Kollum

Meckama-gasthuis of "de 7 kamers"

Dit gasthuis wordt dooor notaris Andreae beschreven op pagina 106 van de plaatsbeschrijving van Kollum. Hij vertelt dat in de Gasthuisstraat tussen de Eskesstraat en de Putstraat een gasthuis stond:

Dit Gasthuis bestond nog in 1744 en werd toen het oude Gasthuis genoemd, in tegenstelling van het tegenwoordige of nieuwe Gasthuis, dat in het jaar 1692 door Lucia van Eysinga werd gesticht.

In den voorgevel van dit gebouw, staande in de Meckama-, tegenwoordig ook wel Gasthuisstraat genoemd, bevinden zich de wapens harer ouders: Eysinga en Roorda (au lambel), de initialen: L. v. E., het jaartal 1692 en de aanwijzing: "7 kamers", waarvan echter sedert eenige jaren slechts zes in gebruik zijn en het zevende tot bergplaats dient.

In 1744 bevonden zich 8 gealimenteerden in het Oude en 7 in het Nieuwe Gasthuis.

De stichteres legateerde bij testament van 21 Julij 1708 aan hare nicht Beatrix van Voss, de nabijgelegene Meckamastate "onder dese bewaarnisse dat voorschreven legatrice en haere successeurs alle jaaren zullen uitkeeren tot een legaat op alle Martini-dagen (= 11 november) uit de huuren van Meckama-state" eene door haar bepaalde som, zoowel voor het gebouw, als de bewoonsters, die daarin verblijf hielden. Ook maakte zij in haar testament eene beschikking ten voordeele van het Weeshuis te Kollum, met bezwaar, dat de Weesvoogden "alle weken aan iedere kamer in het Gasthuis een vierde part roggenbrood, met een weitenbolle behandigen" moesten.

Met de landerijen van Meckamastate ging ook dit Gasthuis op de nakomelingen der stichteres over, maar kwam in 1883 onder bescherming van de familie Andreae.

Ook Y. Douma besteedt in zijn boek "Uit het verleden en heden van Kollum" op pagina 81 en 82 aandacht aan het gasthuis. Hij schrijft dat Lisck of Lucia van Eysinga begaan was met het lot van onbemiddelde alleenstaande vrouwen, "die de grijze troosteloosheid van een somberen, eenzamen levensavond als een dreigende wolk boven 't hoofd hing". En:

In den voorgevel van het eenvoudige gebouw, dat -volgens mr. Andreae- voorheen beschilderde ruiten had, waarschijnlijk afkomstig van Meckema-state, bevinden zich de wapens van hare ouders Eysinga en Roorda, gedekt door een kroon,; waarboven de letters L. V. E.; onder de wapens staan: 16 - 92 en de aanduiding "7 kamers".

LC_19010726LC_27051902Douma legt ook uit hoe de overdracht van de verantwoordelijkheid van het gasthuis aan de familie Andreae in zijn werk is gegaan. Jan Albert van Heloma en zijn echtgenote Eduarda Gijsbertina Jacoba Martin zijn bij een acte van scheiding en deling van 23 november 1876 eigenaar geworden van de "Vosselanden", de weilanden gelegen ten noorden van Kollum en ten westen van de Zijlryt ofwel Kollumer trekvaart. De naam Vosselanden is ontleend aan Beatrix van Voss die in 1708 eigenaar van deze weilanden is geworden. Aan het eigendom van deze landen was echter ook het onderhoud van het gasthuis gekoppeld. De nieuwe eigenaren woonden in Arnhem en gingen graag in op het aanbod van notaris Andreae en zijn echtgenote om het beheer en het bestuur van het gasthuis over te nemen. De Andreae's ontvingen daartoe een eenmalig bedrag van ƒ 7.500 om de jaarlijkse som van ƒ 280 (= blijkbaar het equivalent van 200 goudguldens, genoemd in het testament van 1708) aan het gasthuis te betalen. Dit werd in november 1883 vastgelegd in een akte. Het muisje kreeg echter nog een staartje bij de publieke verkoop van de Vosselanden in 1901, waarbij de koppeling met het gasthuis dreigde te verdwijnen (LC 26 juli 1901).

