Kollum

Voorstraat 42 (voormalige rusthuis Bethesda)

Voorstraat 42

Algemeen

hisgisDit is een rijksmonument, gelegen in de dorpskern aan de zuidkant van de Voorstraat en de westkant van de Eskesstraat, vroeger Tollingastraat geheten. Op bijgaand hisgis-kaartje is het met geelbruine kleur en roodomrand aangegeven. De oud-Kollumers zullen het pand kennen als het voormalige rusthuis Bethesda.

De zoektocht naar het eigendom van dit perceel leverde op dat gedurende de laatste drie eeuwen hier overwegend een dokter (vroeger chirurgijn of medicinae doctor geheten) zijn praktijk had. Bronnen waren de koopaktes in de proclamatieboeken en de floreen-, stem-, reëel- en speciekohieren, voor zover aanwezig. Verder heb ik gebruik gemaakt van Delpher, een fantastische digitale bron van kranten, boeken en tijdschriften.

Herma M. van den Berg besteedt in haar werk "De Monumenten van Geschiedenis en Kunst, Noordelijk Oostergo, Kollumerland en Nieuw Kruisland" op pagina 66 en 67 aandacht aan dit monument:

Deftig herenhuis van vijf venstertraveeën breed, dat blijkens de omlijsting van de ingangspartij uit de late 18e eeuw stamt. De kadastrale minutekaart geeft hier een niet zeer diep breed pand weer. De tegenwoordige bestemming van rusthuis heeft uitbreidingen naar achteren en aan de westzijde veroorzaakt. Het oorspronkelijke pand heeft een volle verdieping, waarboven de gevel afgesloten is door een geblokte kroonlijst met een eenvoudige dakkapel in het midden. Alle vensters hebben nog de verdeling in zes, of op de verdieping, vier kleinere ruiten. Boven de vensters twee steens hoge hanekammen, die stroken met de bloklijst boven de ingang, die gedragen wordt door twee Ionische pilasters. De bovendorpel van de ingang is met snijwerk versierd en het bovenlicht heeft een snijraam.

Drs. P. Karstkarel beschrijft uitgebreid dit "Bethesda-rusthuis op pagina 51 en 52 in "Bouwkunst in Kollumerland", dat in 1984 is uitgegeven door de Stichting Oud Kollumerland:

"Het Gereformeerd rust- en verpleeghuis Bethesda is gehuisvest in een twee bouwlagen hoog pand van vijf traveeën breed en met een schildkap. Het is na de oorlog nog uitgebreid met een pand van vergelijkbare grootte en met eenzelfde geledingsritme. Deze aanbouw kreeg zelfs evenals het oude pand een reeks dakkapellen. Op het oude gedeelte staan die precies midden boven de muurdammen, in de nieuwbouw uitgelijnd boven de ramen. Het is net of bij de nieuwbouw wel duidelijk aansluitng gezocht is bij het oude gedeelte, maar dan wel in bescheidenheid. De ontwerper heeft een uitgangspunt gekozen dat nog steeds respect afdwingt.

Het achttiende eeuwse gedeelte van Bethesda is eenvoudig, maar heeft enkele karaktertrekken die opvallen. Boven de brede, maar vrij gladde kroonlijst is de goot ondersteund door een reeks van blokjes die een flinke tandlijst vormen. Nog meer in het oog springt het centrum van de gevel, waar zich een ingangspartij bevindt. De deur met een rijk van loofwerk voorzien ovaalvormig bovenlicht wordt geflankeerd door vlakke ionische pilasters op hardstenen basementplaten. De kapitelen zijn fraai gesneden en bestaan uit eierlijsten, flinke voluten (de krullen) en een palmetje in het midden. Een fries en tandlijst dekken de deurpartij af. Tussen de basementen van de volgende pilasterstelling die een rondboogvenster omvat, zijn fijn gesneden festoenen aangebracht. Deze maal zijn het gegroefde dorische pilasters, die een vrij vlak fries als afsluiting dragen. Volgens de regels van het classicisme zijn de zuilenordes wat door elkaar gehutseld, er ontbreekt boven een balustrade, maar toch is het fraaie snijwerk (alles is in hout uitgevoerd) de aandachttrekker van het overigens vrij sobere gebouw.

Tot zover de architectuur. Oorspronkelijk was dit het tweede huis aan de zuidkant van de Voorstraat ten westen van de Eskesstraat, vroeger Tollingastraat geheten. De teksten van de koopaktes zijn niet letterlijk, maar voor de leesbaarheid hier en daar aangepast. Van elke eigenaar is een korte genealogie opgemaakt.

