Kollum

de Kollumer kluften

Genealogen die allerlei kohieren van Kollumerland raadplegen, komen tot de ontdekking dat het gebied is verdeeld in kluften. Nergens anders in Friesland komt deze structuur voor. In de nabijgelegen provincie Groningen is de indeling in kluften echter een normale zaak. Het lijkt er dus op dat de Kollumer kluften een "exportproduct" zijn uit Groningen. Is dat zo?

Ja, dat is zo, en het antwoord op deze vraag wordt gegeven door Andreae in zijn boeken over de geschiedkundige en plaatsbeschrijving van Kollumerland en Nieuwkruisland.

In de 15e eeuw stonden de bewoners aan weerszijden van de grensrivier de Lauwers niet bepaald op goede voet met elkaar. Het werd zo erg dat de inwoners van Oostbroeksterland (ongeveer het latere Kollumerland) in het najaar van 1443 een verbond sloten met de stad Groningen "omme alle boesheyt ende quaet meer te verdrucken, ende ut den Lande to verdriven".

Helaas was er na afloop van die periode opnieuw sprake van een algemene onrust en de Kollumers riepen in 1463 opnieuw de hulp van de stad Groningen in. Enkele edelen, waarschijnlijk grietmannen, weigerden echter het verzoek te ondersteunen en de stad voelde aanvankelijk niets voor een hernieuwd verbond, "wetende, dat daar sulcke hardneckige coppen waren, die zonder harde middelen, dat is zonder leedt ende droefheid, niet konden bedwongen worden". Een herhaald verzoek leverde meer succes op en in 1467 werd een dertigjarig verbond gesloten (waarvan enkele dwarsliggers met name werden uitgesloten).

In die dertigjarige periode werd het gebied in kluften verdeeld, een verdeling die volgens Andreae nog in zijn tijd (het eind van de 19e eeuw) goed bekend was. De namen van de kluften waren:

  1. Laanster- en Luinsterkluft (westwaarts van het dorp Kollum)
  2. Torpmakluft (noordwaarts)
  3. Uiterdijksterkluft (oostwaarts)
  4. Kerkburenkluft (het dorp zelf)

In een Dijksregister van 1610 wordt daarnaast ook nog de Ausbuircluft genoemd.

In aantekening VIII op pagina 107 geeft Andreae bij benadering de grenzen van de kluften aan.

De Kerkburen-cluft omvat de geheele dorpsbuurt, doch t.o. tot aan Jumastate (nu Oostenstein), die tot de Torpmacluft behoorde, terwijl het laatste huis op het west, zuidzijde der straat, onder Uiterdijkstercluft gerekend werd.

De grenzen der andere cluften zijn naar gissing:

van de Laanster- en Luinstercluft: t.n. de zeedijk, t.w. de Sandwielendijk of de weg zuidwaarts tot aan de Zwadde, t.z. de Zwadde en de Zwaddesloot, t.o. de Kollumerryt;

van de Torpmacluft: t.n. de zeedijk, t.w. de Koll.ryt, t.o. de Raacksterweg en vervolgens naar de gemeentegrens, t.z. de gemeentegrens;

van de Uiterdijkstercluft: t.n. de zeedijk en de oude zeedijk t.z. van het N.-Kruisland, t.w. de Raacksterweg, t.z. de gemeentegrens en t.o. de Gruits.

Verder schrijft Andreae:

Opmerkelijk is het, dat alleen van Kollum en niet van de andere dorpen in Kollumerland van eene dusdanige verdeeling in cluften wordt melding gemaakt.

Even merkwaardig is het, dat deze verdeeling der cluften ook in Stem- en Floreencohieren wordt gevonden en de Kerkburen van Kollum daarin afzonderlijk aangegeven wordt, iets wat ons bij geen enkel ander dorp in dit gewest in de Stemcohieren is voorgekomen.