Kollum

Voormalige smederij Voorstraat

Voorstraat 15

Algemeen

Dit is een rijksmonument. Herma M. van den Berg besteedt in haar werk "De Monumenten van Geschiedenis en Kunst, Noordelijk Oostergo, Kollumerland en Nieuw Kruisland" op pagina 64 aandacht aan de smederij:

Voormalige smederij in een langgerekt pand, dat naast het woonhuis het bedrijfsgedeelte bevatte, dat naar achter uitgebouwd was. [...] Het pand is gedekt door een zadeldak tussen topgevels; die aan de oostzijde is nog in wezen met beitelingen langs de zijden en had enigetijd geleden nog een nokanker, waarvan 17 nog te lezen was en dat volgens bewoners het jaartal 1768 had gevormd.

Kollum in 1730Mw. van den Berg verwijst verder naar een tekening van Gardenier Visscher uit het einde van de 18e eeuw, waaruit blijkt dat op die plek toen waarschijnlijk een hoefsmederij stond met een travalje (= een houten constructie waarin het paard vastgezet kon worden om door de hoefsmid te worden beslagen).

Drs. P. Karstkarel beschrijft de smederij eveneens in "Bouwkunst in Kollumerland", dat in 1984 is uitgegeven door de Stichting Oud Kollumerland:

De smederij met woning ziet er niet meer fris uit, maar het L-vormige complex dateert dan ook uit 1768. Op een fraaie schetstekening van J. Gardenier Visscher uit ca 1790 staat het dan ook afgebeeld; dan nog zonder leilinden, maar wel met een noodstal voor het beslaan van paarden, waarvan er van de honderden, nu geen enkele meer in Friesland te vinden is. De smidse met woning is één bouwlaag hoog met een schilddak en aan de zijgevelvan de woning een tuitgevel die in de muurankers resten van het bouwjaar te lezen geven.

De smidse heeft van negenledige ramen voorziene dubbele deuren die onmiddellijk geflankeerd worden door ruime negenledige vensters. Muur- en balkwerk hebben op die plek kennelijk een slechtverdeelde druk uitgeoefend: alles is danig scheef gezakt. Hoewel de brede daklijst wel nagenoeg recht bleef zitten, is de (later toegevoegde) smalle kapel met deur ook scheef komen te zitten. De smederij is diep en herbergt nog veel oude werktuigen en gereedschappen. De voorgevel van het complex is in de negentiende eeuw mogelijk al eens vernieuwd, de bruine hardgrauwe steen wijst in die richting. Voor de oostelijke zijgevel van de woning is een achttiende eeuwse steen gebruikt en deze is stellig oorspronkelijk: fraaie levendige steen van gele, oranje en rode tinten. In de geveltop zitten twee smalle ramen, die voor de helft gedicht zijn met luiken. Aan de achterzijde van de woning schiet de kap, na een knik, door omruimte te bieden voor keuken, enz. Het is een ruimtescheppende oplossing die tot in het laatst van de negentiende eeuw bij dwarswoningen veelvuldig werd toegepast. Dit historische bedrijfs- en wooncomplex verdient alle zorg.

HisGis_1832

Het onderzoek naar de eigenaars wijst uit dat op deze plek bijna drie eeuwen een smederij heeft gestaan. Niet altijd was de eigenaar smid, maar dan huurde men een smidsknecht in of werd het pand aan een smid verhuurd. Helaas was het pand niet floreenplichtig anders was het eigendom tot 1700 teruggevonden. Nu was collega-onderzoeker Taeke van der Leij degene die de eerste koopakte (ot dusver) opspoorde. Het onderzoek richt dus vooral op het vinden van de eigenaren en hooguit -indien van toepassing- op enkele naaste familieleden, maar een genealogie zult u hier niet vinden.

