de dienaren toch al zo weinig mogelijkheden hadden om buiten de VOC om handelsinitiatieven te ontplooien, worden ondersteund en was er meteen een prikkel bij die ambtenaren om smokkel streng te vervolgen. De 300 aandelen van 2000 rijksdaalder werden vlot verkocht - enigszins tot verbijstering van de bewindhebbers die wel met het plan akkoord waren gegaan, maar niet beseften, dat hun dienaren zoveel in de nieuwe maatschappij konden investeren.32 Overigens schoot de Societeit in de loop der tijd een van de doelen, het stimuleren van de economie in Batavia, voorbij. Steeds meer aandeelhouders kwamen tenslotte in Nederland terecht.

Wanneer Eyso zijn aandelen - vijf - heeft gekocht, is niet bekend. Wellicht pas kort voor de storting van zijn eerste dividenduitkering van Aitsma in de kas van Batavia in 1771, misschien ook al eerder en had hij voor die datum dividend door derden laten overmaken. Ook is het mogelijk dat hij geld had geleend om de aandelen te kopen en de dividenduitkeringen tot 1771 had moeten gebruiken om schulden in Batavia af te betalen. Het lijkt er echter op dat hij gaandeweg zijn investering in de Amfioen-Societeit heeft uitgebreid: het feit dat de uitkeringen vanaf 1775 fors toenemen wijst daarop. Hoe het ook zij, het was een lucratieve investering. Gerardus, die zich na zijn terugkeer in 1765 in Dronrijp had gevestigd, was ook aandeelhouder (met twee aandelen) en ontving dus ook ieder jaar een uitkering van kassier Aitsma uit Batavia. Die uitkeringen aan Gerardus beginnen in 1770 met een bedrag van ƒ 613.

In tabel 2 zijn de dividenduitkeringen aan Eyso en Gerardus de Wendt bijeen gezet, tezamen met de bedragen die Eyso sedert 1768 uit andere hoofde uit Batavia had ontvangen. Het verschil in tijdstip tussen storting van het geld in Batavia en de uitbetaling in Nederland was mede gevolg van de door de bewindhebbers getroffen regelingen: de uitbetaling van de op de VOC in Nederland getrokken assignaties vond plaats ofwel na afloop van de najaarsveiling omstreeks november (tweederde van het totaal) ofwel na de voorjaarsveiling in maart. Deze maatregel moest de Compagnie behoeden voor liquiditeitsproblemen. Immers, na de veilingen ontving de VOC grote geldsommen als betaling voor de verkochte goederen. Overigens zullen de bedragen vanaf 1780 aan Eyso's erfgenaam Eco de Wendt uitbetaald zijn. De naam van Eco komt voor het eerst in de lijst van assignaties van 15 september 1782 voor.33

Tabel 2. Gelden uit Batavia overgemaakt naar Eyso en Gerardus Beylanus de Wendt, 1768-1782. (afgerond op hele guldens)

Datum missive Batavia Door diverse kooplieden aan Eyso Dividend van de Amfioen-Societeit aan Eyso Dividend van de Amfioen-Societeit aan Gerardus Datum van betaalbaarstelling in Amsterdam
20 okt. 1768 ƒ 6.646 voorj. 1770
20 okt. 1769 ƒ 4.431 najaar 1770
31 okt. 1770 ƒ 5.463 ƒ 613 voorj. 1772
12 okt. 1771 ƒ 2.807 ƒ 1.057 ƒ 1.234 voorj. 1773
20 okt. 1772 ƒ 5.760 ƒ 2.386 ƒ 1.589 voorj. 1774
26 okt. 1773 ƒ 2.386 ƒ 1.589 najaar 1774
21 okt. 1774 ƒ 436 ƒ 1.670 ƒ 1.500 najaar 1775
15 okt. 1775 ƒ 6.506 ƒ 1.766 voorj. 1777
25 okt. 1776 ƒ 4.358 ƒ 1.739 voorj. 1778
15 okt. 1777 ƒ 4.358 ƒ 1.739 voorj. 1779
31 aug. 1778 ƒ 1.739 ƒ 692 najaar 1779?
31 aug. 1779 ƒ 2.175 ƒ 866 najaar 1780
31 dec. 1779 ƒ 1.527 ƒ 612 najaar 1781
16 okt. 1780 ƒ 4.739 ƒ 1.175 voorj. 1782
totaal ƒ 25.543 ƒ 32.901 ƒ 15.114

N.B. Het in 1773 gestorte bedrag voor Gerardus van ƒ 1.589 wordt pas in het voorjaar van 1775 uitbetaald. Het door Aitsma in 1775 aan Eyso overgemaakte dividend gaat in twee delen, eerst ƒ 2.089, dan ƒ 4,417.

