Kollum

Buitenplaats Oostenstein

Als men de hoofdbrug (de voorm. pijp) is overgegaan (TW: richting oost), dan ziet men al spoedig op het eind van het dorp de fraai gelegene buitenplaats Oostenstein, in 1829 gesticht door den tegenwoordigen (TW: in 1885) eigenaar en bewoner, den heer Hermanus Klugkist Hesse.

Aldus mr. A.J. Andreae op pagina 153 van de plaatsbeschrijving van Kollum. Hij vermeldt verder dat in de 16 eeuw op deze plaats een state en zathe stond, genaamd Juma-, later Buma-state.

Herma M. van den Berg besteedt in haar werk "De Monumenten van Geschiedenis en Kunst, Noordelijk Oostergo, Kollumerland en Nieuw Kruisland" op pagina 68 aandacht aan Oostenstein:

Het huis uit 1829 was blokvormig, vijf traveeën breed en evenveel vensters diep. De ingang in het midden en het middenvenster erboven waren omlijst met gecanneleerde pilasters. Boven de ingang was een balkon met een smeedijzeren hek. Volgens een oude 'ansicht' was er een breed en laag smeedijzeren hek bij de ingang van de tuin. Boven de vensters stonden ornamenten, waarschijnlijk van terra-cotta; ook op de kroonlijst kwamen dergelijke ornamenten voor. De voorgevel had aan de zijden smalle geblokte pilasters. Boven de ingang stond een forse dakkapel met halfrond gesloten vensters. [...] Het pand is tot 1929 in de familie gebleven, heeft als hotel gefunctioneerd, doch is in en na de oorlog gevorderd en in 1972 afgebroken, nadat het zelfs als ruimte voor een klein-industrie gebruikt was.

Oostenstein

Hermannus Klugkist Hesse wordt op 23 september 1805 in Emden geboren als zoon van predikant Hinderk Hans Hesse en Geeske Klugkist. Hij trouwt, zonder beroep, op 5 juni 1828 in Kollumerland met Martjen Eskes, op 18 juni 1807 te Kollum geboren als dochter van de assessor van de grietenij Kollumerland Bote Eskes en Gesina Geertruida Groen. Het paar krijgt vijf kinderen: Bote Eskes (Kollum 1829 - pastorie te Midlum, Reiderland (Duitsland) 1831), Geeske Klugkist (Kollum 1832 - Rotterdam 1858), Gesina Getruda (Kollum 1834 - Groningen 1914), Hindriëtte Elisabet (Kollum 1837 - Arnhem 1915) en Bote Eskes (Kollum 1840 - Kollum 1911). In vrijwel alle geboorteaktes is het beroep van vader Hermannus landgebruiker. Martjen overlijdt op 23 juli 1873, Hermannus op 28 november 1892, beiden te Kollum. Hermannus was tijdens zijn leven lid van de Provinciale Staten van Friesland en plaatsvervangend kantonrechter van het kanton Dokkum. Op 22 december 1850 wordt hij genaturaliseerd tot Nederlander.

De akte van scheiding en deling, op 18 november 1893 op Oostenstein opgemaakt door notaris Gerrit de Jong Posthumus uit Buitenpost, bestaat uit een paginalange opsomming van de bezittingen en schulden van Hermannus Klugkist Hesse. Onderaan de streep staat een bedrag van ƒ 102.730. Perceel nummer 1 is de heerenhuizinge met wagenhuis, stalling, pleizier- en moestuin, broeierij, weidparken, houtgewas en verdere aanhoorigheden op het Oost van Kollum "Oostenstein" genaamd, getaxeerd op ƒ 10.368,50.

De erfgenamen zijn de drie nog levende kinderen van Klugkist Hesse, namelijk 1) Gesina Getruda Hesse, echtgenote van de Jouwert Witteveen, burgemeester van Kollum; 2) Hindriëtte Elisabet Hesse en 3) Bote Eskes Hesse. We hebben de schrijfwijze van de namen in de akte gevolgd, bij de beide dames enigszins afwijkend van de echte voornamen.

Nieuwe eigenaar van Oostenstein wordt zoon Bote Eskes, die op 20 augustus 1895, 55 jaar oud, te Emden trouwt met de 43-jarige Anna Mathilda Bleeker, geboren 31 januari 1852 te Gross Midlum (Nedersaksen, Duitsland), dochter van rentenier Peter Ludbertus Bleeker en Martha Koopman. Bote Eskes overlijdt op 8 april 1911, zijn echtgenote op 28 februari 1929, beiden te Kollum. De jaren bij de weduwe inwonende ongehuwde zuster Francisca Johanna Bleeker overlijdt vlak daarop, op 17 maart.