De oudst bekende eigenaar van het perceel is: Juliana Dorothea (van) Aylva (Augsbuurt/Lutjewoude 1671 - Augsbuurt 1733), dochter van Epo van Aylva en Luts (Lucia) van Aylva. Zij trouwt in 1693 in Lekkum met Wilhelm Fredrick baron van Schrat(t)enbach (1670 - Gerona, Catalonië, Spanje 1705), zoon van Wolff Sigusmundt en Lucia Barbara. Ze krijgen de kinderen: Wolff Sigusmundt (Holwerd 1693 - <1698), Lucia Juliana (1695), Barbera Elisabeta (Holwerd 1697), Wolff Sigmundt (Leeuwarden 1698), Johanna Wilhelmina (Holwerd 1699 - Leeuwarden 1759) en Douwe Erenst (Holwerd 1700).

In 1728 is de weduwe van Jan Jansen Schroor eigenaar en gebruiker van het perceel met stem nummer 50. In 1730 koopt Aldert Ritskes het van Juliana Dorothea van Aylva. Dat betekent dat zij het huis met hof tussen 1728 en 1730 moet hebben gekocht. In het stemkohier van 1738 is haar vader Epo Aylva de Coninck eigenaar van de grond en is Weidenaar gebruiker.

De echtelieden Aldert Ritskes en Jetske Johannes uit Kollum proclameren een huis en hof met bomen en plantagie met bedsplanken en borden in de boddelarij en de ijzeren heerdstander, staande en gelegen aan de westkant van de stenen piep en ten zuiden van de straat te Kollum, hebbende Aak Reins ten oosten, de arme staat cum. soc. ten zuiden, de arme staat ten westen en de straat ten noorden, doch met uitzondering van de grond of het hornleger waarop het huis staat met stemgerechtigheid staande in het stemkohier op nr. 50 waarbij de kopers de vrijheid hebben om het huidige huis te laten staan dan wel een nieuwe woning erop te laten zetten tegen een eeuwigdurende pacht van drie stuivers acht penningen; vrij van floreen, maar bezwaard met twee goudguldens jaarlijkse grondpacht aan de erven van dr. Burquoij. Gekocht op 13 september 1730 van Juliana Dorothea van Aylva, de weduwe van wijlen W(illem) F(rederik), baron van Schratenbach, in leven generaal-majoor over de militie der Verenigde Nederlanden, wonende te Augsbuurt, voor 175 caroligulden van 20 stuivers in één termijn in klinkende munt te betalen op 1 mei 1731. Eerste proclamatie op 17 oktober, de tweede op 31 oktober en de derde en laatste op 21 november 1730.

Aldert Ritskes en Jetske Johannes trouwen op 21 juli 1720 te Kollum. Ze krijgen de kinderen: Yetsche (Kollum 1722 - Kollum <1727), Ritsche (Kollum 1724 - Kollum < 1733), Yetske (Kollum 1727 - Kollum < 1735), Johannes (Kollum 1730), Ritsche (Kollum 1733) en Yetske (Kollum 1735). Aldert Ritskes is timmerman.

De echtelieden mr. chirurgijn Evert Philips Weidenaar en Eelkjen Reyners uit Anjum proclameren een huis en hof met bomen en plantagie met bedsplanken en borden in de boddelarij en de ijzeren heerdstander, staande en gelegen op het westeinde van de buurt van Kollum, hebbende Aak Reins ten oosten, Jan Popckes ten zuiden, de arme staat ten westen en de straat ten noorden, belast met derdehalf (=twee en een halve) floreen grietenijkosten, vierdehalf (= drie en een halve) stuiver voor het stemrecht aan de erven van mr. Schratenbach. Gekocht op 1 november 1735 van mr. timmerman Aldert Ritskes en Jitske Johannes, echtelieden te Kollum, voor 1.000 caroligulden en een zilveren dukaton, ingaande 12 mei 1736. Eerste proclamatie op 8 november, de tweede op 22 november en de derde en laatste op 6 december 1735.

Evert Philippus Weijdenaar (Oostermeer 1698 - Kollum < 1736), zoon van Philippus Leenaerts Barbier en Tjerkje Krijns Ruitenburgh, trouwt in december 1719 te Dokkum met Eelkjen Reinderts Dijkstra. Kinderen: Philippus (Oostermeer 1720 - Anjum ca 1772), Aaltje (Oostermeer 1722 - <1732), Antje (Anjum 1724), Hiltje (Anjum 1726), Reinder (Anjum 1729 - Anjum <1733), Aaltje (Anjum 1732) en Reinder (Anjum 1733). Bij de quotisatie van 1749 woont de weduwe als"gemene coopvrouw" in Kollum.

