Eyso de Wendt

het armhuis

De grietenij Kollumerland verwerft bij de publieke verkoop van begin 1836 de percelen in de directe omgeving van Oostenburg. Nog datzelfde jaar worden Oostenburg, de Steenen Berg en het zomerhuis afgebroken.

LC_18370324 LC_18371006
Leeuwarder Courant, 24 maart 1837
Leeuwarder Courant, 6 oktober 1837

In de memorie van toelichting op de begroting van 1837 voor het dorp Kollum staat dat van het door de erfgenamen geschonken bedrag van ƒ10.000 nog een bedrag resteert van ƒ6.884,95. De aankoop van de grond kostte ƒ1.875; de aankoop van de kelders, drie regenbakken, twee putten en de buitenfundamenten van de afgebroken plaats ƒ1.000; aan diverse onkosten is ƒ240,05 betaald.

Op de fundamenten bouwt de grietenij Kollumerland in 1838 het nieuwe armhuis. In 1919 vond men tijdens herstelwerkzaamheden een briefje achter een van de schoorstenen van het armhuis, waarop het volgende stond te lezen: "In het jaar 1838 is dit werkhuis gemaakt door L.A. van der Sluis van de Gorredijk". Het betreft hier Luitzen Alles van der Sluis; hij zou tamelijk kort na de bouw van het armhuis in mei 1840 te Gorredijk overlijden. Dat men zeer tevreden was over zijn werkzaamheden valt te lezen in de memorie van toelichting bij de begroting van 1839:

Het arme huis te Kollum is tot genoegen door de aannemer Luitjen Alles vde Sluis afgedaan, zonder de geringste onaangename ontmoeting of vertraging.

In dezelfde memorie van toelichting staat een begroting van de meubelen en werktuigen in het huis, wat een aardig idee geeft over de inrichting van het gebouw:

1. De vaderskamer ƒ  100
2. De administratorenkamer 40
3. Oudelieden kamer 50
4. De ziekenkamer 30
5. Voor benodigdheden der werkzaal 300
6. Van de eetzaal 80
Keuken en verdere gereedschappen 100
50 slaapbanken voor 2 personen tegen 20 gulden het bed en beddegoederen 1.000

Oostenburg in 1900

Oostenburg anno 1900 met links de braakschuur

Dat het armhuis ongeveer in dezelfde stijl is herbouwd, blijkt uit de vergelijking met de tekening van Oostenburg. Belangrijkste verandering is dat de entree naar de zuidelijke zijkant wordt verplaatst.

Oostenburg

Herma M. van den Berg geeft in Noordelijk Oostergo (Kollumerland en Nieuw Kruisland) een beschrijving van de architectuur van het armhuis en het in de jaren 80 gerestaureerde gebouw.

"Het eenvoudige gebouw dankte zijn monumentaliteit vooral aan het evenwichtige metrum van vensters in de voorgevel van het fraai geproportioneerde bouwblok. Maar liefst tien vensters met de oorspronkelijke roedeverdelingen gaven het gebouw een evenwichtig, maar levendig uiterlijk. Bovendien bezat het voorschild van de hoge kap twee grote kajuiten en de zijschilden ook zo'n kajuit.

Bij de onlangs uitgevoerde restauratie is gepoogd om de glorie van het buiten Oostenburg te doen herrijzen. In de plaats van de twee middelste vensters in het midden van de voorgevel werd een monumentale ingang aangebracht, die sterk doet denken aan die van het oude Oostenburg, dat we van oude tekeningen kennen, maar die er in details toch van afwijkt. Voor het souterrain is ook weer een tweezijdige trap aangebracht en de ingangspartij werd voor het voorschild van het dak uitgebouwd tot een kajuit. De schilderachtige aanbouwen aan de achterzijde werden, op de vleugel aan de zuidwestzijde na, gesloopt. De achtergevel vertoont nu een strenge, fraaie geleding van twee vensters, een deur, vervolgens vijf vensters, een deur en tenslotte weer twee vensters. De aardigste details die Eyso de Wendt zijn Oostenburg had gegeven, de scheepjes als windwijzerbekroningen op alle schoorsteenborden, zijn niet teruggebracht. Het waren sprekende herinneringen van de Oost-Indiëvaarder geweest. Het is te hopen dat de ruimte die ten zuiden van Oostenburg vrijgekomen is tengevolge van de te betreuren sloop van de laatste braakschuur van Kollumerland, nu gebruikt gaat worden voor een behoorlijke beplanting, want het buiten Oostenburg is wel erg eng in de bebouwing terecht gekomen".