Bron: De bedragen zijn ontleend aan de lijsten van 'Assignaties getrokken op de Vergadering der Heren Zeventien', die meestal aan het einde van de 'Generale Missive' of brief van de Gouverneur-Generaal en Raden aan Heren Zeventien zijn opgenomen. De datum in de eerste kolom is de datum van die Generale Missive, de geldstortingen zijn meestal twee à drie maanden tevoren gedaan. Die missiven zijn met vele andere stukken bijeengebracht in de Overgekomen Brieven en Papieren (OBP) uit Batavia in Nederland ontvangen. De volgend OPB's zijn geraadpleegd: ARA, VOC 3221, 3251, 3280, 3311, 3340, 3368, 3393, 3421, 3448, 3471, 3502 en 3504. Vanaf 1779 zijn de lijsten te vinden in een aparte bundel, ARA, VOC 7055.

Hoe rijk Eyso de Wendt was blijkt uit de boedelbeschrijving bij zijn dood in 1780 opgemaakt.34 De lijst toont een totaal bezit van zo'n ƒ 420.000 (bezittingen minus de schulden). Dat bezit was aardig gespreid. Aan onroerend goed bezat Eyso ruim ƒ 60.000, waarvan het merendeel landerijen. Een groot bedrag bestond uit 'particuliere obligaties', naar we mogen aannemen leningen aan particulieren: met ruim ƒ 192.000 maakte dit bedrag bijna 44 % uit van het totale vermogen. Overigens kwam in Friesland zo'n 'bankiersfunctie' van een rijke dorpsbewoner wel meer voor. Tenslotte bevonden zich voor ongeveer ƒ 155.000 aan waardepapieren in de boedel. Daaronder waren uiteraard de vijf aandelen van de 'Amfioen-Societeit'. In de VOC zelf had Eyso maar weinig geïnvesteerd en dat was een wijs besluit geweest. Per slot zou de Compagnie na 1780 in enorme financiële moeilijkheden raken om tenslotte in 1795 als bankroete firma in staatshanden over te gaan. Kenmerkend voor deze periode zijn de Poolse en Russische staatsobligaties, die in deze jaren door Amsterdamse kooplieden in de Nederlandse markt werden 'gezet', ook Eyso had er in geïnvesteerd.35 Een veilige belegging mochten de obligaties in de Bank of England heten, niets was immers 'safer'. Aan diverse persoonlijke bezittingen, zoals edelstenen, goud en zilverwerk etc. was voor ƒ 25.500 aanwezig.

Wie was Eyso de Wendt?

Is in het voorgaande een schets gegeven van een gelukkige carrière, de hoofdpersoon blijft toch enigszins op de achtergrond. Eyso de Wendt verstopt zich, voor zover het de stukken in het VOC-archief aangaat, achter de officiële documenten: de stukken die hij als directeur met zijn medecarga's voor de bewindhebbers opstelde, zijn formeel, op het onderdanige af. Zijn loopbaan verliep niet spectaculair snel, het duurde kennelijk een tijdje voor hij de juiste beschermers en geschikte connecties vond. Van schandalen horen we niet - en dat betekent dat Eyso, hoeveel hij ook verdiende, zich op de achtergrond hield en zijn superieuren wist te ontzien. Zeker moet hij protectie hebben gehad in de hoogste VOC-kringen in Batavia, zijn positie was tenslotte één van de meest begeerde. Opvallend is wel dat hij ongehuwd bleef. Huwelijken werden in de hoogste VOC-kringen veelal gesloten om de maatschappelijke positie te versterken en door ongetrouwd te blijven moest Eyso dus steun van een mogelijk invloedrijke schoonfamilie ontberen.36