Pier Jelles te Kollum proclameert een heerlijk huis en hof met bomen en plantagie, door medeverkoper Philippus Weidenaar bewoond en gebruikt met als naastlegers B. van Hateren ten oosten, Wibe Hendriks ten zuiden, de arme staat ten westen en de straat ten noorden. Op 12 mei 1748 vrij van huur, vrij van grondpacht, maar belast met de grietenijkosten van twee en een halve floreen en met drie stuivers acht penningen jaarlijkse eeuwige huur voor het gebruik van het stemdragend hornleger aan de erven van mr. Schratenbach. Gekocht op 29 april 1748 van Eelkjen Reinders te Kollum, de weduwe van Evert Weidenaar, voor de helft en als moeder en wettige voogdes over Aaltje en Reinder Weidenaar voor nog een vierde deel, van mr. chirurgijn Philippus Weidenaar te Kollum voor een achtste deel en van Antje Weidenaar, de huisvrouw van mr. brouwer Rints Claesen te Kollum voor het resterende achtste deel, in totaal voor 1.200 caroliguldens à 20 stuivers ieder plus twee gouden dukatons. Eerste proclamatie op 25 februari, de tweede op 11 maart en de derde en laatste op 25 maart 1749.

Oud-kapitein van de Oostindische Compagnie Pier Jelles (onbekend - Kollum 1767?) trouwt in 1748 te Kollum met Marike Regnerus (Kollum 1721 - Kollum 1806). Kinderen: Jelle (Kollum 1749 - Kollum <1753), Baukje (Kollum 1750 - Kollum < 1751), Baukje (Kollum 1751), Jelle (Kollum 1753), Geeltje (Kollum 1754), Beerentje (Kollum 1756), Pytter (Kollum 1758), Johannes (Kollum 1761) en Regnerus (Kollum 1764).

Oud-brigadier Gerardus Beilanus de Wendt te Kollum proclameert een huis met hof, bomen en plantagie alsmede de bedsplanken, borden in de boddelarij en heerdstander in de kamer, staande en gelegen aan de westkant van de stenen pijp met als naastlegers de bode B. van Hateren ten oosten, Wijbe Hendriks ten zuiden, de hr. grietman Hiemstra en de arme staat ten westen en de straat ten noorden, door de verkoper bewoond en gebruikt. Op 12 mei 1767 vrij van huur, verder vrij van grondpacht, maar belast met grietenijkosten van twee en een halve floreen en drie stuivers en acht penningen jaarlijkse eeuwige huur aan de hr. M. van Scheltinga voor het gebruik van het stemdragend hornleger. Gekocht op 15 januari 1767 van Marike Regnerus, de weduwe van de oud-kapitein Pier Jelles voor zichzelf en als moeder en wettige voorstander over haar vijf kinderen uit het huwelijk voor 2.300 caroliguldens à 20 stuivers. Eerste proclamatie op 3 februari, de tweede op 17 februari en de derde en laatste op 10 maart 1767.

Gerardus Beilanus de Wendt (1712 - Dronrijp 1788), trouwt in 1744 te Batavia met Johanna Wilhelmina Muntz ('s-Hertogenbosch 1730 - Batavia 1763), dochter van Rudolphus Muntz en Theodora Krayenhoff. Het echtpaar krijgt één dochter: Theodora Rudolfa (1748). Na het overlijden van Johanna trouwt hij in 1767 te Ee met Lucia Aurelia Schik (Dronrijp 1722 - Dronrijp 1787), dochter van Johannes Casparus en Lucia Johannes Rodenhuis. De Wendt was in dienst van de VOC.

De echtelieden Johannes Blom, meester chirurgijn en Zwaantie Kiers te Kollum proclameren een huis met hof, bomen en plantagie, staande en gelegen aan de westkant van de stenen pijp met als naastlegers de verkoper ten oosten, Wibe Hendriks ten zuiden, de hr. grietman Hiemstra ten westen en de straat ten noorden, op 12 mei 1768 vrij te aanvaarden, vrij van floreen en grondpacht, doch belast met de grietenijkosten van twee en een halve floreen en drie en een halve stuiver jaarlijkse eeuwige huur aan de hr. Van Scheltinga voor het gebruik van het stemdragend hornleger. Gekocht op 16 maart 1768 van Gerardus Beilanus de Wendt, gecommitteerde Staat van Frieslandt voor 865 goudguldens en zeven stuivers. Eerste proclamatie op 22 maart, de tweede op 12 april en de derde en laatste op 20 april 1768.

overlijdensadvertentie BlomJohannes Blom (Ternaard 1723 - Schiermonnikoog 1801), zoon van Casparus Blom en Geertruida Eerligh, trouwt in 1752 in Zuidbroek met Zwaantje Kiers (Zuidbroek 1732 - Kollum 1778), dochter van Willem Kiers en Aagtje Klaassens. Johannes en Zwaantje krijgen elf kinderen: Geertruid (Zuidbroek 1753), Aagtje (Zuidbroek 1754 - Schiermonnikoog 1804), Kasperina Willemina (Zuidbroek 1756; trouwt in 1782 in Kollum met zilversmid Eise Ruardi), Geesje (Zuidbroek 1758 - <1769), Willem (Zuidbroek 1760; trouwt in 1782 in Leeuwarden met Hendrika Vermeulen), Kasper (Loppersum 1763), Addeko Johannes (Kollum 1766 - Baard 1843), Geesyn (Kollum 1769 - Kollum <1772), Geesyn (Kollum 1772 - Schiermonnikoog 1853) en Abram Ebbo (Kollum 1775). In 1800 vertrekt Johannes Blom naar Schiermonnikoog en overlijdt daar één jaar later.

