Iman Willem Falck

samenvatting proefschrift Dr. Frits van Dulm

'Zonder eigen gewinne en glorie'

Mr. Iman Wilhelm Falck

(1736- 1785)

Gouverneur en directeur van Ceylon en Onderhorigheden

Samenvatting

Over Iman Wilhelm Falck schrijft Van Lohuizen in zijn proefschrift uit 1961 The Dutch East India Company and Mysore 'It is a pity that so far no biography of this remarkable Governor of Ceylon has been written'. Zijn uitdaging is met deze studie ingelost.

Dit proefschrift is niet een typische biografie, het reikt verder.

Bij het onderzoek stond centraal de vraag waarom Falck zo hoog aanzien genoot zowel tijdens zijn lange bestuursperiode als daarna. Noch schotschriften uit zijn tijd gericht tegen de VOC, noch de patriotten, noch latere historici doen afbreuk aan het positieve beeld zonder duidelijk aan te geven waarom. De VOC-historicus Stapel noemde hem in 1939 de laatste groote figuur der Compagnie; anderen merkten in de negentiende eeuw zelfs op dat hij de Compagnie had kunnen redden.

Falck bleek onkreukbaar en genoot steeds groot respect in Batavia, Patria, Kandy en India. Het meest opmerkelijke was zijn politiek-strategisch handelen dat sterk afweek van dat van zijn tijdgenoten en vele voorgangers. Zijn inzet `zonder eigen gewinne en glorie' heeft er mede toe bijgedragen dat, ondanks het gunstige beeld, zijn werkelijke aard en handelen onbekend zijn gebleven.

Er wordt in het proefschrift uitgebreid aandacht besteed aan de ontwikkelingen in geheel Voor-Indië. Falcks netwerken worden ontrafeld; de Vaderlandse elite waaronder hij verkeerde in Patria en Azië is, voor zover relevant in kaart gebracht via de prosopografische onderzoeksmethodiek. Er wordt ook een beeld geschetst van het patronagesysteem dat kenmerkend was voor zijn tijd. Tevens geeft het analyseren van het handelen van de gekwalificeerde dienaren in het bijzonder de raden en extraordinaris raden van de Compagnie in Azië, de Prins, zijn regering en de bewindhebbers, nieuw inzicht in de machtsverhoudingen.

Iman werd geboren in Colombo als zoon van het jong gestorven opperhoofd van de Zuid-Ceylonese vesting Matara, mr. Frans Willem Falck en Adriana Gobius, dochter van een gouverneur van Malakka. De familie Falck was afkomstig uit OostFriesland en behoorde tot een oud geslacht van landjonkers. Zijn grootvader had zich met zijn gezin in Utrecht gevestigd na een militaire carrière en problemen met de Staten in Bremen. Zijn vrouw behoorde tot een vooraanstaande Keulse familie die gelieerd was geraakt aan een aantal Utrechtse regenten. De betrokkenheid bij een financieel schandaal leidde er toe dat het merendeel van de kinderen hun heil moesten gaan zoeken bij de VOC, het Staatse leger en 's Lands vloot. Nadat de zonen genoeg fortuin hadden vergaard en de dochters gunstige huwelijken hadden gesloten, konden zij zich scharen onder de kringen van Utrechtse regenten waartoe zij zondermeer behoorden.

Op jonge leeftijd vertrok Iman als halfwees naar zijn grootmoeder in Utrecht. Hij bezocht met regentenzonen de Latijnse school en de Utrechtse universiteit alwaar hij promoveerde in het Hollands-Romeins en het canoniek recht. Gelet op zijn afkomst, relaties, vermogen en intelligentie lag een functie in de advocatuur voor de hand als opstap naar een plaats in de vroedschap of ander bestuursorgaan. Hij had echter zijn moeder beloofd terug te keren naar Azië. Het werd Batavia waar zij woonachtig was. Met zijn dierbare neef Otto Willem monsterde hij daarom aan bij de VOC waar hij een aanstelling kreeg als onderkoopman. Na aankomst in Batavia maakte hij snel promotie mede dankzij de steun van zijn machtige patroon Thomas Hope, representant van prins Willem V bij de Heren XVII. De protectie van achtereenvolgens de Gouverneurs-Generaal Mossel en Van de Parra hielp hem verder op weg. In 1765 werd hij op 28-jarige leeftijd bij meerderheid van stemmen aangesteld tot gouverneur van Ceylon en vervolgens benoemd door de Prins. Op het eiland wist hij binnen een jaar op kundige wijze een einde te maken aan de lang slepende en geldverslindende oorlog tegen de koning van Kandy. De Compagnie beschikte na een uitermate gunstig vredestraktaat over de volledige soevereiniteit over het al door haar beheerste grondgebied en kreeg een smalle kuststrook langs het hele eiland onder haar gezag. Tot het uitbreken van de vijandelijkheden in de loop van 1781 als gevolg van de Vierde Engelse Oorlog heerste er een grote mate van rust op het eiland en was Kandy min of meer ingekapseld.

