Kollum

Voorstraat 70

Algemeen

afbeelding_1964Dit is een rijksmonument. Herma M. van den Berg besteedt in haar werk "De Monumenten van Geschiedenis en Kunst, Noordelijk Oostergo, Kollumerland en Nieuw Kruisland" op pagina 64 aandacht aan dit monument:

Eenvoudig woonhuis onder zadeldak tegen een topgevel aan de straat, die halverwege de helling schouderstukjes heeft, waar mogelijk bollen of andere versieringen op gestaan hebben.

Drs. P. Karstkarel beschrijft de smederij eveneens in "Bouwkunst in Kollumerland", dat in 1984 is uitgegeven door de Stichting Oud Kollumerland:

Dit onlangs schoongemaakte pand is een opmerkelijk vorbeeld van een kruising van een trap- en tuitgevel. De trappen zijn echt uitgemetseld en voorzien van afdekplaten van hout. De ramen lijken nog oorspronkelijk te zijn en zitten waarschijnlijk nog op dezelfde plaats. Mogelijk dateert dit huis (thans winkel) uit de vroege achttiende eeuw. Een op het westelijk schild geplaatste hoge en decoratieve schoorsteen is omstreeks 1903 aangebracht. Het is een opmerkelijk pand dat nadere bestudering verdient.

Mogelijk bedoelt Karstkarel met de decoratieve schoorsteen de vrij hoge schoorsteen op deze afbeelding uit 1964 (met dank aan Herma M. van den Berg).

minuutplan

Na 1832

Bij de invoering van het kadaster is het huis met erf en schuur, groot 1 are 26 ca, kadastrale aanduiding D356, het eigendom van koopman Bartele Rinses van der Schoor. Hij is ook eigenaar van het naastgelegen pand D355.

Bartele Rinses van der Schoor wordt op 12 oktober 1755 te Ezinge gedoopt, genaamd Bartelt, zoon van Rense Harms en Aaltjen Derks. Eerst trouwt hij op 17 mei 1784 te Kollum met Martjen Heertjes (Kollum 1745 - Kollum 1796), dochter van Heertje Martens en Janke Luitjens. Dit huwelijk blijft kinderloos. Bij het overlijden van Martjen is Bartele mr. timmerman. Op 6 mei 1798 hertrouwt hij in Kollum met Dieuwke Arjens (Augsbuurt 1759 - Kollum 1800), dochter van Arjen Aebeles en Trijntje Lous. Bartele en Dieuwke krijgen een dochter Dieuwke (Kollum 1800 - Kollum 1880). Moeder Dieuwke overlijdt in het kraambed. Op 15 mei 1803 trouwt Bartele op 15 mei 1803 in Kollum voor de derde keer, nu met Trijntje Doekes (Kollum 1763 - Kollum 1829), dochter van Doeke Tjebbes en Hiltjen. Zij krijgen een dochter Aaltje (Kollum 1805 - Kollum 1807). Op 31 januari 1812 neemt Bartel Rinzes de achternaam Van der Schoor aan. Hij heeft "een dogter Dieuwke oud 10 jaar woonende te Collum". Echtgenote Trijntje Doekes neemt de achternaam Smids aan. Bartele overlijdt op 16 mei 1833 als rentenier te Kollum.

Na het overlijden van vader Bartele gaat het eigendom van het huis over naar dochter Dieuwke en haar echtgenoot Djurre Kornelis Broersma (Kollum 1791 - Kollum 1875), zoon van het landbouwersechtpaar Kornelis Ebbes Broersma en Tjitske Tjipkes Rinsma. Dieuwke en boerenknecht Djurre zijn op 18 mei 1823 te Kollum met elkaar getrouwd. Ze krijgen vier kinderen: Tjitske (Kollum 1824 - Kollum 1859), Bartel (Kollum 1826 - Kollum 1876), Trijntje (Kollum 1830 - Metslawier 1873) en Korneluske (Kollum 1838 - Groningen 1920).

In 1880 zijn beide ouders overleden. In een akte van scheiding en deling, verleden voor notaris Daniël Hermannus Andreae te Kollum, gedateerd 1 februari 1881, blijkt Dieuwke van der Schoor naast vele hectares wei- en bouwland eigenaresse te zijn van de beide naast elkaar gelegen huizen D355 en D356, die als volgt worden omschreven: "twee huizen met schuur erf en aanbehooren, staande en geleegen in de buurt te Kollum, ten kadaster bekend gemeente Kollum sectie D nummers 355 groot twee ares twintig centiares, 356 groot een are zesentwintig centiare, zijnde nummer 355 belast met twee landsfloreen op nummer 27 te Kollum, gewaardeerd op tweeduizend driehonderd gulden. Van de voorenstaande perceelen bestaan volgens verklaring van de comparanten geene bewijzen van eigendom of titels van aankomst". Landbouwer Gosse Postma te Kollum, echtgenoot van jongste dochter Korneluske, wordt dan eigenaar van beide huizen.