De echtelieden Willem Hylles de Zwart, chirurgijn te Oostermeer, en Yke Reeling proclameren een deftig huis met hof, bomen en plantagie cum annexis, staande en gelegen aan de westkant van de pijp in de Kerkeburen te Kollum, nu nog bij de verkopers in gebruik maar op 12 mei 1799 vrij te aanvaarden, vrij van floreen en grondpacht maar met twee en een halve floreen reële kosten. Naastlegers zijn E. de Wendt en de Tollingastraat ten oosten, de arme staat van Kollum ten zuiden, de weduwe Zietsma ten westen en de algemene straat ten noorden. Als gerechtigheden worden genoemd een vrije steeg ten westen en een stuk grond achter het hof van E. de Wendt grenzende aan de Tollingastraat. Gekocht van Jan Johannes Blom, chirurgijn te Kollum, voor 1.500 caroliguldens. Eerste proclamatie op 4 juni, de tweede op 18 juni en de derde en laatste op 2 juli 1799.

Willem Hylles Swart (Oostermeer 1751 - Oostermeer 1831), zoon van Hylle Symens Posthumus Swart en Lutske Wybes Tadema, trouwt in 1773 in Oostermeer met Yke Nicolaas Reeling (Joure 1750 - Oostermeer 1815), dochter van Nicolaas Reeling en Roelofke Beerns. Willem en Yke krijgen zeven kinderen: Lutske (Oostermeer 1774 - Kollum 1858), Hylle (Oostermeer 1776 - Kollum 1852), Nicolaas (Oostermeer 1779 - Amsterdam 1843), Roelofke (Oostermeer 1782 - Oostermeer < 1793), Riemkjen (Oostermeer 1785 - Ruigezand onder Oldehove 1808) en Wybe (Oostermeer 1789 - Leeuwarden 1859) en Roelofke (Oostermeer 1793 - Oostermeer 1867).

Vermoedelijk koopt Willem Hylles Swart het huis voor zijn zoon Hylle, vandaar ook van hem een korte genealogie. Hylle Swart (Oostermeer 1776 - Kollum 1852) trouwt in 1803 in Franeker met Lutske Haitsma (Franeker 1775 - Kollum 1826), dochter van Paulus Haitsma en Janneke van der Meulen. Kinderen: Yke (Kollum 1804 - Kollum 1887), Willem (Kollum 1806 - Kollum 1875), Janneke (Kollum 1808- Kollum 1814), Paulus (Kollum 1810 - 's Gravenhage 1872), Simon Nicolaas (Kollum 1812 - Oudeschoot 1870), Johannes (Kollum 1815 - Kollum 1815), Johannes (Kollum 1817 - Kollum 1817) en Janneke (Kollum 1820 - Kollum 1875). Hylle is med. et art. obst. doctor oftewel heel- en vroedmeester te Kollum, dus ook verloskundige.

LC_18530205Na het overlijden van vader Hylle in 1852 verkopen de kinderen Yke, Willem, Paulus, Simon Nicolaas en Janneke publiekelijk de herenbehuizing. Daartoe organiseert notaris mr. Andreae te Kollum op 22 januari 1853 een provisionele verkoping in het gemeentehuis van Kollum. De finale verkoop is kort daarna, op 5 februari, ditmaal in hotel De Roskam.

Korte samenvatting van de koopakte:

eene heeren-huizinge, gequoteerd wijk A Nummer 70, wagenhuis daaraan verbonden, en stalling en bergplaats staande achter de huizinge wijk A Nummer 71 met erf, grooten tuin, en afzonderlijk hok of bergplaats cum annexis aan de Tolsteeg, alles staande en gelegen op het west van den dorpe Kollum, ten kadaster bekend gemeente Kollum in Sectie D als volgt: de heerenhuizinge met wagenhuis en erf onder Nummer 10, voor eene grootte van drie roede tachtig el; de stalling en bergplaats als uitmakende het zuidelijke gedeelte van het perceel onder Nummer 11, bekend als huis en erf voor eene geheele grootte van twee roede veertig el; de groote tuin onder Nummer 9 voor eene grootte van elf roede dertig el; het hok of bergplaats cum annexis aan de Tolsteeg onder Nummer 690 als stal en erf voor eene grootte van een roede zes el; hebbende om het geheel als naastlegers ten oosten de heer Eskes, weduwe Ritsma en de Tolsteeg, ten zuiden de heer Eskes met een plek gronds, Louw Geerts Steegstra en de diaconietuin, ten westen de diaconietuin, erven Sikke Poppema en vrouw en het volgende perceel, ten noorden de straat; belast met de volgende landsfloreenen als het perceel sectie D Nummer 10 met twee en een half floreen op Nummer 54 te Kollum, het perceel sectie D Nummer 9 met een en half floreen op Nummer 55 aldaar, en het gedeelte van het perceel sectie D Nummer 11 met een floreen op Nummer 56 te Kollum.