Falck werd alom gerespecteerd, was wars van schraapzucht, stelde zich pragmatisch op en toonde een grote mate van rechtvaardigheid en medemenselijkheid. Hij werd in zijn beleid gesteund door de leden van de Raad van Ceylon in het bijzonder door zijn vertrouwelingen Moens, Van de Graaff, Van Angelbeek en De Cock.

Zijn blik was niet alleen gericht op Ceylon; formeel oefende hij ook zijn gezag uit over de Onderhorigheden, enige vestigingen aan de uiterste zuidkust van India. Hij was daardoor nauw betrokken bij de politieke ontwikkelingen in geheel Zuid-India en adviseerde de Compagniesbestuurders in Cochin, Negapatnam en Surat, en werd door hen geconsulteerd. Zijn optreden werd ook formeel gesanctioneerd door Batavia. Vanuit Ceylon werden er bijna permanent militaire eenheden gestationeerd.

Het Indiase subcontinent was chaotisch geworden na het uiteenvallen van het Rijk van de Groot-Mogol en nog meer na de overwinning van de Britten in 1757 in Bengalen. Er ontstond een langdurige machtsstrijd tussen de Britten, de Fransen en de machtigste Zuid-Indiase vorsten. De politieke strategie van Falck was erop gericht alle partijen op een veilige afstand van Ceylon te houden. De Britten en Fransen hadden het vooral voorzien op de meest strategische haven in de regio, Trincomalee. Het was van het grootste belang dat de machtigste partijen elkaar in evenwicht hielden. Falck merkte in een uitgebreide uiteenzetting van zijn beleid aan het begin van zijn bestuursperiode op dat de Compagnie op Ceylon nimmer in staat zou zijn zich te verdedigen tegen een machtige buitenlandse vijand en tegelijkertijd in staat was Kandy blijvend te isoleren. Zijn politieke en militaire strategie kon alleen slagen door het sluiten van verdragen of het aangaan van bondgenootschappen met een van de machtige partijen in India. Dit stond haaks op de strikte neutraliteitspolitiek van de Republiek welke stipt werd nageleefd en onderschreven door de Hoge Regering in Batavia. Hoewel Falcks zienswijze politiek niet werd onderschreven, maar wel werd gesteund door zijn vertrouwelingen die in Zuid-India waren geplaatst, kreeg hij hier voor geleidelijk aan meer steun. Door omstandigheden leidde zijn handelen niet tot werkelijke verdragen en bondgenootschappen. Aan de steun van de gevreesde Haider Ali, sultan van Mysore was het te danken dat niet alle bezittingen van de VOC in Zuid-India tijdens de Vierde Engelse Oorlog door de Britten werden overrompeld.

Door het optreden van het Franse eskader in Azië onder de tactisch sterke vice-admiraal De Suffren bleef Ceylon gespaard en kon Trincomalee binnen een jaar op de Britten worden heroverd.

Het aanzien van Falck was groot in Patria; in 1783 ontving hij bericht dat de Prins hem in 1781 had benoemd tot directeur-generaal in Batavia. In Den Haag speelde men zelfs met de gedachte hem te benoemen tot Gouverneur-Generaal buiten de Hoge Regering om. Hij bedankte voor de eer omdat hij zwaar teleurgesteld was in het uitblijven van daadwerkelijke steun uit de Republiek tijdens de oorlog in de vorm van een eskader van de Staats vloot; hij was zowel geestelijk als lichamelijk uitgeput en vond dat een jongere geest de functie beter zou kunnen vervullen. Hij bleef strijdvaardig tot het laatst gelet op zijn krachtdadige opstelling ten aanzien van het vrijgeven van Trincomalee door de Fransen.

De eerste advocaat van de Compagnie, mr. F.W. Boers merkte naar aanleiding van Falcks overlijden begin 1785 op tegenover de afgevaardigden in de StatenGeneraal dat `men van de kragten van zijn geest, en van het uitstekende van zijn vernuft, aan de Maatschappij nog zoveel goeds beloofde'.

titelblad samenvatting proefschrift Van Dulm