Op verzoek van burgemeester Witteveen wordt het testament uit 1708 tevoorschijn getoverd, waaruit blijkt dat de predikant en de twee oudste diakenen verantwoordelijk zijn de besteding van de jaarlijkse som gelds voor het gasthuis. Deze nieuwe spelers in het veld protesteren tegen de aangekondigde verkoop, die daarop wordt uitgesteld. Uiteindelijk vinden partijen (de familie Van Heloma en de vertegenwoordigers van de kerk) elkaar in het afstand doen van 13 pondemaat van de Vosselanden dan wel betaling van ƒ 11.000. De kerk kiest voor het laatste; daarmee zijn de predikant en de twee oudste diakenen verantwoordelijk geworden voor het beheer en het bestuur van het gasthuis en is de familie Andreae niet meer in beeld. De Leeuwarder Courant (LC) doet hierover verslag in haar nummer van 27 mei 1902.

Lucia (Luts) van Eysinga is op 16 juli 1643 te Kollum gedoopt. Zij is de dochter van Ritscke van Eysinga, grietman te Kollum, en Bauck van Roorda. Zij overlijdt op 9 juli 1718 op Feitsma State te Hallum, ongehuwd, bijna 75 jaar oud. Voor meer informatie over Meckema State en Lucia van Eysinga: zie http://www.stinseninfriesland.nl/NieuwMeckemaStateKollum.htm van Jan Leemburg. Zoals hierboven vermeld vermaakt zij in 1708 haar bezittingen aan nicht Beatrix van Voss thoe Beesten, dochter van Johanna Beatrix van Sytzama en Berent Heinrich van Voss thoe Beesten. Johanna Beatrix van Sytzama is weer een dochter van Foeck van Eysinga, zuster van Lucia van Eysinga, en Douwe Andrieses van Sytzama.

hisgis_1832

Het roodomrande deel, ongeveer in het midden van bijgaande HisGis-afbeelding is het gasthuis waarover dit artikel gaat, kadastraal nummer A113, eigendom van de erven van Wilhelmina Eduarda van Burmania te Marrum, groot 2 roeden 40 ellen. Het perceel waarin het gasthuis ligt, is de gasthuistuin, kadastraal nummer A114, groot 10 roeden 20 ellen. kadastrale legger 43. Vraag: hoe is het gasthuis in handen gekomen van deze mevrouw en haar erfgenamen?

Mr. Andreae schrijft op pagina 152:

Zij (Beatrix) schijnt de state (Meckama) nagelaten te hebben aan haren broeder George Frederik van Voss, gehuwd met Anna Elizabeth van Burmania, want men vindt vermeld, dat de state in 1749 behoorde aan "den Oud cornet van Voss thoe Beesten" en in 1758 aan diens weduwe, na wiens versterven het eigendom schijnt overgegaan te zijn op Duco Martena van Burmania, die althans in 1768 daarvan eigenaar was en op Feytsmastate te Hallum woonde.

Duco Martena van Burmania (Leeuwarden 1710 - Hallum 1775) trouwt in 1763 te Marrum met Willemina Eduarda van Burmania (Berlikum 1729 - Hallum 1824, 95 jaar oud!), weduwe van Gijsbert Arentsma van Idsinga (Marrum 1706 - 1760). Daarmee is de link gelegd naar de kadastrale informatie in 1832. Het tweede huwelijk blijft kinderloos, maar in haar eerste huwelijk krijgt Willemina Eduarda vijf kinderen: Johan Gijsberts Coenders (Marrum 1751 - Leeuwarden 1842), Eduarda Fokel (Marrum 1753 - Marrum <1765), Arent Rutger (Leeuwarden 1757 - <1765) en Alegonda Coenders (Marrum 1759 - Hallum 1826). Wie zijn de erven van Willemina overlijdensadvertentieEduarda van Burmania? Bij het overlijden van Willemina Eduarda zijn nog twee kinderen in leven: Johan en Alegonda, beiden gehuwd (zie bijgaande overlijdensadvertentie). Johan is in 1784 te Leeuwarden gehuwd met Tjebbigje Heimans (1755 - 1795) en in 1797 te Warga met Geertje Symons Stijl (Harlingen 1751 - Leeuwarden 1826). Alegonda is is in 1779 te Reitsum gehuwd met luitenant Thomas François Martin (Breda 1755 - Hallum 1839).