Aangezien het huwelijk van Bote Eskes en Anna Mathilda kinderloos is gebleven, is met hun overlijdens de naam Hesse in Kollum verdwenen. Alleen de Hesseweg aan de oostkant van het dorp herinnert nog aan deze belangrijke familie. Na het overlijden van Anna Mathilda Bleeker blijken er volgens de scheidingsakte, op 13 juli 1929 opgemaakt door de Kollumer notaris Feike Wassenbergh, acht erfgenamen te zijn, te weten drie kinderen van zus Nomdine Wilhelmine Elisabeth Bleeker en Oltmann Wilken Bracklo en vijf kinderen van Gesina Getruda Hesse en Jouwert Witteveen. Zij besluiten de bezittingen, waaronder Oostenstein, publiek te verkopen. De provisionele verkoping wordt door Wassenbergh vastgesteld op 1 augustus 1929 in de Koornbeurs, exact 100 jaar na de bouw. In de akte wordt Oostenstein omschreven als de mooi gelegen buitenplaats "Oostenstein" met koetshuis, fraai opgaand geboomte, siertuin, moestuin, weiland en singel, in eigen gebruik geweest bij wijlen mevrouw Anna Mathilde Bleeker, weduwe van den heer Bote Eskes Hesse, te Kollum, kadastraal bekend in gemeente Kollum, sectie D nummers: 1334 huis, 1335 tuin, weiland, moestuin en bosch, 1319 moestuin, en gemeente Kollum, sectie B nummer 895 laan, samen groot vijf hectaren twee en veertig are. Dit alles wordt, behoudens recht van samenvoeging, geveild in vijf percelen, te weten:

  1. De goed onderhouden huizinge met koetshuis, vijver en tuin, gelegen aan de oostzijde van het dorp Kollum, ten zuiden van en aan de weg naar Burum.
  2. De moestuin, gelegen aan de Voorstraat te Kollum, ten westen van en aan perceel 1.
  3. Een perceel weiland en tuin te Kollum, gelegen ten zuiden van en aan perceel 1.
  4. Een perceel weiland en tuin te Kollum, gelegen ten zuiden van en aan perceel 3.
  5. De singel te Kollum, gelegen tegenover Oostenstein, tussen de wegen van Kollum naar Burum en van Kollum naar Kollumer Oudzijl en Dokkumer Nieuwe Zijlen.

Bij elk perceel is sprake van verplichte overname van goederen. En er staan bepalingen in de akte betreffende vrijheid van reed en drift.

De finale verkoop wordt vastgesteld veertien dagen later, op 15 augustus 1929, deze keer in de Roskam. Perceel 1 wordt voor ƒ 14.020 toegewezen aan veehouder Thijs Eelkes Wiersma uit Dantumawoude; perceel 2 aan Klaas Willem Bakker te Kollum, zonder beroep, voor ƒ 1.151; perceel 3 en 4 bij samenvoeging aan timmerman Johannes Pijnakker te Kollum voor ƒ 6.695; perceel 5 aan architect Fokke van der Laan uit Delfzijl voor ƒ 1.705. De laatste blijkt te hebben geboden voor zijn broers, de timmerlieden Frans en Eit van der Laan uit Kollum.

Kadastrale informatie

Eig. Art. Nr. Plaatselijke benaming Kad. nr. Soort eigendom Grootte Dienstjaar Omschrijving verandering
r/a e/c
1 613 4 De Buren D424 huis en erf 18 30 1857 expiratie vrijdom voor verbouwing voor 1857
1 613 8 De Buren D424 huis en erf 18 30 1863 grensverandering
1 613 9 De Buren D794 huis en schuur 8 -- 1875 scheiding
2 1221 3 De Buren D794 huis en schuur 8 -- 1894 gedeeltelijke afbraak
2 1221 14 De Buren D794 huis en erf 8 -- 1895 scheiding
3 1224 5 De Buren D794 huis en erf 8 -- 1895 gedeeltelijke afbraak
3 1224 10 Kollum D1334 huis 4 60 1930 verkoop
4 2864 1 Kollum D1334 huis 4 60 1931 vereniging
4 2864 2 Kollum D1928 huis en tuin 54 10 1933 verkoop
5 2940 1 Kollum D1928 huis en tuin 54 10 1944 verkoop
6 3244 1 Kollum D1928 huis en tuin 54 10 1947 verkoop
6 3244 2 Kollum D1928 huis en tuin 41 18 1947 verkoop
7 3310 1,2 Kollum D2064 huis en tuin 52 40 1948 verkoop
8 3338 1 Kollum D2064 huis en tuin 52 40 1962 verkoop
9 554 27,29,30 Voorstraat D2064 huis, erf 27 60 1970 verkoop

Verdere eigenaren:

  1. LC_193110311929-1932: Thijs Eelkes Wiersma, veehouder te Dantumawoude, later Kollum. Wiersma vestigt een café in het pand, maar blijkbaar is dat niet echt een succes, want op 31 oktober 1931 biedt hij in een advertentie in de Leeuwarder Courant pensionruimte voor ouden van dagen aan.
  2. 1932-1943: Berend Geerts Hazenberg, pensionhouder te Groningen, later te Kollum.
  3. 1943-1946: Jan Hendrikus Mient Plantinga, Pieter Plantinga en Gerardus Joannes Schreuder, ieder voor eenderde deel, ten tijde van de koop als kooplieden woonachtig te resp. Huizum, Stroobos en Groningen. Deze heren halen een forse streep door het perceel, waarbij niet alleen het perceel maar ook het huis in tweeën wordt verdeeld. Het oostelijk deel wordt verkocht aan de veehouder/watermolenaar Simon Kuitert te Kollum en blijft hierna buiten beschouwing. Het hoofdgebouw, het eigenlijke Oostenstein, wordt verkocht aan
  4. 1946-1947: Thijs Triemstra. Volgens een bericht in het Friesch Dagblad van 15 maart 1946 ontbreekt het de heer Triemstra uit Hollum (Ameland) niet aan ondernemingsgeest en is hij voornemens het pand geheel te restaureren en in te richten tot"lunchroom-pension". Daar komt niet veel van terecht, want een jaar later verkoopt hij Oostenstein alweer.
  5. 1947-1960: Carst Roelofs Kok, manufacturier te Kollum. Carst is geboren op 20 december 1888 te Surhuisterveen als zoon van koopman Roelof Kok en Jantje Hendriks Stijkel. Op 17 april 1913 trouwt hij in de gemeente Achtkarspelen met Wietske Ytsma; zij is op 31 maart 1892 te Drachten geboren als dochter van landbouwer Tjeerd Ytsma en Pietje van der Wal. Op 6 mei 1930 verhuist het echtpaar met de kinderen Petronella Anna, Hilje, Jantina, Leentje, Tjeerd, en Roelfina vanuit de stad Groningen naar Kollum. Daar wordt het een bekende manufacturiersfamilie. Op 12 oktober 1961 overlijdt Carst, zijn echtgenote op 24 december 1971, beiden te Kollum.
  6. In het boekje "Handel en ambachten, Kollum 1925-1975" lezen we onder het hoofdje "Dames Kok":

    Carst Kok was getrouwd met Wietske IJtsma. Zij kregen 5 dochters en 1 zoon. Deze laatste heeft in de oorlog een centimeterfabriekje gehad in het gebouw Oostenstein. Later emigreerde hij naar Canada. Van de 5 dochters kwamen er twee in de zaak terecht en wel Tineke (Jantina) en Lena (Greetje; hiermee wordt waarschijnlijk Leentje bedoeld, TW). Na het overlijden van hun vader in 1961 zetten zij het bedrijf voort. De woonruimte beneden was al bij de zaak getrokken, maar de handel werd beperkt tot damesconfectie, corsetten en manufacturen. In maart 1975 is de zaak opgeheven, omdat de gezondheidstoestand en de leeftijd van de dames het drijven van de zaak niet langer toelieten.

  7. Hervormde diaconie Kollumerland. In 1960 wordt in een onderhandse verkoop het hoofdgebouw Oostenstein aangekocht met de bedoeling het te verbouwen en te restaureren en het daarna voor jeugdzorgwerk te gebruiken. Bij de verkoop wonen nog drie gezinnen in het gebouw en is er een kleine industrie, waarschijnlijk de centimeterfabriek-HaFa, gevestigd.

In 1972 wordt het perceel verkocht aan Wouter Bosma, bouwkundige te Kollum en Hendrik Jaap Johannes Banda, adjunct-directeur te Kollum, die deze voormalige buitenplaats slopen en op het bouwterrein elk een bungalow laten zetten.

Kadastrale hulpkaarten

hulpkaart 1862 hulpkaart_1862_detailDit is een kadastrale hulpkaart uit 1862/1863. In het rode vierkantje middenboven staat het kadastrale nummer van het gebouw: 794. Het ligt in het perceel aangeduid met 795. De grootte van D794 is 8 are, die van het omliggende gebied D795 is 4 ha 58 a 40 ca.>
hulpkaart 1895 hulpkaart_1895_detailUit deze hulpkaart uit 1894/1895, dus kort na het overlijden van Hermannus Klugkist Hesse, blijkt dat het gebouw een heel andere vorm heeft aangenomen, dus waarschijnlijk is verbouwd. Dat komt ook overeen met de gedeeltelijke afbraak in 1894 en 1895. De blauwe lijnen in het kleine kaartje geven de verdwenen contouren aan, de rode de nieuwe situatie. Zo is het schuurtje (?) rechts onderaan verdwenen. In de kranten heb ik geen bericht over bijv. een aanbesteding kunnen vinden.
hulpkaart_1930 hulpkaart 1930 detailHulpkaart uit 1930/1931.
hulpkaart 1947 hulpkaart 1947 detailOp deze hulpkaart uit 1946/1947 is een rechte rode lijn van boven naar beneden getekend, aangevende de "Plantinga-verdeling" bij verkoop.

Oostenstein in de Leeuwarder Courant

LC_1929061414 juni 1929 LC_1929062929 juni 1929 LC_1929082616 augustus 1929
LC_1960062020 juni 1960 LC_1960062022 augustus 1960 LC_1972052323 mei 1972

De teloorgang van dit eens zo fraaie buiten aan de oostkant van Kollum is schrijnend in beeld gebracht in onderstaande foto uit november 1964, gemaakt door Gerard Dukker in dienst van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.

Andere interessante bron: http://www.stinseninfriesland.nl/OostensteinKollum.htm