Mijn geboortehuis in Kollum

De naastlegers [in bewerking]

In oude koopakten worden de directe buren ten oosten, zuiden, westen en noorden vermeld, de naastlegers. Deze gegevens kunnen van pas komen bij het eigendomsonderzoek van een pand. De koopakten van de boerderij vermelden de volgende naastlegers:

jaartal
oost
zuid
west
noord
1668 Jellemastraat Arme voorstanders

Arme voorstanders

Egbertus Dominici
1703 Arnoldusstraat Arme staat Jan Lubbes Marten Jansen
1729 Arnoldusstraat Armvoogden Armvoogden Marten Jansen
1735 Arnoldussteeg Arme staat Berent Jans met een uitgang Marten Jansen
1759 Arnoldusstraat Arme staat Pytter Jans Guarnier en Aaltje Poulus Jan Martens
1782 Arnoldistraat Arme staat Sweitse Oebles nom: ux: en Pytter Jans Guarnier Jan Martens
1797 Steeg Arme staat Pieter Jans Guardenier weduwe Molle Radema
1843 Arnoldisteeg Armvoogden Casper Walker Minke Blau, weduwe van Molle Oedzes Radema

oost

Aan de oostkant van de boerderij liep dus eerst de Jellemastraat en later de Arnoldus/Arnoldi-straat of -steeg. Mr. A.J. Andreae zegt hierover op pagina 21 van zijn oudheidkundige beschrijving van Kollum het volgende:

De Jellemastraat of steeg komt in 1571 voor en werd aldus geheeten naar de ten noorden gelegen Jellemastate, die iets zuidelijker dan het Armhuis(TW: bedoeld wordt hiermee het voormalige Oostenburg) schijnt gestaan te hebben. Misschien wordt dat straatje, waarin later Diaconiewoningen lagen, in eene aanteekening van dat jaar bedoeld, waarin gesproken wordt van "dye stege opt zuydt van Colmerbuiren gelegen, waar "op dye Lazarushuysen steet." In de 16 eeuw droeg dat straatje den naam van Arnoldus-Nicolai of enkel het Arnoldusstraatje, naar zekeren notaris Arnoldus Nicolai, die in 1628 een huis en "hovinge" bewoonde, ongeveer gelegen waar men thans de zuidelijke helft van het Armhuis aantreft. Dit straatje liep oudtijds iets zuidelijker door dan thans het geval is en was toen ook meer bebouwd. Arn. Nicolai woonde in het tweede huis t.n. der Dwarsstraat en dan volgde "Jellemahuizinge". Later werd dat verlengde gedeelte weggebroken door Eyso de Wendt.

Met Dwarsstraat bedoelt Andreae de verbindingsstraat tussen de Putstraat en Jellemastraat. De huidige naam van dit straatje is Hoog Pypke. Vermoedelijk liepen Jellema- en Arnoldusstraat door tot aan de Voorstraat.

zuid

Het "Hoog Pypke", thans Eyso de Wendtstraat 6, is eeuwenlang de natuurlijke zuiderbuur geweest van de boerderij. Tot omstreeks 1963 is het huisje steeds het eigendom geweest van de armvoogdij (de arme staat") van Kollum, totdat het werd verkocht aan de gemeente Kollumerland. Omstreeks 1971 verkocht de gemeente het aan Jan Salverda.

Herma M. van den Berg (1989) wijdt in haar boek Noordelijk Oostergo, Kollumerland en Nieuw Kruisland, pagina 68, onderstaande tekst aan het pand:

Op een foto in 'Kollum in oude ansichten' (1972, 22) ziet men dat de ingang van dit smalle diepe pand, dat langs het Hoogpijpke genouwd is en daar oorspronkelijk ook naar heette (volgens dezelfde bron) in het midden gestaan heeft. Rond het venster onder de dakkapel zijn de aanhechtingen van het metselwerk duidelijk te zien. De stenen dakkapel stond dus boven de ingang en vormde een Vlaamse gevel hoewel de goot er thans voorlangs loopt; de halfronde beëindiging zal een andere gezwenkte vervangen. Het venster in de Vlaamse top heeft dezelfde kleine roedeverdeling als op de oude foto het korte venster aan de zuidgevel had. Het pand heeft op die foto wel vijf schoorstenen en een doorgang in de langsgevel aan het Hoogpijpke met ernaast een hooggeplaatst venster. Het pand was in 1823 eigendom van de Armvoogdij en zal met zijn vele schoorstenen een Armhuis gevormd hebben.

