Grijpskerk

koren- en pelmolens


© Tymen Wierstra


Volgens Formsma (pagina 83) stonden er in 1730 twee molens: een korenmolen aan de Molenweg (Lageweg) en een pelmolen aan de westkant van het dorp. Dat komt ook overeen met de beide molenaars die in hetzelfde boek op de pagina's 49 en 50 staan vermeld in de lijst met personen die in 1718 een vrijwillige gift hebben gegeven om te voorzien in de schade door de Kerstvloed van 1717: de pelmolenaar Claas Hindriks en de molenaar Taeke Vliegh.

We weten ook dat in 1630 een korenmolen in Grijpskerk stond. In het boek "De belasting op het gemaal in Stad en Ommelanden 1594-1856" van B.D. Poppen staat dat op 10 augustus 1630 ene Peter Lamberts in Grijpskerk als eerste chercher wordt beëdigd en aangesteld.

Wat is een chercher, later verbasterd tot sarrie? In 1628 werd de belasting op het gemaal ingevoerd, welke geheven werd op het graan dat de boeren bij de molenaars brachten om het te laten malen. De chercher (verbasterd tot sarrie) werd belast met de controle op deze belasting. De woning van de chercher, direct in de buurt van de korenmolen om de boel in de gaten te houden, werd sarrieshut genoemd. De Grijpskerker sarrieshut wordt genoemd in de resoluties van Gedeputeerde Staten van 1 mei 1645, 6 juni 1656 en 28 september 1682. Op de site van Wikipedia is meer informatie over deze sarrieshutten te vinden. Overigens werd deze belasting in 1855 weer afgeschaft.

De bakker, de molenaar en de chercher speelden vaak onder één hoedje bij het innen van deze belasting, getuige de volgende Groninger spreuk:

"De bakker, de mulder en de sarrie

't is almoal ain pakkelarrie"

Maar het kon ook anders gaan getuige dit verslag in het lidmatenboek van Grijpskerk uit 1652:

Is verscheenen Gerbrant Ulbrans Meulener ende Trintije sijn wijff, inbrengende verscheiden klachten, over Hermen Derx cercher ende Ebbe echteluiden, getsaemenlijck ledematen der gemeijnte J.C. alhijer, van d’welcke sij door ergerlijke scheltwoorden verongelijckt zijende, van des Heeren tafel haer hadden geabsenteert, onder andere 1e. dat Hermen gesecht hadde tegens Gerbrant, dat hij gemeent dat hij (d’Meulener ende sijn huisvrouwe) deege lieden waeren met en warheit, maer wierde nu anders bevonden. 2de haer verweeten dat Joannes Backer bij haer ware angeraeden om Ebbe met woorden qualijck te bejegenen. 3e dat Ebbe haer gescholden voor leugenachtige luiden. Verklaegde hijerop verstaen zijnde, hebben hijerop geantwoordt als volgt,
Op d’eerste beschuldinge, bekende Hermen soodaene woorden gesprooken te hebben, uit haestichheit, wenschende dat sulx van hem niet geschiet war. Begeerde dat sulcke redenen mochten gehouden worden, als off hij se niet gesprooken hadde, vermits hij niet oneerlijx van d’meulenar ende sijn wijff met waerheit conde seggen. ad. 2. Resp. niet te weeten sulx gesecht te hebben, hielde ooc darvan harlijeden niet suspect. ad. 3. Bekende Ebbe tegens Gerbens’ dochter van leugens gesprooken te hebben, maer niet tegens hem off sijn huisvrouw Trintje, het welcke d’voorst. clachte grootelijx hadde veroorsaeckt.
De kerkenraatt deese saeken wel overweegende, als ooc d’voorgaende onlust tuschen d’benaebarde ledematen ontstaen, in acht neemende op d’verbitteringe der gemoederen, die sij voor d’verghaederinge, door ongestuime woorden ende gebaerden, quaemen t’uiten, voornaemelijck Ebbe, in t’ beantwoorden van d’beschuldingen, an d’welcke sij luiden evenswel door eigen bekentenis meerendeels schuldich bevonden wierden, heefft haer dieshalven een scherpe reprimendt gegeeven, ende darnae tot broderlijke liefde en eendrachtichheit, met verscheiden reden uit Godts H. woordt vermaent, ende versoeninge met malcanderen, dewelcke ooc niet alleen Harmen cercher ende sijn wijff, maer ooc van Gerbrant ende Trientje nae behooren is angenoomen, net quijdtscheldinge van d’fouten, warmeede d’verklaegde voorn. waeren beschuldicht, nae gedaene beloffte, dat sij voortaen in goede vreede ende vriendschap solden aender malcanderen houden.

