Kollum

Voormalige smederij Voorstraat 15 (in bewerking)

Dit is een rijksmonument. Herma M. van den Berg besteedt in haar werk "De Monumenten van Geschiedenis en Kunst, Noordelijk Oostergo, Kollumerland en Nieuw Kruisland" op pagina 64 aandacht aan de smederij:

Voormalige smederij in een langgerekt pand, dat naast het woonhuis het bedrijfsgedeelte bevatte, dat naar achter uitgebouwd was. [...] Het pand is gedekt door een zadeldak tussen topgevels; die aan de oostzijde is nog in wezen met beitelingen langs de zijden en had enigetijd geleden nog een nokanker, waarvan 17 nog te lezen was en dat volgens bewoners het jaartal 1768 had gevormd.

Mw. van den Berg verwijst verder naar een tekening van Gardenier Visscher uit het einde van de 18e eeuw, waaruit blijkt dat op die plek toen waarschijnlijk een hoefsmederij stond met een travalje (= een houten constructie waarin het paard vastgezet kon worden om door de hoefsmid te worden beslagen).

Kollum in 1730

Voorstraat 15

Op pagina 33 van het boekje "Handel en ambachten, Kollum 1925-1975" staat:

De smederij van Beerstra op het west van de Voorstraat (nu niet meer als zodanig in functie) is vanaf het eind van de 18e eeuw eigendom van de familie Beerstra. Vier geslachten lang is hier het smidsvak van vader op zoon overgegaan. De laatste, die hier het ambacht uitoefende, Hielke Beerstra, werkte samen met zijn broers Louw en Niek tot ongeveer 1932 bij zijn vader Sake. Daarna namen de drie broers de zaak over.

HisGis_1832De eerste zin van bovenstaande tekst is onjuist, want raadpleging van het HisGis wijst uit dat eigenaar in 1832 een koopman uit Leeuwarden is, genaamd Johannes Looijenga. Het betreft de "gele" percelen A84 (huis en erf) en A84a (tuin). Het grijze gebouw rechts is de Maartenskerk. Looijenga heeft het pand op 27 maart 1824 voor ƒ 1.300 gekocht van grofsmid Abele Willems Dorenbos uit Kollum, gehuwd met Rinske Pieters Hoekstra. Het pand wordt omschreven als een grofsmederij met huis, tuin en bleek. De akte is verleden voor Andreas Lycklama, notaris te Kollum.

Johannes Lojenga (Bolsward 1783 - Leeuwarden 1849), zoon van vroedsman Reinder Frederiks Loyenga en Trijntje Hendriks, trouwt op 16 juni 1809 te Leeuwarden met Ypkje Jans Ypes (Leeuwarden 1785 - Leeuwarden 1853), dochter van Jan Ypes en Jayke Douwes. Het paar krijgt drie kinderen: Jaike (Leeuwarden 1810 - Leeuwarden 1888), Jan Ypes (Leeuwarden 1813 - Beverwijk 1894) en Abe Ypes (Leeuwarden 1816 - Leeuwarden 1816). Na het overlijden van vader Johannes wordt dochter Jaike, in 1831 gehuwd met koopman Salvus Posthumus, eigenares van de smederij. Het lijkt aannemelijk dat de Lojenga's de smederij hebben verhuurd.

Waarom heeft Dorenbos(ch) de smederij in 1824 verkocht? Bij zijn huwelijk in 1817 is hij grofsmidsknecht en bij de geboorte van zijn kinderen in 1819 (Pieter), 1821 (Sjoukje) en 1823 (Sjouke) wordt als beroep grofsmid vermeld. Echter bij de geboorte in 1826 (Sjouwkje) is hij potschipper. In hetzelfde jaar overlijdt hij als tapper, slechts 35 jaar oud, in het huis wijk A, nummer 150. Mogelijk heeft de verkoop te maken met een slechte gezondheid als gevolg van het zware smidswerk.