Hoog Pypke

Ook Mr. Andreae heeft het over een Armhuis in zijn oudheidkundige plaatsbeschrijving van Kollum, maar zal daarmee het in 1838 op de fundamenten van Eyso de Wendt's Oostenburg verrezen armhuis doelen.

De slotconclusie van Herma van der Berg is een interessante, want ik herinner me alleen een klein huisje met een oud echtpaar zonder kinderen. Dat waren Ary Visser (Kollum 1892 - Kollum 1947), klompenmaker, zoon van Klaas Visser en Klaaske Walda, en Peepke van der Meer (Kollumerzwaag 1895 - Kollum 1978), dochter van Anne van der Meer en Ynskje Hoekstra. Ze trouwden in 1922 in Kollumerland en hadden een zoon Klaas.

Hoog Pypke

Aanvankelijk was het Hoog Pypke (D1213) iets langer dan de boerderij (D1212), maar omstreeks 1919 is het achterste deel van het huis gesloopt:

hulpkaart uit 1891 hulpkaart uit 1919
De hulpkaarten uit de kadastrale dienstjaren van 1891 (links) en 1919 (rechts) tonen de verkleining tot de huidige lengte duidelijk aan.

west

straatje Hoog Pypke

Hierbij gaat het om een stukje reed die het pand aan de Voorstraat 66 verbindt met het Hoog Pypke, op bijgaand kaartje de laatste tientallen meters van lunchroom Any Tyme naar het Hoog Pypke. De eigenaars van het pand aan de Voorstraat zijn in dit kader niet interessant met uitzondering van de "Gardeniers", die het pand in 1741 kochten, waarschijnlijk van wieldraaier Berent Jans. En ook omdat ze van 1760-1782 eigenaar waren van mijn geboorteboerderij.

Op 18 oktober 1739 trouwen Pytter Jans en Aaltje Poulus in Kollum. Twee jaar later kopen ze dit pand. In de volkstelling van 1744 wordt ene Pytter Jans met 9 personen als vermogende aangeslagen voor 3-0-0. Vijf jaren later, in de quotisatiekohieren van 1749, wordt Pytter Jans vermeld als “gardenier, gemeen in staat” en hij woont met 4 volwassenen en 5 kinderen in de Kerkburen te Kollum. Een van die vijf was Antje (Kollum 1740), in 1761 in Oudwoude getrouwd met Sweitse Oebles uit Oostermeer. Volgens de speciekohieren overlijdt Aaltje in 1765.

reed

Op deze foto uit 1953 is de reed naar het pand aan de Voorstraat duidelijk te herkennen. Deze loopt tussen de losstaande schuur links en de boerderij rechts. Aanvakelijk was er een hek op de scheiding van beide percelen dat later werd verwijderd.

Op 31 mei 1767 hertrouwt Pytter Jans te Kollum met Gertje Gerkes, in 1743 te Augsbuurt geboren als dochter van Gerke Jans en Eelkjen Gerryts. Ze krijgen vier kinderen: Eelkje, Pytter (1773), Aake (1775) en Jan (1780). Kort na de verkoop van de boerderij op 19 maart 1782 overlijdt Pytter Jans Guarnier (Gardenier) volgens de speciekohieren in 1783 of 1784. Gertje Gerkes overlijdt op 29 augustus 1825 te Kollum, oud 82 jaar. Ze was veel jonger dan haar man, want zij is in 1743 geboren en Pytter Jans vóór 1719.

Eelkje (Kollum 1768 - Leeuwarden 1838), commies ter provinciale griffie, trouwt in 1804 in Leeuwarden met Kasper Walker (Ferwerd 1774 - Leeuwarden 1848), zoon van Gerryt Walker en Baafke Lykles. Beiden zijn aldaar woonachtig. Ze krijgen een dochter Bavina (Leeuwarden 1809 - Leeuwarden 1833), die ongehuwd blijft. Casper benoemt in 1848 Gertje Pieters Gardenier, dochter van Pieter Pieters Gardenier tot enig erfgenaam.