Floreen- en reëelkohieren kunnen helpen bij het opsporen van de eigenaren. Het pand ten oosten (rechts op de afbeelding hiernaast) is een floreenplichtig pand met nummer 62. In het floreenkohier van 1700 is Dirk Diurres de naastleger ten westen en in dat van 1708 Hotse Ruirds. Mogelijk bieden deze namen later nog mogelijkheden om vast te stellen of er toen al een smederij was. Op FamilySearch staan de reëelkohieren van Kollum uit de jaren 1713, 1714, 1729, 1733, 1743, 1745 en 1774. Als eigenaars van "onze" smederij vinden we op nummer 117 achtereenvolgens Ybele Hendrix (1713 en 1714), Focko Dirks (1729), Minne Harkes (1733) en Klaas Harkes (1743 en 1745). De koop van de smederij door Minne Harkes tussen 1729 en 1733 is helaas niet te vinden. Hij kan de smederij ook niet van zijn ouders geërfd hebben (zie hierna). Dat Minne Harkes inderdaad eigenaar van de smederij was, blijkt uit de verkoop daarvan in 1737 aan zijn broer Klaas Harkes, zonen van mr. smid Harke Minnes en Antje Jacobs. [Met dank aan Taeke van der Leij en proclamatieboek Kollumerland 1728-1743, inv. nr. 112, folio 170]

Klaas Harkes, mr. smid en Tjitske Jaspers, egtel: tot Kollum doen proclameeren ende te bode stellen sekere heerlijke huisinge, hovinge, bomen en plantagie, [...] staande ende gelegen in de gebuirte van den dorpe Kollum aan de westkant van de stenen piep en aan 't noord van de straat, na al lange jaren tot een smitterij gebruikt, hebbende tot naastlegers Jan Koerts ten oosten, de gemene straat ten suiden, Eetse Jans ten westen en Marten Siccama ten noorden, wordende tegenswoordig bij de egtel: kopers bewoont en gebruikt, sijnde vrij van floreen en grondpagt. [...] Dit also in koop bekomen van Minne Harkes, koopman tot Kollum, voor de somma van 400 Cargls: van 20 Stvrs: 't stuk. [volgen nog enkele betalingsafspraken] Breder vermogens koopbrief daar af zijnde in dato den 20 7ber 1737. Proclamaties: 1738 den 21e Januarij de eerste, den 9 Februarij de twede, den 25 dito de derde omgekomen.

In het weesboek 1728-1736 vinden we op pagina 113 verso de inventarisatie vanwege het overlijden van Antje Jacobs, de weduwe van mr. smid Harke Minnes, gedateerd 6 april 1730. Oudste zoon Minne Harkes is de geautoriseerde curator over de minderjarige kinderen Klaas (18 jaar) en Else Harkes (16 jaar). Meerderjarige kinderen ten tijde van het overlijden zijn Minne, Grijtje, Trijntie, Jacob, Martjen Harkes. Als onroerend goed wordt o.a. genoemd een smederij, waar Harke Minnes waarschijnlijk zijn beroep uitoefende, gelegen aan de oostkant van de "stenen piep" (= de brug over de Kollumer trekvaart die het dorp van oost naar west in twee helften verdeelt) en ten zuiden van de straat. Let wel: dat is niet de smederij die hier wordt besproken, want die ligt ten westen van de "piep" en ten noorden van de straat.

Vanaf 1751 beginnen de jaarlijkse genummerde speciekohieren, waarin veranderingen in eigendom en gezinssituatie worden vermeld. In 1751 woont Klaas Harkes in het huis genummerd 83 met twee schoorstenen en drie hoofden. Iedere ingezetene van 12 jaar of ouder wordt beschouwd als hoofd. Het speciekohier van 1758 geeft aan dat Klaas Harkes het huis van buurman Jan Pytters op nummer 84 heeft gekocht. En inderdaad is de aankoop te vinden in het proclamatieboek Kollumerland 1743-1771, inv. nr. 113, folio 228 verso:

Klaas Harkes, mr. smidt en Tjitske Jaspers, egtel: tot Collum doen proclameren ende te bode stellen sekere huisinge, agterhuis, sampt hovinge, bomen ende plantagie, [...] staande ende gelegen in de gebuirte van den dorpe Collum aan 't west van de stenen piep, hebbende tot naastlegers de verkoper ten oosten, de straat ten zuiden, de kopers ten westen en de hr. generâl Trip ten noorden, wordende bij Mindert Jans gebruikt, die het regt van huiringe daar aan heeft tot den 12 Maij 1757, welke lopende jaar huir sal blijven ten voordele van de verkoper, zijnde vrij van grondpagt, dog bewaart met een halve floreen met de grietenije kosten, [...] zijnde voorts geconditioneert dat het geboude secreet (=toilet) daar sal moeten worden wegh gebroken, zonder dat daar oit weder een secreet zal mogen worden gebout, en so de kopers weder een secreet gedenken te bouwen, zullen zij ten minsten twee roede van die plaats moeten afblijven. Dit aldus in coop bekomen van Dom. Annius Abrahami, bedienaar des Goddelijcken woort aldaar voor 225 Cargls: van 20 Stvrs:. [volgen nog enkele betalingsafspraken] Breder vermogens coopbrijf hier af zijnde in dato den 31 Maij 1756. Proclamaties: 1756 den 22 Juni de eerste, den 6 Julij de twede, den 7 September de derde omgekomen.

Vervolgens staat aangekochte huis 23 jaar leeg en worden in 1783 de beide huizen 83 en 84 vervangen door één nieuwe smederij, zoals blijkt uit bijgaande advertentie in de Leeuwarder Courant van 8 maart 1783.

nieuwbouw smederij

Dit wijst erop dat het jaartal op eerder genoemd nokanker waarschijnlijk niet 1768, maar 1783 zal zijn geweest.

Klaas Harkes wordt in de jaren tot 1797 genoemd als eigenaar/bewoner van de huizen 83 en 84 (de oude nummering is dus gehandhaafd, maar is nu één stelpost). Het speciekohier van 1797 vermeldt dat Klaas Harkes is overleden (hij is dan ongeveer 86 jaar oud) en dat nu zijn zoon Minne en dochter Mattje Klazes hier wonen.Na het overlijden van Klaas Harkes vinden we de volgende mutaties in de speciekohieren: 1798 - Minne en Martjen Clases; 1799 - Menne Clases, Mattje Clases vertrokken, nu Pieter Ellens; 1800 - Menne Klazes, Pieter Ellens vertrokken, nu Jelle Sijmons, een halve schoorsteen weg; 1801 - Minne Klaases overleden, nu de weduwe; Otte Muller; de ½ schoorsteen digt gemaakt; Jelle Symens vertrokken, nu Jan Clases; 1802 - Minne Claases weduwe, Otte Muller, Jan Claases vertrokken; 1803 t/m 1805 - Minne Clases weduwe, Otte Muller. Dan houden de speciekohieren op. Samenvattend lijkt het erop neer te komen dat er na het overlijden van Minne Clazes geen opvolger in de familie voorhanden is. Genoemde Pieter Ellens, Jelle Symens en Jan Clazes zijn smidsknechten/passanten. Alleen smidsknecht/smid Otte Muller is een blijvertje.

LC_18010513

Leeuwarder Courant van 18 mei 1801

Minne Clases was getrouwd met Sytske Koenes, die na het overlijden van Minne in 1805 hertrouwt met Bartel Bonnes. Deze koopt de smederij in 1807 [proclamatieboek Kollumerland 1803-1808, inv. nr. 116, folio 368]

Bartel Bonnes, mr. schoenmaker en Sytske Coenes, egtelieden te Collum doen proclameeren en te bode stellen zekere deftige en zedert weinige jaren nieuw gebouwde huizinge en smederij, bestaande in twee kamers, een keuken, benevens een wel gereguleerde winkel als mede een schuurke en een fraye hovinge met bomen en plantagie, staande en gelegen in de Kerkebuuren te Collum bij Otto Muller als huurder gebruikt, bezwaard met 68 Stvrs: jaarlijkse grondpagt aan Dom. Abrahami erven, op den 12e Maij 1807 vrij te aanvaarden, hebbende de ontvanger J. Andries ten oosten, de straat ten zuiden, Rinze Jans ten westen en de Hr. M. van Scheltinga ten noorden. [...] In coop bekomen van Romke Clazes, huisman te Collum, en Pytter Clazes, koopman woonagtig te Dockum in q(ua)l(itei)t als [...] curatoren over Tjitske, Claaske en Sytske Minnes, nagelatene minderjarige kinderen van wijlen Minne Clazes, in leven mr. grofsmid te Collum [...] voor de summa van 2.090 Cargls: à 20 Stvrs: [ volgen nog enkele betalingsafspraken] Breder vermogens coopbrief in dato den 22 Juny 1807. Proclamaties: 1807 den 23 Juni de 1e, den 6 Julij de 2e, den 21 Julij de derde omgekomen.