Oostenburg in 1989

Het is niet eenvoudig om uit de kadastrale gegevens van het voormalige Oostenburg het latere arm- of werkhuis te vinden, maar in het floreenkohier van 1860 zien we dat het dorp Kollum op nummer Lk105 eigenaar en gebruiker is van de kadastrale percelen D615 en D616, samen groot 1 bunder 19 roeden en 70 ellen, waarop 20 stuivers floreen wordt "geschoten". En inderdaad vinden we in de kadastrale legger 142 onder de artikelen 11 en 12 resp. een tuin onder nummer D615 (grootte 1 bunder 12 roeden en 20 ellen) en een werkhuis onder nummer D616 (7 roeden en 50 ellen). Het huis wordt aangeduid als liggende in wijk B, nummer 1.

Tot zover de architectuur, de indeling en de ligging. In de eerdergenoemde memorie van toelichting bij de begroting van 1839 staan echter nog enkele andere interessante zaken:

Men stelt zich voor, aanvankelijk, de armen van een goed gedrag niet dadelijk met de kleederen uit het huis te kleeden, maar hun eigen voor eerst te laten behouden. De zoodanigen die er zeer behoeftig uitzien te kleeden met de kleederen uit het huis, hunne eigene te reinigen en te herstellen -zoo verre die daarvoor vatbaar zijn en die bij vertrek aan den eigenaar, als dit te pas komt, weder af te geven-. De lijfdracht voor elk persoon, zoo mannen als vrouwen, is door elkanderen berekend, nagenoeg op vierentwintig guldens, onzeker hoe velen er moeten gekleed worden, moeten evenwel de kleedingstukken of wel de stoffen daartoe, voor p.m. tweederde der armen voorhanden zijn, waarom deze somma is geraamd op tweeduizend gulden.

Ook met het oog op de eerdergenoemde 50 slaapbanken voor twee personen rekende men blijkbaar op 100 behoeftigen. Aanvankelijk valt het aantal tegen want in de memorie van toelichting bij de begroting van 1840 lezen we:

Het armhuis heeft tot hiertoe maar 66 armen opgenomen, dit getal moet zeker tot boven de 100 personen opklimmen, daarenboven heeft het dorp Kollum in de nabijheid woudachtige bouwlanden en veel grasland, derhalven een oord alwaar minder werk word gevonden dan in kleistreken, waar veel werk op het bouwland is, alwaarom er eene speling van contanten voor aankoop van vlas en landhuren noodig wordt geacht, om op eene andere wijze werk te verschaffen, hetwelk beter belooning aanbrengt dan een fabriekarbeid door lieden die daartoe niet opgeleid zijn in de jeugd.

De behoefte aan opslag van vooral vlas deed zich hoe langer hoe meer voelen, zodat in 1854 het besluit werd genomen tot het timmeren van een schuur bij het armhuis. Deze schuur stond in Kollum bekend als braakschuur, dat waarschijnlijk zijn naam heeft ontleend aan het braken (kneuzen van de stengels) van het vlas.

In het Aardrijkskundig woordenboek schrijft Abraham Jacob van der Aa in 1845:

Er bestaat te Kollum een, in 1838 gebouwd, Armhuis, hoewel geen dadelijk Weeshuis, waarin 50 kinderen beneden de achttien jaren, en 54 boven dien leeftijd verpleegd worden.

Volgens Andreae bevat het gebouw 7 vertrekken en telt het 41 bewoners, terwijl de inrichting in dat jaar belangrijk is verbeterd.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) werden in het armhuis Belgische vluchtelingen ondergebracht.

Belgische vluchtelingen in het armhuis in de Eerste Wereldoorlog

Bron: de familie Koopmans uit Veenklooster

De Duitse Wehrmacht is er in 1944 en 1945 ingetrokken. Na de oorlog diende het nog even als noodhospitaal voor de NBS, maar daarna woonden er vanwege de heersende woningnood verschillende gezinnen. De Christelijke Technische School heeft er noodlokalen gehad, van 1959 tot 1968 heeft het tot sociale werkplaats gediend en sinds 1970 is het het onderkomen van het gemeentelijk sociaal-cultureel werk. In 1983 wordt het gebouw gerestaureerd.

restauratie Oostenburg in 1989