Een ander geval van onenigheid tussen molen en chercher blijkt uit een vonnis van de Hoge Justitie Kamer van 3 april 1724 (toegang 136, inv.nr. 1350, met dank aan Antonia Veldhuis), waarbij molenaar Lubbe Pieters , geboren te Grijpskerk, ongeveer 40 jaar oud "de kram van het hout uit de molen [heeft] gebroken met een ijzer en tevens enige zakken koren weggenomen en de chercher tegen de grond gewerkt toe deze het hem wilde beletten". Het vonnis luidt: "Op verzoek van zijn vrouw verlenen Gedeputeerde Staten hem gratie met het dreigement dat hij niet meer moet smokkelen en de chercher niet kwaad moet bejegenen, anders zal hij volgens de wetten worden gecorrigeerd".

Ook in de index op het chronologisch register van de resoluties van Gedeputeerde Staten (1595-1649) wordt melding gemaakt van het bestaan van een molen in Grijpskerk in 1636, namelijk op 3 mei van dat jaar: "Is den adv. prov. gelast, zich van den toestand te Grijpskerk, door de vertimmering van den molen, persoonlijk te overtuigen". Het antwoord volgt op 5 mei: "De prov. advocaat bericht aangaande de kwestie der verbouwing van den molen te Grijpskerk".

Volgens de "Tabelle van de staat der Fabrieken en Trafieken binnen de Jurisdictie van het Westerkwartier in het Departement Groningen opgemaakt in den Jare 1809" (toegang 3, inv.nr. 859) staan in Grijpskerk één pelmolen en één roggemolen. Was de vorige staat (wanneer?) nog goed, in 1809 wordt die als zeer slecht beschouwd. Overigens zijn alle negen in de tabel genoemde bedrijvigheden sterk achteruitgegaan. Verder staat de volgende aanmerking bij de pelmolen: "De korenwindmolens malen gepeld garst, en pellen tarwe, het welk zeer nadeelig voor deze fabrieken is".

Op de pagina's 126 en 127 onder het hoofd Korenmolens zegt Formsma onder meer:

In 1821 waren in de gemeente Grijpskerk de korenmolenaars tevens bakker, de pelmolenaar in het dorp landbouwer en veehouder.

De oudste molen in Grijpskerk, de Fortuin, stond ten noorden van de Herestraat dichtbij de Waardweg. In 1780 werd Sijdze Ritsma eigenaar. Typerend voor zijn beroep is, dat in een proces van 1789 zijn ene knecht Jan Mulder genoemd werd en zijn andere Foppe Bakker. Zijn weduwe Sijdske Edsgers Teenstra, die hertrouwd was met Klaas Hellinga, werd bij haar dood in het jaar 1839 bakkersche genoemd.

Een tweede molen stond aan de westzijde van het dorp, waar nu nog de molen staat. Aan deze molen heeft de familie Willem Siemons van der Molen haar naam te danken. Een latere eigenaar was Klaas Jans de Poel, die hem gekocht had van Harke Wristers (TWi: het laatste is niet juist). In 1847 kreeg De Poel vergunning er maalstenen in aan te brengen ondanks de protesten van zijn collega in het midden van het dorp, die bang was voor verlies van klanten. Deze molen droeg later de naam "De Leeuw".

Molenstraat

Het betreft hier de periode 1813-1850. Op de pagina's 192 en 193 beschrijft hij de molens gedurende de periode 1851-1940.