17 augustus 1812: advertentie in Journal du département de la Frise oftewel Dagblad van het departement Vriesland.

Op 10 augustus 1812 vindt op verzoek van meester schoenmaker Bartel Bonnes Kamstra bij kastelein Cornelis Douwes van der Heide te Kollum de provisionele verkoop plaats van "een deftige en voor weinige jaaren nieuw gebouwde huizinge en smederij met hovinge, bomen en plantagie, zoo als door de verkooper van het stekje ten noorden tot midden in de sloot ten noorden op de helfte der breedte zal worden afgerooyd, behoudende de verkoper de huizinge door hem zelve bewoond met vier voet grond ten zuiden en westen, en het vrij gebruik van de grond ten oosten van het verkogte, ook behoud de verkoper het vrij gebruik van de put en bak bij de verkogte huizinge behoorende, zoo lang de verkoper in zijn thans bewoonde huizinge woond, zijnde het verkogte bezwaard met drie gulden agt stuivers jaarlijksche grondpagt aan Tjerk Abrahami weduwe en met verpondinge volgens de registers, hebbende tot naastlegers Romke Klazes Stuur en de verkooper ten oosten, de straat ten zuiden, Rinse Postma ten westen en M. van Scheltinga ten noorden, gequoteerd met nr. 83 en 84. En is bij de provisioneele kooper geworden Wessel Dirks Lubberts, de paardendoctor te Collum op zijn bod van 3.286 francs en 50 centimes of 1.565 guldens". Veertien dagen later, op 24 augustus, wordt paardendokter (= veearts) Wessel Dirks Lubberts de definitieve eigenaar met een minimale verhoging van het bod: 3.288 francs en 60 centimes ofwel 1.566 guldens. [Bron: notarieel archief Lourens Faber, notaris te Kollum: akten 122 (provisioneel) en 131 (finaal).

Op 10 september 1814 ruilt Wessel Dirks Lubberts de smederij met de herberg van Cornelis Douwes van der Heide. [Bron: notarieel archief Jan Romein, notaris te Buitenpost, akte 188]. Dus Cornelis Douwes van der Heide is nu de nieuwe eigenaar. Daarmee is het geschuif met het bezit nog niet afelopen, want op 2 september 1815 dragen koopman (hij is dus geen kastelein meer; dat is Wessel Dirks Lubberts na eerdergenoemde ruiling ) Cornelis Douwes van der Heide en echtgenote Folkjen Wybes de smederij voor 1.000 gulden over aan broer Jan Douwes van der Heide. [Bron: notarieel archief Lourens Faber, notaris te Kollum, akte 596].

Op 14 oktober 1817 komt de smederij echter weer in het bezit van een smid, want dan koopt smidsknecht Abel Willems Dooornbos met zijn echtgenote Rinske Pieters Hoekstra voor 2.057 de smederij weer van Jan Douwes van der Heide. De omschrijving van het verkochte luidt: "Een huizinge en smeederij met hovinge, boomen en plantagie, met en beneevens het huiske steede en grond ten oosten aan voorige huizinge bij Bartel Bonnes Kamstra bewoond tot 12 mei 1818 van 10 gulden en de huizinge en smeederij door Otto Muller bewoond, die huiringe daaraan competeerd tot 12 mei 1820 voor 118 gulden jaarlijks [...], staande en gelegen in de Kerkebuuren te Collum en aldaar gequoteerd met nummer 83 en 84 wijk A hebbende Romke Stuur en Klaas Ritsma ten oosten, de straat ten zuiden, Rinse Postma ten westen en de heer Martinus van Scheltinga ten noorden, bezwaard met verponding volgens de register en 3 gulden 8 stuivers jaarlijkse grondpacht aan Tjerk Abrahami weduwe te Collum [...]." Deze koop is aangegaan voor 2.057 gulden à 100 centen [...]. 14 oktober 1817. [Bron: notarieel archief Lourens Faber, notaris te Kollum, akte 846]