Er is in de Republiek in de achttiende eeuw geen herkenbare of economisch, en politiek duidelijk aanwijsbare groep van voormalige VOC-dienaren. De aantallen van hen die rijk terugkeerden uit de Oost zijn niet bekend. Het zijn er waarschijnlijk niet zo heel veel geweest, enkele honderden wellicht. Dankzij hun rijkdom voegden zij zich bij het patriciaat, waaruit zij overigens ook vaak afkomstig waren. Als zij opvielen, dan was het door hun persoon, hun karakter, hun parvenu-achtig gedrag. Ulrich Gualtherius Hemmingson (1741-1799) bijvoorbeeld, die het evenals Eyso tot directeur van de Chinese handel bracht en in 1790 de VOC-dienst verliet, bleek een man van het grote gebaar: hij schonk Wilhelmina van Pruisen, de vrouw van stadhouder Willem V, een uitgebreid Chinees ameublement en een servies van 1454 stuks Chinees porselein.37 Jan Albert Sichterman (1692-1764), die de lucratieve functie van directeur van de VOC-factorij in Bengalen had bekleed, imponeerde de Groningers met een indrukwekkend huis aan de Ossemarkt en een buiten in Wildervank, en zijn verzameling kunst en oriëntalia vormde een bezienswaardigheid. Van Sichtermans particuliere handel en schimmige affaires in Bengalen is ook wel iets meer bekend. Hij werkte daarbij samen met de uit Franeker afkomstige Anthonie d'Arnaud, die in 1752 clandestien met een Engels schip uit Bengalen naar Nederland vertrok, een desertie die hem in Friesland niet zo zwaar werd aangerekend (hij werd grietman van Oostdongeradeel en Gedeputeerde Staat). Maar hij werd door de VOC wel onwaardig geacht voor het bewindhebberschap, waarvoor hij in 1755 door de Friese Staten werd voorgedragen.38 Maar anderen, zoals de voormalig resident van Cheribon Godfried Carel Gockinga (1761-1816), die zich in 1793 in Groningen vestigde, vielen hoogstens op door de grote staat die zij voerden.39

Dat laatste was ook het geval met Eyso de Wendt. Het is begrijpelijk dat hij na terugkeer uit Azië niet in een Hollandse stad is gaan wonen. In Friesland kon hij zijn rijkdom veel beter aanwenden om de maatschappelijke positie te verwerven die in overeenstemming was met zijn in Azië verworven kapitaal. Dus keerde hij na thuiskomst naar Kollum terug, waar hij samen met zijn moeder en wat personeel in het grote huis ging wonen. Was zijn zucht naar avontuur gedoofd? Ongetwijfeld zal het hem genoegen hebben gedaan als rijk regent te leven. Zijn kapitaal verschafte hem de middelen om zich in de top van de Friese elite te nestelen. Later profiteerde zijn familie van de hoge status en rijkdom - in de negentiende eeuw raakte de familie De Wendt geparenteerd aan verschillende adellijke geslachten.40

Aardse goederen zijn vergankelijk. Van het huis Oostenburg, dat in 1838 werd afgebroken en als armhuis werd herbouwd, herinnert weinig aan de oorspronkelijke woning. De stenen berg werd in de negentiende eeuw verwaarloosd en is tenslotte afgebroken. Ook het theehuis heeft de tand des tijds niet doorstaan; de restanten, die bij grondwerkzaamheden bij de Trekvaart ten zuiden van Kollum werden aangetroffen, waren mede aanleiding om in 1993 in de plaatselijke oudheidkamer een tentoonstelling over Eyso te organiseren. Wel bevindt zich in de Hervormde kerk te Kollum nog steeds de grote, met veel houtsnijwerk getooide herenbank die Eyso de Wendt in 1768 had laten maken. Het snijwerk is, naar vermoed wordt, door de beeldsnijder Hermannus Berkebijl vervaardigd. En tenslotte hangt in de kerk het fraai versierde rouwbord, waarmee de herinnering aan de op 1 maart 1780 overleden Eyso levend wordt gehouden. 41

Noten

* Dit artikel is een verbeterde en uitgebreide versie van de tekst die door ons werd geschreven als toelichting op de tentoonstelling over Eyso de Wendt in de Kollumer Oudheidkamer Mr. Andreae in de zomer van 1993. We danken de leden van de werkgroep die deze tentoonstelling organiseerden, in het bijzonder de heren W. J. van der Kam en P.F. Visser, voor de informatie en inspiratie die zij ons verschaften. De heer Visser verstrekte ons vele genealogische gegevens betreffende de families De Wendt en Bergsma en stelde ons een kopie van de boedelinventaris van Eyso ter beschikking. Voorts danken we mevr. M.C.J.C. van Hoof van het Algemeen Rijksarchief te Den Haag, die in een brief aan de werkgroep een overzicht gaf van de loopbaan van Eyso de Wendt.