Volgens de kadastrale informatie wordt Thomas François Martin eigenaar van de bezittingen van zijn schoonmoeder. Het is een hele waslijst: A113 (gasthuis) en A114 (gasthuistuin) in de Buren (= het dorp Kollum) en een groot aantal weilanden ten noorden van het dorp en ten westen van wat wij vroeger de Kollumer trekvaart noemden, te weten in sectie A (de Laansterkluft) de nummers 188, 189, 191, 192, 195 t/m 208, 211, 216 en 217. Verder de poelen 190 en 299, de tuinen 175 en 176 en in het dorp nog een huis en erf met nummer 174.

Laansterkluft_1832DeBuren_1832Op het linker HisGis-kaartje staat het Laansterkluft-gebied ingetekend (I + II) dat eigendom is van de erven van Willemina Eduarda van Burmania. En op het rechter kaartje de eigendommen in de kern Kollum. Gedeelte IV is de gasthuistuin met daarin het gasthuis.

Met zijn echtgenote Alegonda heeft Thomas drie zonen: Eduard Marius (Leeuwarden 1780 - Hallum 1833), Isaac Gijsbert Arentsma (Hallum 1781 - Hallum 1859) en Pieter François Martin (Hallum 1783 - Leeuwarden 1876). De beide oudste zonen overlijden ongehuwd en Pieter François, lid van de raad te Leeuwarden, wordt eigenaar van alle bezittingen. Op 42-jarige leeftijd trouwt hij in 1825 in Ferwerdadeel met de 29-jarige Luutske Reneman (Hindeloopen 1795 - Leeuwarden 1847), dochter van Tjaard Reneman en Siebrig Jacobs de Jong. Pieter en Luutske krijgen drie dochters: Allegonda Willemina Johanna (Leeuwarden 1829 - Sint Annaparochie 1856), Siebregtina Dorothea Geertruida (Leeuwarden 1832 - Arnhem 1881) en Eduarda Gijsbertina Jacoba (Leeuwarden 1835 - Meran, Tirol, Italië 1889).

Daarmee is de lijn van het eigendom bijna voltooid. Eduarda Gijsbertina Jacoba trouwt in 1858 te Leeuwarden met wethouder Jan Albert van Heloma (Wolvega 1826 - Bennekom 1901). Het overlijden van Jan Albert is vrijwel zeker de reden geweest om de bezittingen nog hetzelfde jaar publiek te verkopen. Vooralsnog worden de vier in leven zijnde kinderen ieder voor een kwart eigenaar, te weten: Nicolaas (Wolvega 1859 - Velp 1930), Luutske (Wolvega 1861 - Wolvega 1862), Pieter François (Wolvega 1863 - Wolvega 1870), Grietje (Wolvega 1865 - 's-Gravenhage 1920), Marcus (Wolvega 1866 - Amersfoort 1944) en Jan Albert Tjaard (Wolvega 1870 - Velp 1944).