Op 27 maart 1824 bieden grofsmid Abele Willems Dorenbos en zijn echtgenote te koop aan "eene groote grofsmederij met hegte huizinge benevens tuin en bleek, staande en gelegen te Kollum, zijnde de huizinge gequoteerd met A nr. 73, door Abele Willems Dorenbos en vrouw als eigenaars bewoond, hebbende tot naastlegers ten oosten Klaas Ritsma, ten westen Rinse Jans Postma, ten zuiden de straat en ten noorden de sloot, den twaalfden Mei 1824 vrij te aanvaarden. De huizinge bestaat in een voorkamer met .... schuiframen uitziende op de straat, schoorsteen met leggende plaat, twee bedsteeden en porselein kast, eene gang, een kamertje uitziende op de plaats waarin de ingang van de provisie kelder, een loots in dezelve, een kleerkast en regenwatersbak, eene plaats waarop een putwaterpomp, een kamer uitziende met een schuifraam op de plaats en twee in de steeg, in deze kamer een schoorsteen met staande en leggende plaat, bedsteed en kast, een kamertje met een schuifraam, in het zelve een vuursteed met staande en leggende planken, een koelhok, verder een bleek en tuin met secreet, boven de huizinge twee zolders.In de smederij twee schuiframen uitziende op de straat en schoorsteen, hebbende de huizinge en smederij een vrije steeg ten westen en een plek grond ten oosten, uitstrekkende tot aan de haag, welk plek grond bezwaard is met de vrije reed van den naastleger ten oosten tot aan zijn pakhuis, met drie guldens veertig cents jaarlijksche grondpagt aan de weduwe Tjerk Abrahami, thans te Dokkum woonagtig". Kortom, een heel uitgebreide beschrijving van het pand. Bij de finale verkoop wordt het provisonele bod van 1.270 gulden verhoogd tot 1.300 gulden, uitgebracht door Kollumer Jan Johannes Blau, die nadien verklaart te hebben geboden voor koopman Johannes Looijenga uit Leeuwarden. Dus weer een eigenaar die geen smid is, maar een belegging zoekt. [Bron: notarieel archief Andreas Lycklama en Lourens Faber, notarissen te Kollum, aktes 20 en 26]

Waarom heeft Dorenbos de smederij in 1824 verkocht? Bij zijn huwelijk in 1817 is hij grofsmidsknecht en bij de geboorte van zijn kinderen in 1819 (Pieter), 1821 (Sjoukje) en 1823 (Sjouke) wordt als beroep grofsmid vermeld. Echter bij de geboorte in 1826 (Sjouwkje) is hij potschipper. In hetzelfde jaar overlijdt hij als tapper, slechts 35 jaar oud, in het huis wijk A, nummer 150 te Kollum. De verkoop heeft waarschijnlijk te maken met de verandering van beroep als gevolg van het zware smidswerk.

Maar aan welke smid verhuurde Looijenga het pand? Wie waren de grofsmeden rond 1825? In 1817 zijn dat Jan Luitjens Duursma, Otto Muller en Jan Johannes Faber. In 1825 wordt Muller niet meer genoemd (waarschijnlijk naar Dokkum verhuisd waar hij in 1828 overlijdt) en wordt Hattum Jans Smedinga als grofsmid vermeld, die een jaar later, in 1826, in het huis genummerd wijk A nummer 83 te Kollum overlijdt, in de smederij die we hier onderzoeken.

collage foto's smederij

Op pagina 33 van het leuke boekje "Handel en ambachten, Kollum 1925-1975" van de heren Bosgraaf, Hogendorp en Ozinga staat: "De smederij van Beerstra op het west van de Voorstraat (nu niet meer als zodanig in functie) is vanaf het eind van de 18e eeuw eigendom van de familie Beerstra." Dit is wat kort door de bocht, want bij de invoering van het kadaster in 1832 is Johannes Looijenga eigenaar van het pand dat tot 1854 in handen van die familie zal blijven. Bovendien vestigt de eerste Beerstra, Sake Durks Beerstra, zich pas in 1829 met zijn gezin in Kollum. We gaan wel wat dieper op de familie Beerstra in.