Maar aan welke smid verhuurde Lojenga het pand? Wie waren de grofsmeden rond 1825? In 1817 zijn dat Jan Luitjens Duursma, Otte Muller en Jan Johannes Faber. In 1825 wordt Otte Muller niet meer genoemd (waarschijnlijk naar Dokkum verhuisd waar hij in 1828 overlijdt) en wordt Hattum Jans Smedinga als grofsmid vermeld, die een jaar later, in 1826, in het huis genummerd wijk A nummer 83 te Kollum overlijdt. En dit is inderdaad "onze" smederij, want in de lijst der huizen in de buurt van Kollum 1844 is Johannes Lojenga eigenaar van perceel A84 met huisnummer 83. Sake L. (?) Beerstra is huurder. Sake Durks Beerstra heeft zich in 1829 met zijn gezin in Kollum gevestigd en zal Smedinga hebben opgevolgd. Resteert de vraag welke smid in de periode 1826-1829 het bedrijf uitoefende.

In 1854 verkoopt Jaike de smederij aan Sake Durks Beerstra. Sake (Beers, 10 april 1795 - Kollum, 24 december 1870), zoon van Durk Heeres en Tietje Sakes, trouwt op 22 juni 1820 in Tietjerksteradeel met Aafke Louws Louerman (Oenkerk, 29 januari 1790 - Kollum, 25 juli 1853), dochter van Louw Gerbens en Antje Valks. De geboorteplaats Beers zal vrijwel zeker ten grondslag liggen aan de achternaam Beerstra.

Het paar krijgt vijf kinderen: Durk (Oenkerk, 9 oktober 1820 - Kollum, 2 februari 1902), Antje (Tietjerk, 3 november 1822 - Kollum, 29 februari 1904), Tietje (Tietjerk, 11 juli 1825 - Kollum, 10 maart 1890), Louw (Tietjerk, 30 september 1827 - Kollum, 23 januari 1888) en Heere Beerstra (Kollum, 19 september 1834 - Kollum, 22 september 1834).

Omstreeks 1868 gaat de smederij over naar zoon Louw, die ook grofsmid is. Vader Sake is vruchtgebruiker. Louw is op 26 maart 1853 in Kollumerland getrouwd met dienstmeid Foekje Hendriks Stienstra/Steenstra (Stroobos, 31 oktober 1819 - Kollum, 2 december 1897), dochter van Hendrik Baukes Stienstra en Aukjen Jochums van der Veen. Het paar krijgt vier kinderen: Aafke (Kollum, 13 juni 1853 - Kollum, 11 juni 1923, ongehuwd), Aukje (Kollum, 10 juni 1855 - Kollum, 3 maart 1916), Saakje (Kollum 29 oktober 1857 - Kollum, 5 april 1926, ongehuwd) en Sake (Kollum, 14 augustus 1861- Kollum, 18 maart 1960).

Omstreeks 1892 wordt Sake (Louws) Beerstra samen met zijn kinderen eigenaar van de smederij. Hij is in

Abel Willems Dorenbos heeft op 14 oktober 1814 voor ƒ 2.057 het huis en de smederij gekocht van Jan Douwes van der Heide uit Kollum. De akte is verleden voor notaris Lourens Faber uit Kollum. Jan Douwes is op 3 maart 1776 in Kollum geboren. Op 13 mei 1798 trouwt hij daar met Trijntje Mennes uit Burum. Ze krijgen drie kinderen: Tjetske (1799), Anje (1801) en Douwe (1807). Bij alle drie huwelijken van de kinderen (in 1824, 1826 en 1831) is Jan Douwes koopman. Op 28 oktober 1835 overlijdt hij. Ik heb geen enkel bewijs gevonden dat hij smid was.

 

 

 

Hieronder een heel korte genealogie van de beide andere grofsmeden. Jan Luitjens Duursma (Kollum, doop 23 augustus 1761 - Kollum, 11 januari 1833), zoon van Luitjen Jans en Trijntje Johannes, trouwt op 27 mei 1792 met Stijntje Kornelis de Ruiter (Kollum, doop 13 november 1763 - Kollum, 22 juli 1844), dochter van Kornelis Andries. Twee jaar daarvóór biedt hij zijn smederij te koop aan. Jan Johannes Faber (Kollum, doop 24 maart 1758 - Kollum, 26 september 1843), zoon van Johannes Ietes en Grietje Jans. Blijft ongehuwd.