1 Zie voor dit thema: Roelof van Gelder, 'Noodzaak of nieuwsgierigheid. Reismotieven van Oostindiëgangers in de zeventiende een achttiende eeuw', Indische Letteren, jrg. 8, deel 2 (1993) 50-60. Van Gelder legt de nadruk op nieuwsgierigheid, vooral op grond van de motivatie die wordt genoemd in gepubliceerde reisverhalen van diverse Oostindiëgangers.

2 Gegevens over de familie De Wendt treft men aan in: M. de Haan Hettema en A. van Halmael, Stamboek van den vroegeren en lateren Frieschen Adel (Leeuwarden 1846) I, 358-359 en II, 250-251. Wij hadden tevens de beschikking over de door de heer P.F. Visser te Kollum opgemaakte genealogie.

3 Gegevens ontleend aan de genealogie van de familie Bergsma in Nederland's Patriciaat 17 (1927) 1-29 en het Stamboek der familie Bergsma (Rotterdam 1882, aanwezig op het Centraal Bureau voor Genealogie te den Haag).

4 Zie voor de samenstelling van de bewindhebberscolleges en de strijd, die Friesland voerde om in de kamer Amsterdam een plaats te bemachtigen: Femme S. Gaastra, Bewind en Beleid. De financiële en commerciële politiek van de bewindhebbers, 1672-1702 (Zutphen 1989) 31-32.

5 Algemeen Rijks Archief Den Haag, VOC-archief inv. no. 5988, Scheepssoldijboek van de Kerkwijk. (Hierna wordt naar het VOC-archief verwezen als: ARA, VOC ....). Men vergelijke de wijze waarop de beide neven Iman Willem en Otto Willem Falck in 1756 bij de VOC dienst namen. Zij wilden per se op hetzelfde schip uitvaren, en de in de rechten afgestudeerde Iman Willem kreeg een onderkoopmanspost, maar voor de jongere Otto Willem schoot er (tot ontzetting van zijn familie) niets anders over dan nederige functie van constabelsmaat. Beiden slaaden er overigens in carrière te maken en rijk te worden in de Oost: H.T. Colenbrander, ed., Gedenkschriften van Anton Reinhard Falck, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, kl. serie 13 (Den Haag 1913) 52-54.

Notitie Tymen Wierstra: de Kerkwijk, 850 ton, een nieuw schip want in 1733 gebouwd, vertrok op 17 januari 1734 vanaf Texel met schipper Pieter Sluis en meerde op 1 mei in Kaap de Goede Hoop aan. Na 24 dagen, op 25 mei, vervolgde het schip zijn reis om op 31 juli in Batavia aan te komen. In de details van deze reis wordt nog vermeld dat er twee passagiers zijn, dus Eyso en zijn neef Adriaan.

6 Stamboek der familie Bergsma, p. 4.

7 J.R. Bruijn, F.S. Gaastra en L Schöffer, Dutch-Asiatic Shipping in the 17th and I8th Centuries, vol. II, Outward-bound voyages, Rijks Geschiedkundige Publicatiën, grote serie 166 (Den Haag 1979) geeft op p. 432-433 onder nr. 2932 de gegevens over de reis van de Kerkwijk en over het aantal opvarenden etc.

8 Over de VOC-handel in het algemeen: Femme S. Gaastra, Geschiedenis van de VOC (Zutphen 1991) 108-148. Voor de de uitvoer van edel metaal in deze periode: Arent Pol, 'Tot gerieff van India. Geldexport door de VOC en de muntproduktie in Nederland 1720-1740', Jaarboek voor Munt- en Penningkunde 72 (1985) 65-195; over de 'Kerkwijk' p. 151. Voor de illegale export: idem, De schat van Het Vliegend Hert. Compagniesgeld en smokkelgeld uit een VOC-schip (Koninklijk Penningkabinet Leiden, 1993).

9 Het systeem wordt uiteengezet door F. Lequin in R. Raben en H. Spijkerman, ed., De Archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie (1602-1795) (Den Haag 1992) 57-66.

