Eyso de Wendt

Uit “Uit het verleden en heden van Kollum” door Y. Douma (Kollum, T. Banda, 1932), pp. 168-170

Nadat Willem de Wendt, die te Kollum de aanzienlijke betrekking van fiscaal bekleedde, en zijne echtgenoote Ytscke (of Idske) van Beylanus in ’t tweede tiental jaren der 18de eeuw waren verblijd met de geboorte van een zoon Gerardus Beylanus, en een dochter, Maria genoemd, zag in 1718 nog het levenslicht hun zoon Eiso, die zich op rijperen leeftijd naar Oost-Indië begaf, waar hij directeur werd van den handel op China.

Nadat hij zich in Indië een zeer aanzienlijk vermogen had verworven, kwam hij omstreeks 1760 in het Vaderland terug. Reeds in 1763 zag hij zich benoemd tot “medegecommitteerde Staat ter Landsdage" en woonde toenmaals in Leeuwarden, welke woonplaats hij echter in 1767 met Kollum verwisselde, waar hij zelfs gevestigd bleef, na zijne benoeming tot grietman van Westdongeradeel in 1772.

In den loop van ‘t volgende jaar kocht hij van Jacobus Fruitier en diens echtgenoot Aurelia of Aricia Bieruma “zeeckere Heerlijke Zathe en Landen, gelegen in en aan de Gebuirte te Kollum …. (ter plaatse van de voormalige Jellema-state) met Huizinge, Tuinen, Hovingen, Zingels en Plantagiën, c.a., het Hoog genaamd, te zamen groot 60½ pdm., alles gelegen ten zuiden van de Hoofdstraat aldaar."

Eiso de Wendt stichtte nu weldra op zijne nieuwe eigendommen een buitenplaats, die hij Oostenburg noemde, waarvan de afbeelding ons vrij sterk doet denken aan het tegenwoordige “Tehuis voor Ouden van Dagen”, dat op de grondslagen van Oostenburg is opgetrokken.

Voor en na kocht hij “de rijke Oostinjenaar” nog verschillende huizen en hovingen aan en liet hij de lage landen ten Westen der trekvaart ophoogen en met geboomte beplanten, waardoor hij niet alleen een uitgestrekt buitengoed verkreeg, maar ook aan tal van handen geruimen tijd werk verschafte.

De reeds genoemde Potter –hij zou den Zondag na zijn bezoek aan Kollum te Gerkesklooster prediken- zegt hieromtrent: “Wat de andere gebouwen in dit dorp betreft, men vindt hier vele groote en fraaije huizen, onder welke echter uitmunt dat van den voormaligen Grietman Eyso de Wendt, die ook lange jaren in dienst der Oostindische Compagnie vele aanzienlijke posten heeft waargenomen, -Huis en tuinen zijn zeker uitstekend prachtig in den aanleg, doch wat de standplaats van het eerste betreft, deze is zoo zonderling uitgekozen, als onaanzienlijk, liggende in eenen donkeren hoek achter de dorpsbuurt; van daar ook, dat het aanzienlijk gebouw geheel niet in het oog valt en van geene plaats, dan deszelfs voorplein, gezien kan worden.”

Reeds in 1763 had Eiso de Wendt aan de Voorstraat een huis en hof gekocht, dat hij liet opruimen, om naar zijn buitenplaats een behoorlijke opreed te krijgen, thans bekend als “Breede reed", welke hij van een inrijhek voorzag en aan weerszijden met boomen liet beplanten.

Er was destijds eveneens een uitreed ten Oosten van het slot naar den trekweg, waarlangs hij een tuin liet aanleggen, nadat hij de huizen en hoven daar ter plaatse had aangekocht en laten slechten, wat eveneens gebeurde ten Westen van het landhuis.

De nieuwe bosschen strekten zich naar ’t Zuiden uit tot de Dokkumer trekvaart en van den trekweg ten Oosten naar ’t Westen tot de eigendommen der familie van Scheltinga. Ongeveer daar waar de vroegere korenmolen zich bevond, verrees de “Steenen Berg”.

Eiso de Wendt overleed ongehuwd op den 1sten Maart 1780 te Leeuwarden, ongeveer 62 jaren oud, waarna hij werd bijgezet in de Herv. Kerk te Kollum in den grafkelder, in 1768 door hem gekocht van Duco Martena van Burmania en afkomstig van de van Meckama’s. Ter zijde van den muur ziet men ’t wapenbord, aldaar ter zijner eere en nagedachtenis opgehangen.