Johannes Lojenga overlijdt in 1849 te Leeuwarden; zijn echtgenote, Ypkje Jans Ypes overlijdt daar vier jaren later. Nieuwe eigenaar wordt hun oudste dochter Jaike, in 1831 gehuwd met koopman Salvus Posthumus. Vanaf zijn aankomst in Kollum in 1829 zal de smederij aan Sake Durks Beerstra zijn verhuurd. In het kadastrale dienstjaar 1855, in de praktijk waarschijnlijk 1854, verkoopt Jaike de smederij aan Sake Durks Beerstra. Een notariële akte heb ik helaas niet kunnen vinden. Dat Sake flink in de beurs moest tasten om het pand te kopen blijkt uit de twee leningen die hij in juni 1854 heeft moeten afsluiten met de smederij als onderpand, namelijk 1.200 gulden bij de verkoopster en 600 gulden bij gemeenteontvanger Sybren Valks uit Kollum.

Sake (Beers, 10 april 1795 - Kollum, 24 december 1870), zoon van Durk Heeres en Tietje Sakes, trouwt op 22 juni 1820 in Tietjerksteradeel met Aafke Louws Louerman (Oenkerk, 29 januari 1790 - Kollum, 25 juli 1853), dochter van Louw Gerbens en Antje Valks. De geboorteplaats Beers zal vrijwel zeker ten grondslag liggen aan de achternaam Beerstra. Sake en Aafke krijgen vijf kinderen: Durk (Oenkerk, 9 oktober 1820 - Westergeest, 2 februari 1902), Antje (Tietjerk, 3 november 1822 - Kollum, 29 februari 1904), Tietje (Tietjerk, 10 juli 1825 - Kollum, 10 maart 1890), Louw (Tietjerk, 30 september 1827 - Kollum, 23 januari 1889) en Heere Beerstra (Kollum, 19 september 1834 - Kollum, 22 september 1834).

Omstreeks 1868 gaat de smederij over naar zoon Louw, die ook grofsmid is. Vader Sake is vruchtgebruiker. Louw is op 26 maart 1853 in Kollum getrouwd met dienstmeid Foekje Hendriks Stienstra/Steenstra (Stroobos, 31 oktober 1819 - Kollum, 2 december 1897), dochter van Hendrik Baukes Stienstra en Aukjen Jochums van der Veen. Het paar krijgt vier kinderen: Aafke (Kollum, 13 juni 1853 - Kollum, 11 juni 1923, ongehuwd), Aukje (Kollum, 10 juni 1855 - Kollum, 3 maart 1916), Saakje (Kollum 29 oktober 1857 - Kollum, 5 april 1926) en Sake (Kollum, 14 augustus 1861- Kollum, 18 maart 1960). Na het overlijden van vader Louw in 1889 is de weduwe voor de helft eigenares en elk kind voor 1/8e deel.

Omstreeks 1892 wordt Sake (Louws) Beerstra samen met zijn zes kinderen eigenaar van de smederij. Hij is op 30 juli 1898 in Kollum getrouwd met Baukje Henstra (Kooten, 31 oktober 1874 - Kollum, 12 juni 1917), dochter van Jan Hielkes Henstra en Loltje Liebes Poelstra. Sake en Baukje krijgen zeven kinderen: Louw (Kollum, 14 juli 1899 - Kollum, 11 november 1983), Jan (Kollum, 3 mei 1901 - Kollum, 15 juli 1949), Hielke (Kollum, 31 mei 1903 - Leeuwarden, 22 oktober 1995), Foekje (Kollum, 17 augustus 1905 - Veenwouden, 11 november 1997), Loltje (Kollum, 16 april 1907 - Kollum, 18 januari 1908), Libbe (Kollum, 25 september 1908 - Kollum, 3 april 1999), Niekele (Kollum, 12 september 1910 - Kollum, 9 september 1988) en Lolkje Beerstra (Kollum, mei 1913 - Kollum, 23 mei 1913).

