Eyso de Wendt

Uit de "Friesche Volksalmanak voor het jaar 1898" door Mr. A.J. Andreae (Leeuwarden, Meijer & Schaafsma)

Omstreeks 1718 woonde te Kollum Willem de Wendt, fiscaal, gehuwd met Ytscke Gerardusdr. van Beilanus, welke echtelieden onder anderen een zoon hadden, Eyso geheeten, die in genoemd jaar aldaar werd geboren.

Eyso de Wendt begaf zich op rijperen leeftijd naar de Oost-Indiën, waar hij Directeur werd van den handel op China.

Hij verkreeg daar een groot vermogen en keerde omstreeks 1760 vandaar naar het Vaderland terug. Drie jaren later was hij "medegecommitteerde Staat ter Landsdage" en woonde toen te Leeuwarden, maar vier jaren later te Kollum, waar hij zijne woonplaats bleef houden, zelfs nadat hij in 1772 grietman van Westdongeradeel was geworden.

In ‘t volgende jaar kocht hij van Jacobus Fruitier en diens echtgenoot Aurelia of Aricia Bieruma "zeeckere Heerlijke Zathe en Landen, gelegen in en aan de Gebuirte te Kollum met Huizinge, Tuinen, Hovingen, Zingels en Plantagiën, c.a., het Hoog genaamd, te zamen groot 60½ pdm., alles gelegen ten zuiden van de Hoofdstraat aldaar."

In de eerste helft der 16de eeuw had op die plek "Jellemahuisinge" gestaan, welke vermoedelijk in de laatste helft der 17de eeuw afgebroken en door eene sate werd vervangen.

Eyso de Wendt stichtte op de door hem aangekochte gronden eerlang eene buitenplaats, waaraan hij den naam van "Oostenburg" gaf. Dat huis was niet van eene fraaie bouworde; op de afbeeldingen, daarvan nog aanwezig, doet het zich voor als het tegenwoordige Armhuis, hetwelk later op de fundamenten van Oostenburg werd gebouwd.

Voor en na kocht hij nog onderscheidene huizen en hovingen aan, en liet de lage landen ten westen der nabijgelegen trekvaart ophoogen en met houtgewas beplanten. Behalve dat hij hierdoor een aanzienlijk buitengoed verkreeg, verschafte hij hiermede aan onderscheidene menschen werk. Een tijdgenoot, een zekere Potter, -- die onder den titel "Wandelingen", enz. een paar deelen vulde met opmerkingen van allerlei aard, -- prijst het dan ook zeer in hem, dat hij een zoo nuttig gebruik maakte van zijn groot vermogen "door 't aanmoedigen van allerlei arbeid, het bezorgen der Armen", enz.

Te beter kon hij dit doen, daar hij ongehuwd was en bleef.

Reeds in 1763 had hij een huis en hof aan de Voorstraat gekocht, welk een en ander hij liet opruimen, om eene behoorlijke opreed naar zijn Buitenplaats te hebben. Deze reed, thans nog als de "Breede-reed" bekend, werd aan weerszijden met boomen beplant en met een inrijhek voorzien.

Ook was er destijds een uitreed aan de oostzijde van het huis, naar den trekweg, waarnevens hij een tuin liet aanleggen, na aldaar huizen en hovingen te hebben aangekocht en geraseerd.

Hetzelfde geschiedde ook ten westen van de Heerenhuizinge.

De nieuw aangelegde bosschen strekten zich zuidwaarts tot den Dockumer trekvaart uit, westwaarts tot de eigendommen van de familie Van Scheltinga, oostwaarts tot den Kollumer trekweg. Ter plaatse ongeveer, waar zich nu aldaar een koornmolen bevindt, liet hij "een zware steenen berg" metselen, waaronder een "zeer hooge kruisgang en waarop zijn erfgenaam Eko de Wendt een koepel of zomerhuis" liet bouwen. Van uit dien "kruisgang" liepen vier lanen naar de vier windstreken, welke lanen met elkander verbonden waren door een singel, die nagenoeg rondom het geheele terrein liep. Op het eind van de zuidelijke laan stond een koepel of zomerhuis aan de trekvaart.

Bovenbedoelde Potter bezocht op zijne vele wandelingen en tochten ook Kollum, en hoezeer hij Eyso de Wendt ook prijst in zijn edel streven, om werk te verschaffen en armen te helpen, -- hij kon zijne goedkeuring niet hechten aan den bouw van die "steenen berg."

"Het is", zegt hij, "een lomp steenen gevaarte uit vier gewulfde steenen bogen bestaande, hetwelk verbazende sommen heeft gekost, en niets heeft dat lieflijk, schoon, kunstig of bevallig genoemd kan worden; noch als een voorwerp van kunst of smaak, noch als een geschikt tuinsieraad verdient het eenige opmerking." Hij schijnt er zich wat boos over te maken, althans zich er aan te ergeren, want hij betitelt dit kunstelooze voorwerp als "eene Oostindische gekheid"; en hierop laat hij volgen: "die duizenden daaraan ten koste gelegd, hadden beter besteed kunnen worden", zeker daarbij gedachtig aan de andere werken, die de eigenaar elders had laten uitvoeren.

Eyso de 'Wendt overleed op den 1sten Maart 1780 te Leeuwarden, omstreeks 62 jaren oud, waarna hij werd bijgezet in de kerk te Kollum, in een grafkelder, door hem in 1768 aangekocht van Duco Martena van Burmania, welke grafkelder van het geslacht Van Meckama afkomstig was.

In dat kerkgebouw prijkt nog een wapenbord, ter zijner nagedachtenis aan den muur aldaar opgehangen, versierd met het wapen van de familie De Wendt, benevens het volgende opschrift:

De WelEdele Gestrenge Heer Eyso de Wendt, Geboren te Collum den 2 Fébr. 1718, is geweest Directeur van den handel in China etc. vandaar wederom in Collum aangekomen, den 5 Juli 1772 tot Grietman over Westdongeradeel aangesteld en 14 Jan. 1778 mede Gedeputeerde Staat van Friesland etc. te Leeuwarden ongetrouwd overleden den 1 Maart 1780 en in 't Choor der kerk van Collurn bijgezet.

Onder in den rand leest men:

Obiit 1 Martii CICDCCLXXX.

Zijn neef Eco de Wendt, in 1755 burgemeester te Workum en in 1782 te Sneek, erfde de buitenplaats, welke hij eenige jaren bewoonde met zijne vrouw Geertruid Redding, die in 1799 stierf, terwijl hij tien jaren later (1809) te Kollum overleed.

Hierop werd het huis Oostenburg met zijn "Steenen Berg" en met zijne "plantagiën" het eigendom hunner vier kinderen, van welke Leonardus en zijne vrouw Aafke Johanna van Sloterdijck het buiten in 1831 bewoonden.

Vijf jaren later, 1836, lieten de vier kinderen van Eco de Wendt "de Heerenhuizinge, de Steenen Berg en het zomerhuis aan de Dockumer trekvaart" op afbraak verkoopen, terwijl ook de tuinen en bosschen van de hand werden gedaan.

Het grietenijbestuur van Kollumerland c.a. kocht toen de plek, waar het Heerenhuis had gestaan, waarin de rijke "Oostinjenaar" had gewoond.

Toen werd daar een huis gebouwd voor de armste ingezetenen van het dorp.

Sic transit gloria mundi!

Kollum, Sept. '97.

A. J. ANDREAE.