Kollum

buitenverblijf Nijenburgh te Kollum

gravure van Nijenburgh

In de Oudheidkundige plaatsbeschrijving van de gemeente Kollumerland en Nieuwkruisland vertelt Andreae op pp. 133-136 over Nijenburgh:

Ongeveer tachtig jaren later [1780] was de voormalige standplaats van Jeppemastate het eigendom van Willem Livius van Bouricius, die aldaar een buitenverblijf stichtte, dat den naam van Nijenburgh ontving (aantekening: Op eene arbeiderswoning, die hier bij behoorde en in 1883 is afgebroken, werd het jaartal 1775 in de muurankers gelezen).

Bouricius was in zeedienst en huwde in 1779 met Cecilia, zuster van den grietman Martinus van Scheltinga. Na veertien jaren gehuwd te zijn geweest, kwam hij in Maart 1793 ongelukkig om te leven. [Hierna volgt een beschrijving van de scheepsramp met de hulk "de Dwinger"].

De weduwe van Bouricius bewoonde Nijenburgh tot omstreeks 1840, toen L.G.A. Graaf van Limburg Stirum gehuwd met Cecilia Johanna van Scheltinga het huis betrok, welke laatste het vervolgens erfde van hare tante Bouricius, die in 1848 te Leeuwarden overleed.

Het werd later door den heer Bonifacius Hendrik van der Haer, daarna door Mr. Bernardus Hopperus Buma, vroeger burgemeester dezer gemeente, bewoond.

In het najaar van 1875 werd het huis op afbraak verkocht en de singels en tuin in land herschapen.

De heer J. Scheffer uit Winsum (Fr) stuurde me uit zijn collectie twee bijzonder fraaie en zeldzame foto's van Nijenburgh en gaf toestemming tot publicatie op deze site. Ze zijn kort voor de afbraak genomen, de eerste foto van de voor-, de andere van de achterkant, en zijn afkomstig uit de privé-collectie van Mr. W.W. Hopperus Buma te Warnsvelt.

De voorkant van Nijenburgh

De achterkant van Nijenburgh

Wie de man op deze foto is, is niet bekend. Er lijkt ook een vrouw te staan achter het raam vlak erboven.

Op de Eekhoff-kaart van ongeveer 1850 staat Nijenburgh duidelijk aangegeven.

Nijenburgh op de Eekhoffkaart van 1850

In het boek "Noordelijk Oostergo Kollumerland en Nieuw Kruisland schrijft Herma M. van den Berg op pagina 74 onder meer het volgende over Nijenburgh:

Tot 1875 heeft westelijk van het terrein van Tademastins het landhuis Nijenburgh gestaan op een terrein, waarop voorheen Jeppema State gestaan had. [...]A. Martin tekende het huis wellicht kort voor de afbraak. Het onderkelderde huis is zeven traveeën breed en heeft een middenrisaliet [een risaliet is een deel van de voorgevel dat vooruitspringt, minstens een venster breed en over de gehele hoogte doorlopend] van drie traveeën, waarin de ingang staat en dat wordt afgesloten door een tympaan [een timpaan is een driehoekig bovenstuk van de voor- en achtergevel, beneden afgesloten door het horizontale balkwerk dat op de zuilen rust, terwijl de opstaande zijden gevormd worden door de randen van het dak] naar laat 18-eeuwse smaak. Terzijde lage dienstvleugels met een geornamenteerde houten borstwering voor de kap. Potter prees in 1808 'het schone landhuis Bouricius'. De kadastrale minute geeft een rechthoekig terrein, 500 m diep, dat van de weg naar Oudwoude tot aan de Trekvaart reikte. Het terrein is omsloten door een, waarschijnlijk met bomen beplante weg, waarbinnen een gracht loopt, die het park van ruim 300 m omgrenst. Het huis ligt vrij dicht aan de weg. Daarachter wordt een smalle rechthoekige vijver getekend en in de hartlijn van het huis vormt de gracht een kom. Op enige afstand van het huis lag een smalle vijver over de breedte van het terrein, die met de kom achteraan op een formele tuinaanleg wijst. Achter de smalle vijver zal in een latere fase de onregelmatige vijver en de heuvel erachter gemaakt zijn, toen romantische landschapstuinen in zwang raakten, mogelijk eerst na 1840.

In 1832 zijn de kadastrale percelen D93 (huis en erf; 32 roeden 70 ellen) en D94 (tuin en vijver; 106 roeden) in het bezit van de weduwe Cecilia Johanna Bouricius-van Scheltinga. Zij overlijdt op 15 januari 1848 te Leeuwarden, 93 jaar oud. Haar nicht, ook Cecilia Johanna van Scheltinga (1801-1863) geheten, dochter van Martinus van Scheltinga en Catharina Louisa Antoinetta Anna barones du Tour van Bellinchave, in 1826 gehuwd met Louis Gaspard Adrien graaf van Limburg Stirum (1802-1884), erft het buiten. De graaf was grietman van Kollumerland van 1827 tot 1849. De eerdergenoemde Van Limburg Stirumweg is naar hem genoemd. Na het overlijden van zijn echtgenote Cecilia in 1863 bezit de graaf 1/4 van de vele bezittingen in Kollumerland; de overige 3/4 zijn van de zeven kinderen Otto Ernst Gelder, Martinus, Samuel John, Catharina Constancia Wilhelmina, Albertina Maria, Constantijn Willem en Cecilia Johanna.