Pytter (Kollum 1773 - Kollum 1842), koemelker, trouwt in 1810 in Kollumerland met Antje Botes Tuinstra (Kollum 1788 - Buitenpost 1861) dochter van Bote Willems en Geeske. Ze krijgen vier kinderen: Geeske (Kollum 1811 - Kollum 1879), Gertje (Kollum 1813 - Kollum 1813), Gertje (Kollum 1815 - Kollum 1817), Gertje ((Kollum 1819 - Fransum, gem. Aduard 1874), trouwt in 1848 in Kollumerland met landbouwer Douwe de Jong (Kollum 1817 - woont in 1892 in Aduard), zoon van Jan Jans de Jong en Feikje Sytzes de Boer) en Eelkje (Kollum 1822 - Leeuwarden 1893).

Omstreeks 1877 verkoopt Gertje het perceel aan bakker Abraham Bottema. Latere eigenaars zijn de bakkers Atze Eeuwes Dijkstra, Fedde Bouma, Harmen Andries Wedzinga en Gosse van Zalinge. Omstreeks 1953 komt het pand in handen van meubel, later vishandelaar Klaas Pieters Zijlstra, die er ook een lunchroom in vestigt.

noord

Thans Voorstraat 72. Dit is het pand op de hoek van de Voorstraat en de Jellemastraat, later Arnoldystraat genoemd. Het is een floreenplichtig pand, genummerd 25.

De echtelieden lakenkopers Jan Clases en Hylck Wiegers kopen in 1676 “seeckere heerlijcke huisinge, hovinge, bomen ende plantagie cum annexis” kopen, “staende ende gelegen binnen Collum, op ’t west van die stenen piep, op ’t zuid van die straet”. Het huis was kort daarvoor bewoond door wijlen notaris Egbertus Dominici. De erfgenamen verkopen het perceel “hebbende de Jellemasteegh ten oosten, Dirck Jansens hovinge agter aen ’t hoff ten zuiden, de egtelieden copers selvts ten westen ende de gemene stene straet ten noorden”.Bron: inv.nr. 110, akte 302.

In het recesboek Kollumerland c.a. 1674-1705 vinden we de volgende aantekening van 20 oktober 1685: Jan Clasen koopman, woonachtig te Kollum, en wijlen Hijlck Wiegers, resp. vader en moeder van Claas Jans oud 23 jaar, Jantien Jans oud 21 jaar, Jan Jans oud 16 jaar, Pyter Jans oud 16 jaar en Marten Jans oud 14 jaar. Marten Jansen is dus in ongeveer 1671 geboren.

Volgens de floreenkohieren is Marten Jansen cum uxore in 1698 eigenaar van dit perceel. De koop van dit pand is te vinden in inv.nr. 111, akte 168. Daaruit blijkt dat de lakenkoper Marten Jansen met echtgenote Grietje Heertjes 9/10 deel van het pand koopt met als naastlegers de Arnoldystraat ten oosten, Dirck Jansen ten zuiden, Jan Lubbes ten westen en de “algemene straat” (de huidige Voorstraat) ten noorden. De koopakte is opgemaakt op 2 maart 1698 en de derde proclamatie heeft plaatsgevonden op 31 augustus 1698.

Verkopers zijn de lakenkoper Jan Clases voor 6/10 en de kinderen Claas, Jan, Jancke (Jantien?) en Marten Jansen elk voor 1/10. Samengevat: Marten Jansen neemt de zaak van zijn vader, ook lakenkoper, over en koopt de anderen uit.

Voor verdere informatie over de afstammelingen van Marten Jansen en Grietje Heertjes, zie pytter_martens_en_erfgenamen.

Zoon Jan Martens is in 1759 eigenaar van dit pand. Koopakte? Testament?

Vanaf 1797 is Molle Oedses Radema eigenaar van dit perceel. Latere eigenaars zijn winkelier Jetze Klaver en de bakkers Thijs Taconis, Sjoerd Bosma, Johannes de Schiffart, Willem Gerrits Willemsen, Egge Hendriks en Egbert Kooistra.

Terug naar het geboortehuis