10 De soldijrekening van Adriaan Bergsma in het scheepssoldijboek van de 'Kerkwijk' geeft zijn verdiensten over zijn vijfjarig verband nauwkeurig weer. In totaal had hij ƒ 9.153:16:18 verdiend (de cijfers achter de : zijn stuivers en penningen; een penning was 1/16 stuiver en een stuiver, net als nu, 1/20 gulden). Dat bedrag werd in termijnen betaald aan gemachtigden in Amsterdam, namelijk aan Philip Saal en Eyso Bergsma, vermoedelijk Adriaans oudere broer, predikant te Dokkum. Het restant werd in 1740 aan Adriaan zelf uitgekeerd. Daarna kwam er toch nog -zelfs tot 1764!- geld bij, via de zogenaamde rekening van condemnatie, in totaal ƒ 1651: 8:10. Dit was geld dat een fiscaal mocht opstrijken als hij bijvoorbeeld een smokkelaffaire aan het licht bracht en de verdachte veroordeeld werd. Het duurde veelal jaren voordat de Raad van Justitie zaken afdeed.

Het is opvallend dat twee neven van Adriaan het voorbeeld van hun oom volgden. In 1770 vertrok Theodorus Bergsma (zoon van de hierboven genoemde Eyso Bergsma) in een hoge functie (namelijk Raad van Justitie) naar Batavia. Van hem is een beknopt journaal van zijn uitreis met het schip 'Aschat' aanwezig in het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land-, en Volkenkunde te Leiden (H. 181). En in 1773 zeilde Johannes Casparus Bergsma (zoon van de jongere broer van Adriaan, Willem) naar Azië met het VOC-schip 'Vrouwe Geertruida'. Na terugkeer uit de Oost in 1778 werd nog enkele keren geld aan Johannes overgemaakt vanuit Batavia; deze heeft zich dan in Metslawier gevestigd en wordt in 1785 grietman van Franekeradeel.

11 A. Das Gupta, 'De VOC en Suratte in de 17de en 18de eeuw', in: M.A.P. Meilink-Roelofsz, De VOC in Azië (Bussum 1976) 82-83.

21 In de stukken betreffende de affaire-Phoonsen noch in die van de daarmee samenhangende zaak tegen de pakhuismeester te Surat, Willem van der Laan, (o.a. ARA, VOC 11319 en 11324) troffen wij de naam De Wendt aan.

13 Deze gegevens zijn, behalve uit het scheepssoldijboek van de 'Kerkwijk' ook af te leiden uit de 'Monsterrollen van de gequalificeerde civiele dienaren' over de jaren 1737-1745 in ARA, VOC 5247, 5248 en 5249.

14 Een overzicht van de handel op China geeft C.J. Jörg, Porcelain and the Dutch China trade (The Hague 1982).

15 Els M. Jacobs, 'De Verenigde Oostindische Compagnie als ondernemer in Azië: directe handelscontacten tussen Suratte en Canton (1744-1755)', in: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, 103 (1993), afl. 4, 678.

16 ARA, VOC 777, Resoluties van Gouverneur-Generaal en Raden, 18 juli 1747.

17 Adriaan Bergsma volgde in die hoedanigheid Arnoldus Abeleven op. Op 25 mei 1746 kreeg hij sessie in de kamer Amsterdam en na een termijn van drie jaar werd hij in juni 1750 opgevolgd door Ulbe Aylva van Rengers (ARA, VOC 262 en 263, resolutie van de kamer Amsterdam van 20 en 25 mei 1746 en 2 en 3 juni 1750). Later in de achttiende eeuw heeft Adriaan Bergsma nog twee keer een bewindhebberschap vervuld, en wel van 1764 tot 1767 en van 1776 tot 1779 (VOC 308, index op de res. kamer A'dam, 1744-1788).

18 C.J.A. Jörg, The Geldermalsen. History and porcelain (Groningen 1986) 37-41.

19 Ibidem, p. 37.

20 ARA, VOC 4380, Overgekomen Brieven en Papieren (OBP) uit China aangekomen, 1755, f. 24; id. 1756, f. 14;.id., 1757, f. 12. Eén van de ontvangers is Hendrik Beylanus, 'Capt. Militair te Embden'.

21 W. Wijnaendts van Resandt, De gezaghebbers der Oost-Indische Compagnie op hare buitencomptoiren in Azië (Amsterdam 1944) 83. Zie voor Iman Falck ook noot 3.