Volgens een lijst van inwoners van Kollum van 1817 wonen de volgende mensen in het huis met nummer B17: mevrouw Bouricius ("rentenierske"), de grietman Frans Julius Johan van Scheltinga en Kaatje van der Zyl, eveneens rentenierster. Verder zijn van Kollum de lijsten van inwoners van 1821 tot en met 1846 bewaard gebleven. Van 1821 tot en met 1831 worden de weduwe Bouricius en Kaatje van der Zijl als bewoonsters van het huis B17 in de Laansterkluft genoemd, de laatste wisselend als kamenier, dienstmeid, gezelschapsjuffrouw. Vanaf 1832 tot en met 1838 is de weduwe de enige bewoonster, in 1839 en 1840 de dagloner Klaas E. de Vries en vanaf 1841 tot en met 1846 de grietman L.G. van Limburg Stirum.

De bevolkingsregisters van Kollum beginnen vanaf 1860, zodat niet bekend is wie er van 1847 tot 1860 op Nijenburgh woonden. Echter, andere bronnen geven enig uitsluitsel. Per september 1850 wordt de graaf Commissaris des Konings van de provincie Groningen. Volgens boekdeel 10, blad 185 verhuist hij kort daarop, op 29 december 1850, met echtgenote, vier kinderen (Otto, Catharina, Albertina en Cecilia), een gouvernante, vier vrouwelijke en drie mannelijke dienstboden van Kollumerland naar Groningen en gaat wonen op het adres Wijk K, Oude Boteringestraat 106. Kort daarvoor, op 22 november 1850, plaatst de eigenaar onderstaande advertentie in de Leeuwarder Courant:

Leeuwarder Courant van 22 november 1850

En op 24 april 1851 volgt een boelgoedverkoping:

Advertentie boelgoed op Nijenburgh in 1851

Begin 1852 voegen de drie andere kinderen (Martinus, Constantijn en Samuel) zich bij hen. Op 29 november 1852 wordt de graaf benoemd tot Commissaris des Konings van de provincie Gelderland: hij zal die functie lange tijd, van 1 januari 1853 tot 1 juni 1880, uitoefenen. Als gevolg van deze benoeming verhuist de graaf op 29 december 1852 naar Arnhem, op 23 februari 1853 gevolgd door het gezin, met uitzondering van de student Otto die op 11 juli 1856 naar Arnhem vertrekt.

We hebben gezien dat de graaf tot de afbraak in 1875 eigenaar van Nijenburgh is. Volgens Andreae hebben na de graaf achtereenvolgens Bonifacius Hendrik van der Haer en Bernhardus Hopperus Buma op Nijenburgh gewoond. Laten we daar eens naar kijken.

Op 25 november Anna Gerhardina Lewe van Nijenstein op een foto uit 18621859 vertrekt Bonifacius Hendrik van der Haer (1810-1860) met echtgenote Anna Gerhardina Lewe van Nijenstein (1813-1863) en zijn vijf kinderen Daniel Bonifacius (1837-1883), Anna Edzardina Wilhelmina (1838-1865), Scato Ludolph (1840-?), Rudolf (1843-1902) en Willem (1844-1886) van Kollum naar Leeuwarden (bevolkingsregister Leeuwarden 1848-1859, deel 10, blad 187). Op basis van wat Andreae schrijft, mogen we aannemen dat ze in Kollum op Nijenburgh hebben gewoond. Kort daarop, op 23 maart 1860 overlijdt vader Bonifacius. Zijn echtgenote (zie bijgaande foto uit 1862; met dank aan mevrouw Patricia Rueb-van der Haer) verhuist twee maanden daarna, op 5 mei, met haar vijf kinderen naar Groningen. Het gezin woont daar in wijk A, Oude Ebbingestraat 79a (bevolkingsregister van Groningen 1860-1870, blad 115). Op 14 september 1863 overlijdt "na Overlijdensadvertentie van Anna Gerhardina Lewe van Nijensteineen langdurig lijden" ook moeder Anna. Opvallend is dat dochter Anna in 1865 in Oudwoude overlijdt, terwijl -terecht- als woonplaats Groningen wordt aangegeven. Is ze op Nijenburgh overleden? En waarom daar?

Volgens blad 343 van het bevolkingsregister van Kollum komen op 1 december 1869 Bernhardus Hopperus Buma (1826-1892), zijn echtgenote Clara Tjallinga AEdonia van Eysinga (1823-1898), Anna Adriana Cornelia Sixma van Heemstra (dochter uit eerste huwelijk van de echtgenote; 1853-1903) en zoon Wiardus Willem Hopperus Buma (1865- 1934) te wonen in het huis met nummer B203 te Kollum. Het is (nog) de vraag of dit Nijenburgh is. In 1864 trouwde Hopperus Buma met zijn echtgenote, die in 1852 eerder was getrouwd met Cornelis Schelte Sixma van Heemstra (1826-1859). Een paar jaar daarvoor, op 25 januari 1862 werd hij benoemd tot burgemeester van Kollumerland; in 1872 deed hij volgens Andreae "afstand van zijne betrekking als burgemeester". Op 12 mei 1875 worden Hopperus Buma, zijn echtgenote en zoon Wiardus uitgeschreven vanwege vertrek naar Huizum.

In 1875 valt het doek voor het buitenverblijf:

Leeuwarder Courant 8 oktober 1878