Kollum

volgens het Aardrijkskundig Woordenboek van Van der Aa (1843)

kollum, vlek, prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Kollumerland-en-Nieuw-Kruisland, arr. en 5 u. N.N.O. van Leeuwarden, kant. en 2½ u. Z.O. van Dockum, in een fraai en vruchtbaar oord.

Het heeft eene schoone, groote en digtbebouwde buurt, met aanzienlijke huizen en onderscheidene straten; de voornaamste of hoofdstraat loopt O. en W.; nagenoeg op de helft wordt zij doorsneden van een kanaal, dat van het Zuiden naar het Noorden loopt, en tot vaart en afleiding van het water naar de Nieuwezijlen dient. Men heeft er, ten Z. van het vlek, eenen puinweg, en ten W. eenen grindweg. Het vlek wordt verdeeld in vier deelen, kluften genaamd, welke zijn: de Laanster-en-Luynster-kluft, de Torpma-kluft, de Uiterdijkster-kluft en de Kerkburen-kluft. Men telt er, in de kom van het vlek, of de Kerkburen, 200 h. en 1600 inw., en in de vier kluften te zamen 339 h.1 en 2140 inw., die meest hun bestaan vinden in den landbouw, veeteelt, handel enz. Ook bestaan vele ingezetenen van de vischvangst; inzonderheid is de Kollumer-bot zeer bekend, die van hier naar onderscheidene andere plaatsen der provincie verzonden wordt. Men heeft er ten N.W., N. en O. zware milde klei en vele vruchtbare landerijen, behalve op het noordeinde bij de Oude-Kollumer-Zijl, alwaar zij slecht en laag van bodem zijn. Ten Z. en W. is er beste zandgrond. Voorts heeft men er 1 vellenblooterij, 1 looijerij, 1 lijnbaan, 1 rogge- en oliemolen. Eene cichorijfabrijk, welke hier vroeger bestond, is sedert weinige jaren vervallen, waardoor de aanzienlijke verbouw van dit artikel bijna geheel heeft opgehouden; een rogge- en pelmolen, welke in het vorige jaar (1843) is afgebrand, is nog niet herbouwd; voorts zijn er 1 wolkammerij en verwerij, 1 olie- en 1 mout- en korenmolen. De Kollumer-zijl heeft eene schoone uitwatering naar zee, en daardoor is er veel gelegenheid tot koophandel en zeevaart, welke hanteringen hier ook worden gedreven. Voorts heeft dit dorp twee jaarmarkten, waarvan de eene op den eersten Junij en de andere op den eersten September wordt gehouden, alsmede eenen paardenmarkt, op den 12 April, die vroeger sterk bezocht werd, doch waarop die van Leeuwarden eenen schadelijken invloed uitoefent. Er wordt hier ook veel handel gedreven op de Maandagsche weekmarkt, die vroeger reeds niet minder belangrijk was en hier eeneWaag heeft doen stichten.

De Herv., die hier 2130 in getal zijn, onder welke 250 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass. van Dockum, ring van Kollum behoort.

BogermanDe vader van den vermaarden Bogerman, den Voorzitter van het Dordsche synode, is hier R.K.Priester geweest en moest, wegens zijne Hervormde gevoelens, in 1567 de vlugt nemen naar Oost-Friesland, waar hij al spoedig te Opleeuwert in dienst werd gesteld. De eerste, die in deze gem. het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest, behalve gezegde bogerman, die, in Friesland teruggekeerd, voor eenigen tijd in de dienst hier voorzien heeft, dirk pieters, die hier in het jaar 1597 stond, en in het jaar 1601 zijne standplaats heeft verlaten, hetzij ten gevolge van eene verroeping naar Olde- en Nijehove, waar hij in 1602 stond, hetzij ten gevolge van een vonnis, bij het hof van Friesland tegen hem gewezen. Als iets zeldzaams verdient vermeld te worden, dat de Predikant johannes petrus bruinwold riedel, die den 1 Januarij 1844 Emeritus is geworden, en zijn voorganger anne abrahami, er te zamen ruim 119 jaren de dienst hebben waargenomen, zijnde in anderhalve eeuw de plaats slechts tweemalen vacant geweest. De kerk was vóór de Hervorming aan den H. Martinus toegewijd, die hier oudtijds grootelijks in eere werd gehouden. Het is een zeer ruim, helder en net gebouw, voor weinige jaren met groote glazen voorzien, en, hoewel vroeger in eenen eenigzins vervallen staat, thans uitmuntend onderhouden. Maartenskerk te KollumIn het jaar 1608 heeft men aan den noordkant een gedeelte aangebouwd, hetwelk de kleine kerk genoemd wordt, waardoor er twee zware pijlaren, in de plaats van de oude kerkmuur, aangebragt zijn, om het dak te ondersteunen; doch zij is voor de talrijke gemeente nog te klein. In 1841 heeft deze kerk een uitmuntend orgel gekregen, in plaats van het vervallene, dat even over de twee honderd jaren oud was. De kerk heeft drie ingangen, ééne ten Z. aan de straat, ééne ten O. het kooreinde en ééne ten N. Het dak is, even als dat van den toren, met leijen gedekt. Aan de kerk is eene fraaije naaldtoren verbonden, met eene zeer lange spits voorzien, welke onder de hoogste torens van Friesland gerekend wordt. De spits geraakte in het jaar 1660 of 1661 door een onweder in brand, en werd alzoo, tot op de zijmuren, afgeworpen, doch is kort daarna weder opgebouwd. De toren is met een uur- en slagwerk voorzien en heeft twee klokken, waarvan de grootste twee duizend Ned. ponden weegt.