Hoogste bieder op de provisionele verkoping is koopman Wijtse Alberts van Bruggen uit Engwierum met 2.552 gulden. Op de finale verkoping is hoogste bieder en eigenaar met 3.200 gulden Michael Remko Wijbelingh, medicinae doctor te Kollum.

overlijdensadvertentie WijbelinghMichaël Remko Wijbelingh (Grijpskerk 1820 - Kollum 1870), zoon van predikant Jan Wijbelingh en Harmanna Post. Blijft ongehuwd. Van Wijbelingh is verder niet veel bekend, behalve het berichtje in de Leeuwarder Courant van 16 mei 1845: GRONINGEN, den 12 Mei. Den 10 dezer is bij onze Hoogeschool, na afgelegd examen en het verdedigen van verloskundige stellingen, tot Doctor in de Vroedkunde bevorderd de heer M. R. Wijbelingh, med. doctor te Kollum.

Na het overlijden van zijn broer verkoopt Henderikus Wijbelingh, predikant te Rottevalle, op 5 oktober 1870 het huis aan de opvolger van zijn broer in Kollum: Albertus Johannes de Groot.

Een heeren-huizinge met wagenhuis, stalling, erf, tuin en verder aanhoorigheden, alles staande en gelegen te aan de Voorstraat op het west van den dorpe Kollum, benevens eene huizinge met erf aldaar, ten westen van en aan het vorige, ten kadaster bekend gemeente Kollum, sectie D nummer 10, als huis en erf groot drie aren tachtig centiaren, nummer 11, idem, groot twee aren veertig centiaren, nummer 9, tuin, groot elf aren dertig centiaren, en nummer 690, als stal en erf, groot een are zes centiare, hebbende vastigheden tot naastlegers ten oosten den heer Hendrikus Eskes, Pieter Ritsma en de Tolsteeg, ten zuiden den heer Eskes, Jan Louws Steegstra en de diaconietuin, ten westen de diaconietuin en Teunis Zeldenrust en ten noorden de straat, belast met de volgende landsfloreenen, als het perceel Sectie D nummer 10 met twee en een half floreen op nummer 54 te Kollum het perceel nummer 9 met een en een half floreen op nummer 55 aldaar, en het perceel nummer 11 met een en een half floreen op nummer 56 aldaar. [...] De toonbank benevens de apotheekkast met borden en planken is in den koop begrepen. [...] Koopsom 5.000 gulden.

Albertus Johannes de Groot (Vries 1831 - Arnhem 1905), medicinae doctor te Kollum, zoon van predikant Dirk Albertus de Groot en Udina Henrica Costerus, trouwt in 1858 te Sneek met Pronica Johanna Benthem Reddingius (Sneek 1833 - Arnhem 1904), dochter van kantonrechter Rutger Adolph Benthem Reddingius en Johanna Hermana Feickens. Albertus en Pronica krijgen zes kinderen: Dirk Albertus (Kollum 1860 - Groningen 1891), Johanna Hermanna (Kollum 1861 - Dieren 1928), Henrica Udina (Kollum 1862 - Medan, Sumatra 1887), Elisabeth Klazina (Kollum 1863 - 's Gravenhage 1890), Rutger Adolf (Kollum 1865 - Wassenaar 1951) en Cornelis Antonie (Kollum 1867 - Kollum 1868).

Op 15 september 1898 verkoopt Albertus Johannes de Groot zijn huis aan zijn opvolger August Adolf Ladage, medicinae doctor en arts te Leiden.

Eene heerenhuizinge met wagenhuis, stalling, bergplaats, erf, tuin en verdere aanhoorigheden, alles staande en gelegen aan de voorstraat op het west van het dorp Kollum, benevens eene huizinge met erf aldaar in gebruik bij Ids Dijkstra, ten westen van en aan het vorige, welke perceelen ten kadaster bekend zijn Gemeente Kollum Sectie D nummers 9, tuin, groot elf are dertig centiare, 1006, erf, groot een are zes centiare, 1007, huis en erf, groot drie are vijfenzeventig centiare en 1008 huis, schuur en erf, groot twee are vijfenveertig centiare. [...] Koopsom 6.750 gulden.