In Grijpskerk werd in 1856 een derde molen gesticht, door Menno Bennema Hamming, houtkoper aldaar, aan de Jonkerslaan, schuin tegenover het huidige gemeentehuis (thans het voormalige gemeentehuis) op een afstand van 40 meter van de Herestraat. Hij werd van steen opgetrokken tot een hoogte van acht meter en verder van hout. De vlucht bedroeg ongeveer 21 meter. Het was een achtkante bovenkruier met stelling. De naam was "De vrouwe Ida", naar Hammings echtgenote Ida Jurjens Westerdijk.

Later waren er drie zoons eigenaar en vervolgens Kornelis H. Elings. In 1890 kochten de eigenaren van de twee andere molens te Grijpskerk "De vrouwe Ida", om deze weer over te dragen aan K. Homan te Noordhorn, wiens molen in dat jaar was afgebrand. Daar staat de molen nu nog.

De molen "De Fortuin" ten noorden van de Herestraat bij de Waardweg heeft het iets langer volgehouden. Daaraan was een bakkerij verbonden van G. Feringa. In 1905 is deze molen gekocht door de eigenaar van de molen aan de Friese Straatweg, die hem doorverkocht aan B.W. Heusinkveld te Winterswijk. Daar is de molen in 1916 verbrand.

De laatste overgebleven molen, aan de Friese Straatweg, "De Leeuw" genaamd, is van 1854 tot 1914 in het bezit geweest van de familie Kruisinga, daarna van J. en A. Wieringa. In 1876 sloeg de bliksem in, maar het begin van brand kon door de brandspuit worden geblust (TWi: dit is niet juist, het gaat om de molen van A. Wiersema, dus "De Fortuin"). In 1899 werd de molen verkocht aan Vergoossen te Echt, waar hij is afgebrand (TWi: na nader onderzoek via de Limburgse krant en navraag bij landelijke molendeskundigen moet hieraan sterk worden getwijfeld). Op de plaats van de verkochte molen te Grijpskerk werd een nieuwe gebouwd door de molenmaker Noordewier te Niezijl uit materiaal van de in 1840 gebouwde oliemolen van Groenman te Niezijl. Deze molen staat er, fraai gerestaureerd, nu nog.

In de Provinciale Groninger Courant van 16 juni 1876 staat een verslag van de blikseminslag:

Gisteren morgen tusschen 7 en 8 ontlastte zich boven Grijpskerk een hevige donderbui, met dit gevolg, dat de molen van den heer A. Wiersema door den bliksem werd getroffen. De meesterknecht en de bij den molen werkende timmerman H. Kaspers vernamen al dadelijk, dat er iets smeulde in het riet, eenige voeten beneden den kap. Schielijk schoten meer personen toe en door het aanbrengen van water van binnen en buiten hield men den voortgang van den brand tegen totdat al spoedig de brandspuit aangebragt werd, die, in een oogwenk gereed zijnde om water te geven, het gevaar geheel en al afwendde. Gelukkig dat het voorviel bij dag; zoo het bij nacht gebeurd ware, was de molen een prooi der vlammen geworden. Ofschoon de meeste ingezetenen van Grijpskerk bijna nooit een brand van nabij hebben gezien, daar het hier in lange jaren niet is voorgevallen, dat er een brand van eenige beteekenis is geweest, waren alle aanwezigen ijverig in de weer om het gevaar af te wenden en was men zeer voldaan over de werking van de brandspuit, die voor eenige jaren door het gemeentebestuur is aangekocht van den heer van Bergen te Heiligerlee. - Dat het onweêr hier in de buurt nog al hevig is geweest, blijkt ook daaruit, dat de houtzaagmolen van den heer Gaaikema te Gaarkeuken ook door den bliksem is getroffen, waardoor een der wieken is beschadigd, zonder evenwel brand te veroorzaken; terwijl men in de verte nog een watermolen zag afbranden, staande aan het trekdiep, ongeveer een uur van hier.

Naar de molen De Leeuw/De Kievit en De Fortuin heb ik nader onderzoek gedaan. Het onderzoek naar de derde molen, "de vrouwe Ida", staat nog op de "bucketlist".