De Doopsgezinden, welke men er aantreft, worden tot de gem. van Zwaag-Westeinde gerekend. Het gebouw, dat vroeger tot Doopsgezinde kerk diende, is vóór weinige jaren verkocht, en in een partikulier huis, waarvan het voorheen uitwendig reeds veel had, vernaderd.

De Roomsch Katholijken, van welke men er 10 heeft, onder welke 6 Communikanten, behooren tot de stat. van Dockum.

Er bestaat te Kollum een, in 1838 gebouwd Armhuis, hoewel geen dadelijk Weeshuis, waarin 50 kinderen beneden de achttien jaren, en 54 boven dien leeftijd verpleegd worden, ook is er Gasthuis of Hofje, waarin 6 oude lieden, die lidmaten van de Hervormde kerk zijn, worden opgenomen. Er is mede eene Latijnsche school geweest, welke hier, zoo niet reeds eerder, ten minste spoedig na de Hervorming bestond, en waar, door den Predikant der plaats, onderwijs gegeven werd. In de zeventiende eeuw treffen wij hier eenen Rectoren en eenen Conrector aan, onderscheiden van den toenmaligen Predikant, doch naderhand zijn die betrekkingen aan den tijdelijken Predikant opgedragen. Thans echter is deze school opgeheven. Buitendien zijn er nog twee scholen, als: eene dorpschool aan het Oosteinde van de buurt, met 105 leerlingen, en eene school aan het Westeinde, waar in 1845 een nieuw schoolgebouw gesticht is, in plaats van een, dat voor weinige jaren nieuw gebouwd was, doch veel te klein werd bevonden. Deze laatste school werd bezocht door 120 kinderen.

Weleer bestond benoorden dit vlek, aan het Dockumer-diep, het Huis-ter-Luine, een sterk kasteel, waarvan nu alleen de naam overig was. Voorts lagen hier vele oude adellijke staten als: Bootsma, Sjoerda, Tadema, Haijema, Feitsma, Riddersma, Jeltinga, Groot-en-Klein-Buma, Melkama, enz.

De heer Etzo de Wendt, in leven Grietman van West-Dongeradeel, die onderscheidene jaren in dienst der Oost-Indische Kompagnie, vele aanzienlijke posten had waargenomen, heeft aan zijne geboorteplaats kollum veel goeds gedaan, door het aanmoedigen van allerlei arbeid, het verzorgen der armen enz. Ook heeft hij hier eene fraaije buitenplaats aangelegd, Oostenburg genaamd, ter plaatse, waar thans het armenhuis staat. Voorts heeft men hier een fraai buitengoed, Nijenburg genaamd. Ook heeft men er eene wandelplaats in de regte laan, die tusschen de landen, van den Heerde wendt afkomstig, doorloopt en ruim ¼ u. lang is. Vóór het jaar 1836 waren er vele zulke wandelplaatsen te Kollum, welke echter, sedert dien tijd, tot teel- en weiland gemaakt zijn.

Te Kollum leefde, in 1777, zekere landman, eelke meinderts, die zich als een niet onverdienstelijk Dichter, in de Nederduitsche en Friesche volkstaal, heeft doen kennen; hij werd geboren in 1732 en † den 25 October 1810.

In de Spaansche oorlogen, vooral na den afval van rennenberg, had deze plaats veel te lijden, waarom ook Graaf willem lodewijk, Stadhouder van Friesland, en de Gedeputeerden te velde, hier hunne zitplaats hadden, om naauwkeurig op den oorlog toe te zien, dien men in de Ommelanden eerst tegen rennenberg, en toen tegen verdugo voeren moest.

In 1625 had hier eene hevige opschudding plaats tegen de nieuwe belastingen, welke door de Schutterij van Leeuwarden gestuit werd, nadat de misnoegden in Buitenpost twee huizen hadden geplunderd.

In 1797 werd in dit dorp moedwillig brand gesticht, waardoor de helft der huizen, in de asch gelegd werden.

In een aanhangsel voegt Van der Aa nog het volgende over Kollum toe: kadast. gem., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Kollumerland-en-Nieuw-Kruisland, arr. Leeuwarden, kant. Dockum, bevattende het vlek Kollum, met haar behoor, en eene oppervlakte bestaande van 2156 bund. 57 v.r. 51 v. ell.2, waaronder 2109 bund. 93 v.r. 59 v.ell. belastbaar land.

1 Huizen.

2 Het gaat hier om de oppervlaktematen bunder, vierkante roede en vierkante el. In 1843 kwamen deze overeen met resp. hectare, are en centiare. De oppervlakte van de gemeente Kollum was destijds dus 2156 ha 57 are 51 ca.