August Adolph Ladage (Leiden 1874 - Zeist 1949), zoon van koopman Johann Ladage en Bertha Sophia Jändges, trouwt in 1898 te Leiden met Anna Clasina Ladage (landgoed Djoeleg district Klingie afdeeling Blitar, Oost-Java 1872 - Zeist 1956), dochter van Pieter Ladage en de Chinese O Mas. Kinderen: Anton (Naaldwijk 1888 - 's-Gravenhage 1965; wordt op 25 juni 1895 door August Adolf Ladage erkend als zijn natuurlijke zoon), Johann Pieter (Kollum 1899 - Tjimahi kamp 4, West-Java 1945) en August Willem (Kollum 1900 - Watergraafsmeer 1917). Direct na zijn huwelijk vestigt de bruidegom zich op 22 september 1898 als arts te Kollum. Een week daarvóór heeft hij het huis in Kollum gekocht. Nog geen drie jaar later, in april 1901 vertrekt het gezin naar Amsterdam. Dat is merkwaardig kort voor een dorpsdokter. Uit krantenberichten blijkt dat hij zich in Watergraafsmeer heeft gevestigd. Op 13 april 1901 verkoopt hij zijn huis aan Adrianus Schuckink Kool.

Een heerenhuis met wagenhuis, stal, bergplaats, erf en tuin, staande en gelegen aan de Voorstraat op het west van Kollum, benevens een daarnaast gelegen huis en erf in gebruik bij Ids Damsma, bij het kadaster der gemeente Kollum bekend in Sectie D nummers 9, 1006, 1007 en 1008 tezamen groot achttien aren en zesenvijftig centiaren. [...] Koopsom 4.500 gulden.

Adrianus Schuckink Kool (Beverwijk 1873 - Utrecht 1956), zoon van tabakshandelaar Pieter Schuckink Kool en Alida Wilhelmina de Bruijn, trouwt in 1900 in Beverwijk met Jenny Muijderman (Gorton West, Manchester 1874 - Utrecht 1952), dochter van de ambtenaar Staatsspoorwegen Walter Gerard Muijderman en Elizabeth Crutchley. Kinderen: Alida Wilhelmina (Kollum 1901 - Hilversum 1986), Pieter (Kollum 1907 - Palembang, Sumatra 1945), Paulus Agge (Beverwijk 1909 -Bilthoven 1981) en Cornelis Hadrianus (Beverwijk 1912 - Amsterdam 1942). In maart 1901 vestigt Schuckink Kool zich met zijn echtgenote vanuit Meppel in Kollum. In december 1907 vertrekt hij naar Beverwijk; de rest van de familie volgt een maand later. Na Ladage weer een randstedeling die het na enkele jaren voor gezien houdt. In 1914 stopt Schuckink Kool als huisarts en wordt directeur van de Gemeentelijke Gezondheids Dienst te Utrecht. Op 1 november 1907 verkoopt Schuckink Kool het pand aan Dirk Wiersma.

Een heerenhuis met wagenhuis, stal, bergplaats, erf en tuin, staande en liggende aan de Voorstraat op het west van Kollum, bij het kadaster der gemeente Kollum bekend in Sectie D, nummers: 1007, groot drie aren vijfen zevetig centiaren, 1458, groot elf aren vijftig centiare, benevens het ten westen van nummer 1007 staande schuurtje met daarachter gelegen grond, uitmakende het zuidelijkst gedeelte van het perceel, bij het kadaster dezelfde gemeente en sectie bekend onder nummer 1008, geheel groot twee aren vijfenveertig centiaren. [...] Koopsom 6.000 gulden.

Opvolger Dirk Wiersma uit Kollum zal ook slechts kort huisarts in Kollum zijn, maar dat komt door zijn vroegtijdig overlijden "na een korte doch hevige ongesteldheid". Dirk Wiersma (Burum 1878 - Kollum 1911), zoon van het landbouwersechtpaar Leendert Wiersma en Klaaske Venema, trouwt in 1910 te Kollum met Janke Tijmstra (Kollum 1887 - Wassenaar 1979), dochter van olieslager Sybren Tijmstra en Antje Poortinga. In 1916 hertrouwt de weduwe te Kollum met diens broer, landbouwer Martinus (Burum 1873 - Kollum 1932). Ze krijgen een zoon Leendert Jelte (Kollum 1917 - Dordrecht 2004) en een dochter Anna Klazina (Kollum 1918 - Rijswijk, ZH 2004).

dokterswoningOpvallend is dat er vrijwel geen afbeeldingen zijn van het deel van de Voorstraat waar de dokterswoning stond. Op afbeelding 71 in het boekje "Kollum in oude ansichten, deel 2" van de Europese bibliotheek te Zaltbommel staat een postbode op de stoep van de woning van dokter Dirk Wiersma. En helemaal links alleen de rechtermuur.