hukpkaart 1902 en 1903Het perceel ondergaat rond 1900 enkele veranderingen. Zo wordt er omstreeks 1900 een bergplaats gebouwd en worden de percelen 84 en 84a samengevoegd tot één perceel A695, bestaande uit een huis met een schuur en een tuin en een oppervlakte van 7 are 10 ca. Kort daarop wordt 60 ca aan het perceel toegevoegd en ontstaat het perceel A706 met een oppervlak van 7 are 70 ca.

Sake Beerstra is voor de helft eigenaar en de zes kinderen ieder voor 1/12e deel. Na het overlijden van Jan Beerstra in 1949 worden de weduwe Anna Wierstra en hun kinderen Geeltje, Sake en Jan mede-eigenaar. De letter M bij het kadastrale leggerartikel geeft aan dat het hier een rijksmonument betreft.

In 1960/1961 verandert het eigendom door een akte van scheiding en deling andermaal, waarbij de broers Louw, Hielke en Niekele ieder voor eenderde eigenaar van de smederij worden. In de Leeuwarder Courant van 15 september 1989 staat dat door notaris Beugelink te Kollum een woonhuis met schuur, bijgebouwen, erf en grond aan de Voorstraat 15, groot 7.70 are, finaal voor H. (Hielke) Beerstra worden geveild. De afslag start bij ƒ 100.000 (inzet ƒ 57.000), waarop door G. Dam te Kollum wordt afgemijnd tot ƒ 75.000. In 1991 stelt de provincie Friesland ƒ 15.798 voor restauratie beschikbaar.

personeel smederij Beerstra

Vlnr. Sake Beerstra, Louw Beerstra, Jouke Bosma, Hielke Beerstra, Jan Beerstra

Op onderstaande schoolfoto, afkomstig uit "Kent u ze nog ... de Kollumers", uitgave van de Europese Bibliotheek te Zaltbommel, staan enkele Beerstra's, zoals Foekje, Hielke, Louw en Jan, maar ook mijn vader Hielke, oom Frans en tante Anna Wierstra. Jan Beerstra trouwde in 1929 te Kollum met tante Anna.

De uitgebreide beschrijving bij de foto luidt: Deze kinderen waren leerlingen van de openbare lagere school op het west van het dorp waar thans drukkerij Banda is gevestigd, De school met onderwijzerswoning werd gebouwd in 1843 en telde destijds ongeveer honderdtwintig leerlingen. Op de foto ziet u op de voorste rij van links naar rechts: Akke Schut, Marten van der Ploeg, Hendrik Bulthuis, Pieter de Boer, Albert Faber, Oege Faber, Bernardus Schut, Martinus Postma en Jan Postma. Tweede rij: Hielke Wierstra, Jan Bulthuis, Lambertus van der Ploeg, Jakob Pijnakker, Baafke van der Ploeg, Anna Krol, Emke Faber, To Mulder, Foekje Beerstra en Lutske de Boer. Derde rij: Frans Wierstra, Klaasje Pijnakker, Grietje Vries, Anneke Mebius, Nynke Mebius, Hielke Beerstra, Jan Krol, Jan Mulder, Wietske Schut (met Janna Schut op de arm) en Ids Schut. Vierde rij: Jakob Pijnakker, Etje Sibma, Janke Laverman, Anna Wierstra, Tjebbe van der Ploeg, Sieb Mebius en Iekje Eelzing, Bovenste rij: Ytzen van der Kooi, Jacobus Mebius, Louw Beerstra, Jan Beerstra, Frits Roelofs en Jasper de Boer. Links staat meester Westerbeek en rechts meester Wijma. De foto dateert van 1913.

schoolfoto 1913

De linker foto van de smederij staat op de site https://www.rtvnof.nl/historie-nof-in-beeld-24/. Wie staan op deze foto en wanneer is hij genomen? In het Nieuwsblad van Noord-Oost Friesland van 20 augustus 2007 stond de foto rechts van Louw Beerstra uit 1963.