22 F. de Haan, Priangan. De Preanger Regentschappen onder het Nederlandsch bestuur tot 1811, dl. 3 (Batavia 1911) 481.

23 ARA, VOC 12997, Scheepssoldijboek van de 'Zaamslag'.

24 ARA, VOC 3098 (OBP uit Batavia in patria ontvangen in 1765), f. 1116, Memorie van assignaties naar Nederland geremitteerd en te voldoen na de najaarse verkoping van 1765, 30 okt. 1764. VOC 3099, (OBP 1765), f. 2171, id, te voldoen voorjaar 1766; VOC 3160 (OBP 1767), f. 1402, id., te voldoen najaar 1767.

25 ARA, VOC 791, Resoluties van Gouverneur-Generaal en Raden, 6 maart 1761.

26 ARA, VOC 2998 (OBP in 1762 uit Batavia ontvangen), f. 426 e.v., Memorie der naar Nederland overgemaakte assignaties van 30 okt. 1761, te voldoen na de najaarse verkoping in 1762.

27 ARA, VOC 2998 (OBP uit Batavia, 1762), f. 435, Verklaring van indemniteit afgelegd door Eyso de Wendt ten behoeve van de VOC, opgemaakt door notaris Zallé, Batavia 10 okt. 1761.

28 De Bruijn e.a., Dutch-Asiatic Shipping, Vol. III, 442-443.

29 Y. Douma, Uit het verleden en heden van Kollum (Kollum 1932) 168-170.

30 Eyso de Wendt werd op 25 mei 1767 als opvolger van A. Bergsma aanvaard en maakte op 15 juni 1770 plaats voor G. G. van Wassenaar van Twickel (VOC 275, res. kamer A'dam, 25 mei 1767, VOC 308, index op de res. kamer A'dam).

31 Yme Kuiper, Adel in Friesland 1780-1880 (Groningen 1993) 504, n. 154.

32 Gaastra, De geschiedenis van de VOC, 130. Zie voor de uit Bolsward afkomstige David Julius flitsma: Wijnaendts van Resandt, De gezaghebbers der Oost-Indische Compagnie, p. 116.

33 Eco de Wendt (1725-1809) was een neef van Eyso. Hij was o.a. burgemeester van Workum (1780) en Sneek (1782-1795) en Gedeputeerde Staat van Friesland.

34 Gemeente Archief Leeuwarden, Oud-rechterlijk archief, Inventarisboeken van collaterale successie, CC 6, 1779-1781.

35 J.C. Riley, International Government Finance and the Amsterdam Capital Market, 1740-1815 (Cambridge 1980) 160-161.

36 Over dit thema: J. G. Taylor, Smeltkroes Batavia. Europeanen en Euraziaten in de Nederlandse vestigingen in Azië (Groningen 1988).

37 M.A.P. Meilink-Roelofsz, 'Ulrich Gualtherius Hemmingson. VOC-dienaar en verbindingsschakel tussen China en Nederland', Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek (Haarlem 1981), 456-474. Hemmingson liet een vermogen na van ca. ƒ 870.000.

38 C.J. Jörg, 'Jan Albert Sichterman. A Groninger nabob and artcollector', in: All of one Company. Essays in Honour of Prof. dr. M.A.P. Meilink-Roelofsz on her Eightieth Birthday (Utrecht 1985; ook verschenen als Itinerario, vol IX (1985), 178-195; J.A. Feith, 'De Bengaalsche Sichterman', Groningsche Volksalmanak voor het jaar 1914 (Groningen 1913) 14-74. Over de privé-handel en de band met D'Arnoud: Jan Parmentier, De holle Compagnie. Smokkel en legale handel onder Zuidnederlandse vlag in Bengalen, ca. 1720-1744, Zeven Provinciën Reeks 4 (Hilversum 1992) 49-50, 75-76.

39 K.L. van Schouwenburg, Godfried Carel Gockinga. Zijn nakomelingen en zijn erfgenamen (Delft 1982). Gockinga's nalatenschap bedroeg ruim ƒ 1,1 miljoen gulden, waarvan ongeveer ƒ 595.000 in leningen aan particulieren.

40 Geertruid de Wendt, kleindochter van de in noot 30 genoemde Eco, huwde met Maurits Picco D.J. baron van Sytzama, haar zuster Catharina met Willem Onno Alberda van Ekenstein, lid van de Ridderschap van Groningen.

41 Daarover de Publicaties van de Stichting Alde Fryske Tsjerken, Band 1 (1974), S. ten Hoeve, 'Hermannus Berkebijl, antieksnijder te Leeuwarden' en idem, Band 5 (1992), R. Steensma, 'Bijbelse symboliek op de herenbank van Eyso de Wendt in Kollum'.