Vanaf Blom tot en met Wiersma, ofwel van 1768 tot 1911, dus 143 jaar lang, is dit pand een dokterswoning geweest. Nu is daaraan een definitief einde gekomen, want het huis blijft in de familie Wiersma. De opvolger van Dirk Wiersma, Ate Abel Meijer, blijft er nog een tijdje wonen, totdat in 1913 het prachtige huis aan de Voorstraat 5 onder architectuur van Zondag is gerealiseerd. Na het overlijden van Dirk Wiersma is het eigendom als volgt verdeeld: Klaaske Venema (moeder van Dirk) een kwart en 3/16 voor de vier in leven zijnde broers van Dirk (Jelte, Hendrik Jan, Enno en Martinus). Janke erft het perceel niet vanwege op 30 juli 1910 opgestelde huwelijksvoorwaarden. Na het overlijden van moeder Klaaske Venema op 13 mei 1919 is er in een akte van 20 december 1919 sprake van een boedelscheiding tussen de vier broers, waarbij Martinus Wiersma enig eigenaar wordt. Pas na diens overlijden wordt weduwe Janke Tijmstra in een akte van scheiding en deling van 2 maart 1932 alsnog enig eigenaar. Kort daarop, op 19 september 1933, verkoopt ze het pand aan Pieter Reitsma (directeur van de zuivelfabriek Huisternoord) en postbode Geert Boorsma, resp. voorzitter en secretaris van het college van diakenen,vertegenwoordigend de diaconie der Gereformeerde Kerk te Kollum.

De standaard 30 mei 1934

Een heerenhuis met schuur tuin en erf staande en gelegen aan de Voorstraat op het westeinde te Kollum , kadastraal bekend in gemeente Kollum Sectie D nummer 1488, groot zeventien aren vijf centiaren. [Nu volgen een aantal bijzonderheden die ook in eerdere koopaktes stonden vermeld, maar misschien is het toch wel interessant om te weten] De tuin is op de Zuidzijde belast met een riool onder of op den grond tot afvoer van het water van de huizen van: J.P. Pruiksma, weduwe Jacob Feitsma en kinderen, weduwe Ganzevoort en de gemeente Kollumerland, welke perceelen belast zijn met het onderhoud van dat riool. Met uitzondering van het stek tot adscheiding van het erf van de dames Eke en Trijntje Stuur is het onderhoud van alle schuttingen, stekken of hagen tot afscheiding van het verkochte ten laste daarvan. De pijp lopende vanaf het schuurtje tot den hoek van het huis ten Noorden is daar ter beste [?]. Vorenstaand onroerend goed heeft de verkoopster verkregen bij acte van scheiding den tweeden Maart negentien honderd twee en dertig voor mij notaris [Feike Wassenbergh te Kollum] verleden.[...] Koopsom 5.500 gulden [...] Aanvaarding 1 april 1934.

Na de aankoop kan de verbouwing tot een rusthuis beginnen. In De Standaard van 14 september 1933 valt daarover onder de kop "Uitbreiding rusthuis" het volgende te lezen:

Door de Diaconie der Geref. Kerk te Kollum is aangekocht een groot heerenhuis met tuin, van mevr. de wed. Wiersma-Tymstra, aan de Voorstraat aldaar. De bedoeling is dit pand te bestemmen tot rusthuis voor hulpbehoevende en alleenstaande ouden van dagen.

foto 1934Reeds jaren werd door de Diaconie de behoefte gevoeld aan een dergelijk rusthuis. In het voorjaar 1931 werd op bescheiden wijze met dezen arbeid aangevangen. Een drietal aan de Diaconie behoorende woningen werd samengetrokken tot één gebouw, en ingericht tot rusthuis voor tot de Kerk behoorenden. Het kleine stekje is voorspoedig gegroeid. Het tehuis is doorloopend geheel bezet. Vandaar dat reeds eenigen tijd gedacht werd aan uitbreiding.

Door den aankoop van genoemd pand hetwelk men het volgend jaar in gebruik hoopt te nemen, kan deze uitbreiding thans tot stand komen.

In de loop der jaren ontstaat steeds meer behoefte aan uitbreiding. Die mogelijkheid ontstaat in 1953 door de onderhandse aankoop van het westelijk van het rusthuis naastgelegen pand. Na een grondige verbouwing komt er een vergroot rusthuis tot stand, waarover De Friese Koerier op 4 maart 1955 onder de kop Vergroot rusthuis te Kollum geopend schrijft:

Dinsdagmiddag is het verbouwde en vergrote rusthuis "Bethesda" van de diaconie der Geref. Kerk te Kollum officieel door ds. A. Mout geopend. Verschillende sprekers, o.w. burgemeester Praamsma, voerden het woord. De vader van het rusthuis, de heer F. van der Horn (afkomstig van Oudeschoot) bood een fraaie maquette van het gebouw aan, waaraan hij meer dan 200 uren had gewerkt. Bovendien schonk hij ongeveer 120 foto's, tijdens de bouw genomen. Voorts waren er vele andere cadeaux en bloemstukken. Vóór de verbouwing konden 24 ouden van dagen in het gebouw een plaats vinden en nu 50.

