"De Roskam" in Kollum

de eigenaren

De Roskam is van oudsher een zogenaamd floreenplichtig pand, belast met twee floreen, geregistreerd onder nummer 79 in de kerkbuurt van Kollum. Dank zij deze belastingmaatregel is het mogelijk het eigendom te achterhalen over een periode van ruim twee eeuwen, namelijk van 1648 tot 1860. Het pand wordt vanaf 1708 omschreven als "huis en schuur".

jaar eigenaren gebruikers
1640 Jan Botes Bakker
1698 Albert Jans
1708 Douwe Auckes cum uxore1 voor de helft en Hebeltie Alberts usufructuaris2 voor de andere helft Jan Simons cum uxore
1718 nummer 79 ontbreekt
1728 Rinse Wytses nomine uxoris eigenaar
1738 Clara Douwes (=de weduwe van Rinse Wytses) eigenaar
1748 Clara Douwes eigenaar
1758 Jouke Keimpes nomine uxoris et cum soc:3 eigenaar
1768 Sjoek Jans eigenaar
1778 Sjoek Jans eigenaar
1788 Sjoek Jans eigenaar
1798 De weduwe van Sjoek Jans (Dirkje of Durkje Johannes) eigenaar
1818 Geertje Meinardi, weduwe van Johs Valks eigenaar
1828 Geertje Meinardi (2/3), Sybren en Eelkje Johs (1/3) eigenaar
1838 Geertje Meinardi (2/3), Sybren en Eelkje Johs (1/3) weduwe A. Zuidema
1850 Hendrikus Eskes (1/3), Hermannus Klugkist Hesse (1/3) en Daniel Hermannus Andreae (1/3) Heerke Westra
1860 Hendrikus Eskes (1/3), Hermannus Klugkist Hesse (1/3) en Daniel Hermannus Andreae (1/3) Heerke Westra

1 cum uxore betekent: met zijn echtgenote; nomine uxoris betekent: uit naam van zijn echtgenote

2 usufructuaris betekent: erfgename t.a.v. het vruchtgebruik

3 cum sociis betekent: met zijn medestanders

Eigenaren vóór 1764

Volgens het floreenkohier van 1748 is Clara Douwes eigenaar. Zij is omstreeks 1700 geboren en trouwt achtereenvolgens met Rinse Wytzes (1722) en Jan Hendriks (1735), beide keren te Kollum. Bij de quotisatie van 1749 wordt ze aangemerkt als "redelijk begoedigt" en is ook haar tweede man overleden. Ze overlijdt op 23 september 1761, kinderloos; erfgenamen zijn volgens de collaterale successie de nog in leven zijnde kinderen van haar broer Johannes en haar zuster Fetje Douwes (Stellingwerf). Vermoedelijk is Douwe Aukes hun vader, in 1708 eigenaar van de herberg. Moeder is volgens diverse websites Aukje Johannes Allesheil.

Bij akte van 12 februari 1749 (inv.nr. 113, blad 106) verkoopt Clara de "heerlijke huisinge en schuire [...] zijnde een herebergh" voor 1.600 carolusguldens en 10 gouden dukaten aan de Kollumer koopman Sipke Harkes en zijn vrouw Hiske Jacobs. De herberg wordt door de verkoopster bewoond en gebruikt. Echter, de distillateur Douwe Johannes Stellingwerf doet op basis van bloedverwantschap (ratione sanguinis) een beroep op het niaarrecht en met succes. Hij is namelijk zoon van haar broer, de executeur Johannes Douwes.

Kort daarop, bij akte van 23 april 1750 (inv.nr. 113, blad 135) verkoopt hij de helft voor 800 carolusguldens en vijf gouden dukaten aan Aafke Geldts. De andere helft houdt hij in zijn bezit. Waarom eigenlijk? Vóór 1761 is die helft in het bezit van de Dokkumer koopman Freerk Jans Minnema, maar daarvan heb ik geen akte kunnen vinden.

Douwe Johannes is op 11 maart 1725 te Kollum gedoopt als zoon van de executeur Johannes Douwes. Hij trouwt in 1746 met Trijntje Jans uit Ternaard. Volgens de speciekohieren van de Kerkeburen van Kollum (nummer 171) is hij in 1756 "verstorven". In 1758 hertrouwt de weduwe met Aan (Arent) Gjalts, afkomstig van Nes (Ameland).

Aafke Gelts Jeltema trouwt drie keer: in 1718 met Ruurd Douwes Birsema uit Leek, in 1727 met Klaas Aukes Poutsma en in 1752 met Jouke Keimpes, de beide laatsten uit Kollum. In 1750 koopt zij als huisvrouw van de "innocente" Kollumer brouwer Klaas Aukes de helft van de herberg. Op dat tijdstip is Geldt Ruurds, een zoon uit haar eerste huwelijk, huurder van die helft. Ook deze zoon is brouwer. Volgens de speciekohieren woont hij in 1751 en 1752 in nummer 112 (waarschijnlijk is dit de herberg); zijn moeder woont op nummer 118. In 1753, dus na het huwelijk van Aafke met Jouke Keimpes, verwisselen beide van nummer.

Bij akte van 26 april 1758 zijn Jouke Keimpes, mr. wagenmaker te Kollum, en Aafke Gelts 200 carolusguldens schuldig aan het Kollumer jeneverstokersechtpaar Govert Backerus en Hinke Allerts. Nog hetzelfde jaar, bij akte van 12 december 1758 hebben ze 330 carolusguldens schuld aan Jan Idsardi als curator van Johanna Douwes voor de ene helft en aan Trijntje Jans voor de andere helft, voor geleverde jenever en ander gedistilleerd. De eerste is een dochter, de tweede de weduwe van eerdergenoemde eigenaar Douwe Johannes Stellingwerf.

Volgens de speciekohieren overlijdt Jouke Keimpes in 1759. Een paar jaar daarna, bij akte van 16 april 1761 (inv.nr. 113, blad 304) verkoopt de weduwe haar helft voor 536 carolusguldens en 11 stuivers aan het al genoemde echtpaar Govert Backerus en Henke Alderts. De eigenaar van de andere helft, Freerk Jans Minnema, doet echter met succes een beroep op het niaarrecht op grond van gemeenschappelijk eigendom (ratione communionis). De herberg krijgt dan weer één eigenaar.

Freerk Jans Minnema trouwt in 1736 in Schoterland met de Heerenveense Trijntje Folkerts. In de quotisatie van 1749 wordt hij aangemerkt met de term "rijkelijke kostwinning", het gaat hem dus goed. Hij overlijdt echter vóór 19 mei 1762, want dan verschijnt onderstaande advertentie in de Leeuwarder Courant.

Leeuwarder Courant van 19 mei 1762

In 1764 zet de weduwe de herberg te koop.

Eigenaren vanaf 1764