hulpkaart 1888Nu de verervingslijn bekend is focussen we ons weer op het gasthuis. In kadastrale legger 522, reeks 2, staat bij zowel het gasthuis als de daarbij behorende tuin: "dienstjaar 1885 verklaring". Deze verklaring heeft vrijwel zeker te maken met de overdacht van het beheer van het gasthuis door de eigenaren aan notaris Andreae en zijn echtgenote in een akte van november 1883. Blijkbaar stelt het notarisechtpaar een plaatselijk bestuur aan dat verantwoordelijk is voor het beheer van het fonds, groot ƒ 7.500, dat het echtpaar bij de overdracht heeft ontvangen. Zo staat als eigenaar van het gasthuis en -tuin het Meckama Gasthuis te Kollum, p/a O. Radema, B152 te Kollum (waarschijnlijk secretaris?). Verder staat er dat in het dienstjaar 1885 huis en tuin worden verenigd tot sectie A nummer 612 met een oppervlakte van 10 are 70 ca. Op bijgaande kadastrale hulpkaart, opgemaakt op 25 april 1888, staat het gasthuis en directe omgeving ingetekend. Zoals hierboven al aangegeven, wordt in 1901 het beheer en bestuur overgedragen aan de predikant en de twee oudste diakenen.

Gids_1899_1916

Wat weten we van de inwoners en de omstandigheden? De "Gids der Nederlandsche weldadigheid" uit 1899 (links) en "Het Vrouwenjaarboekje van Nederland" uit 1916 (rechts) geven een beknopt idee. Opvallend dat beide tijdschriften een verkeerde naamgeving hanteren.

Lange tijd blijft de situatie hetzelfde, maar de eerste gedachtenspinsels over de toekomst en het voortbestaan van het gasthuis komen op 12 juni 1957 in een artikel in de Leeuwarder Courant aan de orde.

LC_19570612

Ondanks de verliezen in het verleden en wat er nog verloren zal gaan (men denke aan het dichtgooien van het water langs de Diepswal) zijn er in Kollum op een dwaaltocht nog allerlei aardige hoekjes te ontdekken en het ontbreekt er niet aan oude, vaak interessante huizen. Een heel groepje staat aan de Meckemastraat, dat de beschouwer in de eerste plaats treft door zijn uiterlijk — een hoog dak tussen topgevels — en dan de aandacht vraagt voor een grote gevelsteen, in het midden van de rij woninkjes, die onder het hoge dak een plaatsje hebben gekregen. Op de steen staan de letters L.V.E., daaronder de wapens Eysinga en Roorda en daaronder weer het opschrift „7 kamers". Deze zeven kamers vormen met elkaar de herinnering aan het door Lisck of Lucia van Eysinga gebouwde gasthuis, dat door de stichtster bestemd werd voor arme, alleenstaande vrouwen.

Er is uiterlijk aan dit oude pand (zeker een der oudste huizen van Kollum) niet heel veel veranderd, al zullen er oorspronkelijk wel kruisvensters in gezeten hebben. De noordelijke eindgevel is nog intact en toont in ankers nog eens het jaartal van de bouw: 1695. Boven de deuren der woninkjes zijn kleine luifeltjes aangebracht en het geheel is ook door de gele Friese steen een weliswaar eenvoudig, maar toch aantrekkelijk gebouwtje, dat als complex woningen in onze tijd niet meer voldoet, maar dat als monumentje de aandacht verdient. Die aandacht is des te meer verantwoord, omdat op een na de 7 kamers niet meer bewoond worden en ook verder geen dienst meer doen. Als binnenkort onk het laatste huisje ontruimd wordt, staat men voor de vraag: wat nu?

Eenvoudig is. het antwoord niet, want al leeft bij het gemeentebestuur gelukkig de opvatting, dat dit hoekje oud-Kollum niet mag verdwijnen, na een restauratie moeten de 7 kamers ook ergens toe dienen, terwijl bovendien het uiterlijk niet verminkt mag worden. Een museum? Maar in het naburige Veenklooster is al een streekmuseum, wat niet wil zeggen, dat Kollum zelf geen materiaal zou opleveren voor een oudheidkamer. Of zou — zo vragen wij — Kollum, dat straks nauwe relaties met de nieuwe Lauwerszeepolder zal onderhouden, niet de plaats zijn voor een museum, dat een beeld geeft van verleden, heden en wording van het Lauwerszeegebied? [... een stukje filosofie over een dergelijk museum slaan wij hier over ...]