Na deze verbouwing doet zich echter al weer snel de behoefte aan uitbreiding gevoelen. Daartoe koopt het bestuur in 1965 een drietal huizen in de Eskesstraat aan, t.w. het woonhuis met boerenschuur van A.R. Nauta en de dubbele woning van mej. Ganzevoort. Dat zijn de eerste drie huizen op de middelste afbeelding. De foto links toont de "Eskesstraat-situatie" na afbraak en herbouw en de foto rechts het complete complex. Na de verbouwing kent Bethesda twee adressen: het aloude Voorstraat 42 en daarnaast Eskesstraat 2-6.

Toch is het daarna geen hosanna voor de bejaardenhuizen meer en in de Leeuwarder Courant van 28 februari 1990 wordt de fusie tussen de bejaardenoorden Bethesda en Nij Meckama aangekondigd. De fusie is gepland op 1 januari 1991.

Bijgaand een samenvatting van het artikel:

KOLLUM - De bejaardenoorden Bethesda en Nij Meckama in Kollum gaan per 1 januari 1991 fuseren in een nieuwe stichting, die is gebaseerd op algemene grondslag. Dit is gisteren door bestuur en directie van de tehuizen bekend gemaakt. De fusie is noodzakelijk om het voortbestaan in de toekomst te verzekeren. De bejaardenoorden moeten in totaal 39 verzorgingsplaatsen inleveren. De bezuiniging, die neerkomt op een korting van ƒ 1 miljoen op de subsidie, krijgt dit jaar en volgend jaar zijn beslag. De besturen onderzoeken nog hoe de capaciteitsvermindering kan worden opgevangen. Voor de bejaardenoorden zal een opnamestop van kracht worden.

Even is er de hoop geweest, dat de geplande bezuinigingen met een nieuw kabinet aan het bewind niet zouden doorgaan. Maar dat bleek ijdele hoop. Aan de eis om totaal 39 verzorgingplaatsen in de beide bejaardenoorden in te leveren valt niet te ontkomen. Bethesda moet 14 plaaten inleveren en gaat van 55 naar 41 verzorgingsplaatsen en Nij Meckama raakt 25 plaatsen kwijt. Hier blijven van de 92 plaatsen nog 67 over. Als de krachten nu niet door een fusie worden gebundeld is het zeker, dat de tehuizen niet kunnen blijven voortbestaan, aldus voorzitter Wybe de Groot van Bethesda.

[...] Het is nog niet bekend wat met de ruimte gebeurt die door de bezuiniging vrijkomt. Voor Nij Meckama bestaan wel verbouwingsplannen ter verbetering van de voorzieningen: vergroten van de ontvangstruimte, uitbreiding van de winkel en vergroting van badkamers die nu aan de krappe kant zijn. Door kamers samen te voegen zou een fysiotherapeut er een praktijk kunnen vestigen.

Maar het einde van Bethesda komt al snel in zicht, aldus de Leeuwarder Courant van 5 oktober 1993 met de kop Bejaardenoord Kollum dicht door geldnood.

KOLLUM - Bejaardenoord Bethesda in Kollum gaat nog dit jaar dicht. Vorige week zijn de 41 bewoners en de 25 personeelsleden op de hoogte gebracht. De sluiting is een gevolg van grote financiële problemen bij de stichting Zorgcentra Kollum. Inmiddels zijn de directeur en administrateur op non-actief gesteld nadat het bestuur van de stichting al eerder op een zijspoor is gezet. [...]

De problemen bij Bethesda zijn niet van de laatste tijd. Na de fusie begin 1992 met het andere bejaardenoord Nij Meckama in Kollum kwam de stichting al snel in financiële moeilijkheden. Het bestuur weet die problemen zowel aan de bezuiningen als aan een van de fusievoorwaarden. Er mochten na het samengaan van de beide tehuizen geen gedwongen ontslagen volgen. Een personeelslid dat niet met name genoemd wil worden, noemt mismanagement de oorzaak van de sluiting. Op korte termijn zullen 25 bewoners van Bethesda overgeplaatst worden naar Nij Meckama. Wanneer de overige zestien moeten verhuizen is op dit moment nog niet bekend. Evenmin is bekend wat er met het personeel onder wie veel part-timers, gaat gebeuren. Voorzitter Wybe de Groot van de stichting Zorgcentra Kollumerland wenst noch te bevestigen noch te ontkennen dat het bestuur op een zijspoor is gezet. „Wij hebben afgesproken geen mededelingen naar buiten te doen en daar houd ik mij aan", aldus de Groot. Interim-manager Jasper Elzinga was vanmorgen niet voor commentaar bereikbaar.

Naderhand zijn in het Bethesda-gebouw aan de Eskesstraat 16 appartementen gecreëerd. In de pand aan de Voorstraat is momenteel een buitenschoolse opvang gevestigd, Tiko genaamd. Daarmee ben ik aan het einde gekomen van dit onderzoek. In tegenstelling tot Karstkarel ben ik nooit gecharmeerd geweest van zo'n groot gebouw aan de Voorstraat. Jammer dat de oude dokterswoning de moderne tijd niet heeft overleefd.