Eyso de Wendt

het (verkwanselde) testament van Eyso de Wendt

Drie dagen voor zijn overlijden, op 27 februari 1780, stelt Eyso bij notaris Petrus Wierdsma te Leeuwarden een testament op, waarvan een kopie zich bevindt in het archief van de familie Harinxma thoe Slooten. Een andere, tekstueel minimaal afwijkende kopie is te vinden in de notulen van de grietenijraad van Kollumerland van 27 april 1835 (inv.nr. 468, gemeentearchief Kollumerland). Hij sluit zijn broer Gerardus Beylanus en zuster Maria uit van de erfenis en benoemt zijn oomzegger Eco de Wendt en echtgenote Geertruid Red(d)ing tot enige erfgenamen onder de volgende voorwaarden:

"Vooreerst is het niet alleen mijn ernstige begeerte, maar mijne uitdrukkelijke wil, dat mijn erfgenamen en deszelfs deschendenten in het eeuwige hun naam zullen moeten schrijven niet Wendt, maar de Wendt.

Verder wil en begere ik, dat mijne erfgenamen den Berg die ik te Collum doe maken, en reeds verre gevorderd is, wanneer die bij mijn afsterven nog niet geheel mogt zijn afgemaakt, naar mijn bestek zullen moeten voltoijen, en geheel doen afmaken, en dat die Berg mitsgaders het huis Oostenburg genaamd, benevens den grond der oude huizinge, voormaals het Hoog genaamd, mitsgaders de landen, die voormaals en van ouds onder die huizingen geweest zijn, en die welke sederd daarbij en ondergevoegd zijn, in goeden staat zullen moeten worden onderhouden, ten eeuwigen dage fideicommis (=de erflater bepaalt in zijn testament dat zijn goederen niet mogen worden verkocht, geschonken of nagelaten aan personen buiten de familie), en inalienabel (=onvervreemdbaar) zullen zijn en in de familie van mijne erfgenamen zullen moeten blijven, indiervoegen dat telkens wanneer iemand die iets van die goederen bezit, komt te overlijden, deszelfs aandeel zonder aftrekking der trebellianica (=het vierde deel dat aan de erfgenaam toegestaan is om in te houden, noch terug te geven bij fideïcommissaire erfenis; deze wet is genoemd naar de auteur van de wet Trebellianus Maximus of eenige andere vermindering, zal devolveren (=overgaan) en vererven op zijn descendenten, wanneer die er zijn, en bij gebreke dies op diegene onder de descendenten van den heer Eco de Wendt, welke aan de laatste bezitter de naaste zijn zullen, en zulks zoo lange er descendenten van den heer Eco de Wenst zijn zullen, zelfs boven de vierde graad".

Wijders wil en ordonnere ik, dat mijne erfgenamen en derzelver successeuren zich de schikkingen en bepalingen die ik bij dezen gemaakt hebbe, en bij volgende dispositien noch mogte goedvinden te maken, zullen moeten laten welgevallen, en zich naar dezelve stiptelijk zullen gedragen, op poene (=straffe) dat wanneer de een of andere, iets van mijn nalatenschap bezittende, dezen mijnen wil opzettelijk contravenieert, dezelve daar door de facto van het bij hun bezetene, van mij afkomstig zal zijn vervallen ten profijte van het Dorp van Collum, alwaar hetzelve dan geimployeerd zal worden om aan den predicant eene vermeerdering van tractement tot twee hondert guldens jaarlijks te bezorgen, en een tweede predikant op een jaarlijks tractement van zeevenhonderd guldens te beroepen, en voor die een nieuwe pastorij bezijden het kerkhof te bouwen".

In dit testament geeft Eyso de Wendt duidelijk te kennen dat Oostenburg 1) tot in lengte van jaren binnen de familie moet blijven en 2) dat alles in goede staat. Erfgenaam Eco zal aan die wens gehoor hebben gegeven, maar op het onderhoud van de goederen door zijn oudste zoon Leonardus valt het een en ander af te dingen. Zo beschrijven Jacob van Lennep en zijn vriend Dirk van Hogendorp bij hun bezoek aan Kollum in 1823 hun belevenissen rond de in vervallen staat verkerende Steenen Berg.

Leonardus en zijn echtgenote wonen in ieder geval in 1831 nog op Oostenburg, maar vertrekken daarna Leeuwarden waar ze kort na elkaar overlijden, Leonardus in 1834. Tja, wat nu? Het enige nog in leven zijnde kind van Eco is Anne Regnerus, de broer van Leonardus, maar die is lid van de Algemene Rekenkamer en woont in 's-Gravenhage. Hij heeft geen trek in een verhuizing naar Kollum en met hem ook de andere veertien erfgenamen, zodat men zich bezint op een manier om onder het testament uit te komen en alles te verkopen.

Vermoedelijk zoekt een telg van de nog invloedrijke familie De Wendt (Anne Regnerus? zou er nog een brief van hem in een particulier archief aanwezig zijn?) contact met graaf Van Limburg Stirum, ook niet de eerste de beste en -handig- grietman van Kollumerland. Immers, het niet voldoen aan de voorwaarden van het testament heeft consequenties voor Kollum. Maar is het voor Kollum wel zo aantrekkelijk dat de revenuen bestaan in een verhoging van het traktement van de predikant, het aanstellen van een tweede predikant en de bouw van een pastorie?

Het resultaat van het overleg achter de schermen wordt zichtbaar in de vergadering van de grietenijraad van Kollumerland op maandag 27 april 1835. De grietman en de assessoren hebben dan een transactie gesloten die erop neerkomt dat als Kollum de "capitale somma van tienduizend guldens , zuiver, zonder eenige onkosten" ontvangt als het dorp afziet van acties als gevolg van het niet nakomen van de testamentaire bepalingen van Eyso de Wendt. Het mag geen verwondering wekken dat de grietenijraad met deze transactie, een klassiek geval van een win-win-situatie, instemt. Eyso de Wendt echter zal zich in zijn graf hebben omgedraaid...

In het grietenijbesluit staat verder "dat de te ontvangene somma zal strekken tot oprichting van een arme en werkhuis te Kollum, onder verplichting dat de predicant der herformde gemeente aldaar eene jaarlijksche inkomste wegens de betaalde gelden van het dorp zal genieten, ter somma van tweehonderd guldens", ingaande 1 januari na bekrachtiging van de transactie. De tweede predikant met zijn pastorie is niet meer aan de orde.

Echter, ruim 50 jaar later, in 1887, werpt het testament nog eens zijn schaduw vooruit:

advertentie in de Leeuwarder Courant van 29 maart 1887

Leeuwarder Courant 29 maart 1887