Nee, laat de gemeente maar eens beginnen met de aankoop van het gasthuis, dat nu nog in beheer is bij de Ned. Hervormde gemeente: er is stellig wel iets van het gebouw te maken en dan blijft het dorp in het bezit van een typisch gasthuisje, dat uit dezelfde geest geboren is als het moderne en riante Colleheim, al zijn beide instellingen niet vergelijkbaar. En als dan de lelijke schutting, die nu het gezicht op de noordgevel ernstig belemmert, eens door een eenvoudig houten hek werd vervangen, zouden — in afwachting van de restauratie — zeker ook meer vreemdelingen eens een kijkje komen nemen.

In een artikel in de Leeuwarder Courant van 30 september 1960 komt onder de kop "Gasthuis te Kollum zal worden gesloopt" het definitieve einde van dit eeuwenoude monument in zicht:

Het uit het laatst der zeventiende eeuw daterende gasthuis in de Meckamastraat te Kollum zal binnenkort onder slopershanden vallen. Het is namelijk op afbraak verkocht en wel aan de heer T. Nauta te Kollum. Alleen de gevelsteen (vermeldende onder meer het stichtingsjaar 1695 met daaronder: "7 kamers", en er boven de wapens van de families Eysinga en Roorda, gedekt door een kroon en de letters L.V.E., de initialen van Lisck of Lucia van Eysinga, die het gasthuis stichtte) zal voor het nageslacht bewaard blijven, want hij viel buiten de koop en blijft onder beheer van de regenten, te weten de predikant en de beide oudste diakenen der hervormde gemeente ter plaatse. De "7 kamers" waren sinds mensenheugenis al niet meer alle in gebruik: de laatste decennia woonden nog slechts vier alleenstaande vrouwen in het gasthuis, van wie de laatste ruim een jaar geleden in een verpleeghuis moest worden opgenomen en inmiddels ook is overleden. Het gebouw voldeed niet meer aan redelijke eisen. Het werd zelfs bouwvallig, zodat reeds geruime tijd een bord met het opschrift "Betreden van dit gebouw is levensgevaarlijk" de jeugd er van moest weerhouden zich wederrechtelijk toegang te verschaffen.

gevelsteenIn 1961 wordt de grond waarop het gasthuis stond (het gebouw is blijkbaar al afgebroken), groot 10 are 70 ca, te koop aangeboden. De gemeente Kollumerland koopt dit perceel voor ƒ 3.031. En daarna blijft het stil. Het enige wat resteert van het gasthuis is de gevelsteen, met boven de kroon nog net zichtbaar de letters L.V.E., verwijzend naar de stichtster van het gasthuis, Lucia van Eysinga. Daaronder de alliantiewapen Eysinga-Roorda van haar ouders Ritscke van Eysinga en Bauck van Roorda.

Als een soort eerbetoon nemen we hier nog enkele afbeeldingen uit het boek Kollumerland en Nieuw Kruisland, onderdeel van een serie over monumenten van geschiedenis en kunst, Noordelijk Oostergo van Herma M. van den Berg over.

afbeelding 68

Dit is afbeelding 68 op pagina 58, een plattegrond van het gasthuis, getekend in 1987 naar een tekening uit het archief van gemeentewerken uit 1952, waarin zeven kamers en een vierkante ruimte (de wasruimte?) zijn getekend. Opvallend is dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen het linkergedeelte van het gebouw uit 1615 en een rechterdeel dat volgens mevrouw Van den Berg in 1695 is toegevoegd. Zij komt tot die interessante conclusie vanwege het feit dat de gevelsteen op de scheiding van de beide gedeelten is aangebracht (zie pijl op onderstaande afbeelding) en dat het rechterdeel lager is dan het linkerdeel. En ook dat de indeling van de kamers anders is. Op de tekening is verder te zien dat de oostelijke gevel (bovenaan de tekening) tussen beide segmenten verspringt.

gevelsteen positiegasthuis

Uitzoeken: Wie waren de laatste inwoners? Opzoeken: een betere afbeelding van de gevelsteen, maar ook die in de consistoriekamer