In 1882 is sprake van sloping en gedeeltelijke samenvoeging met D355 waardoor een nieuw perceel ontstaat, kadastraal genummerd D1057, huis schuur en erf, groot 3 are 2 ca. In 1890 is sprake van een redres waarbij de kadastrale grootte ambtshalve wordt hersteld: D1057 wordt dan D1210 met een grootte van 2 are 78 ca.

openbare verkoping 1915verkopers in 1915Na het overlijden van echtgenoot Gosse Postma op 27 december 1913 te Groningen doen Korneluske Broersma plus een viertal nazaten op 5 oktober 1915 (provisioneel) en 19 oktober 1915 (finaal) een aantal percelen in de openbare verkoop. Perceel één is het huis omschreven als "een burgerhuis met erf en tuintje aan de Voorstraat te Kollum, ten kadaster bekend Gemeente Kollum, Sectie D, nummer 1210, groot twee are achtenzeventig centiare". Electrische leidingen, tochtramen, droogstokken op de zolder, stekken achter het huis, lijn met palen en kippenhokken worden getaxeerd op negentig gulden. Hoogste bieder voor 1.610 gulden is koopman Klaas Scheepvaart te Kollum.

Op 16 februari 1928 ruilen Klaas Scheepvaart en slager Douwe Jans Siccama uit Sint Jacobiparochie van woning. Scheepvaart brengt zijn huis aan de Voorstraat in voor 4.000 gulden en Siccama een woning aan de Oosterdiepswal voor 3.400 gulden. Scheepvaart ontvangt 600 gulden.

Siccama doet het nieuwverkregen huis direct in de openbare verkoop: op 2 mei 1928 provisioneel, op 9 mei 1928 finaal. Het wordt omschreven als "een huis met erf, reed en bleek". Op de finale bijeenkomst is koopman Jan Jozefs Numan te Kollum de hoogste bieder voor 2.801 gulden.

Maar ook Numan doet het huis weer snel van de hand, want op 6 februari 1930 verkoopt hij het aan smid Pieter Nicolai uit Kollum. "Het verkochte is belast met reed en drift, ten behoeve van het ten Westen gelegen perceel, eigen aan de heer M. Botter". De schuttingen en muur rondom de tuin maken deel uit van de verkoop. Verkoopprijs 3.600 gulden.

Op pagina 35 en 36 van het boekje "Handel en ambachten, Kollum 1925-1975" staat:

Pieter Nicolai was tegelijk smid en bliksemafleiderspecialist, vandaar ook de naam Pieter Bliksem (zie advertentie Leeuwarder Courant van 29 mei 1920). 29 mei 1920 LCSinds 1918 was zijn zaak gevestigd in het pand aan de Voorstraat waar momenteel Schuiteboer zijn Expert-zaak heeft. Nicolai kocht het pand van Broer de Jong, die er destijds een zadelmakerij in had. Hier begon hij met zijn smederij, die qua werkzaamheden zich helemaal richtte op de boerderij. Bekend van Nicolai waren de "jarrepompen", een eigen vinding, die bestonden uit een gesloten jacobsladder, die werd aangedreven door een paard, dat de riem, die om het aandrijfwiel gerold was, er weer aftrok en daarmee het wiel in beweging zette. Dit was indertijd een belangrijke verbetering bij het vroegere leegscheppen van de jarrekolk. [...]

gierbaggermachine

In 1930 verhuisde Nicolai van het "oost" naar het pand naast de bakkerij van Bosma (nu Hendriks) en sindsdien ging hij zich specialiseren in het installeren van bliksem afleiders, ook omdat het smidsvak toen al zijn teruggang had. Nieuwe boerderijen en gebouwen moesten worden voorzien van bliksemafleider installaties en zo zat Nicolai in de dertiger jaren dan ook door heel Nederland. In 1936 werd de nieuwe legerplaats in de Harskamp door hem van een nieuwe installatie voorzien. In datzelfde jaar kreeg hij ook opdracht van de directie van de Wieringermeerpolder om bijna zestig boerderijen en schuren te beveiligen en daarnaast waren er nog de vele karweien voor particulieren. Sinds 1957 is het bedrijf van dhr. Nicolai overgegaan naar de Fa. S. van der Heide, die het toen ook in deze branche ging zoeken.

Rond 1930 is sprake van stichting, waarschijnlijk van een werkplaats. In 1947 worden D1210 en het naastliggende D1211 (deels) samengevoegd tot een nieuw perceel D2074 met een grootte van 5 are 63 ca.

Pieter Nicolai wordt op 31 januari 1890 in Twijzel geboren als zoon van schoenmaker Kornelis Nicolai en Kornelia Henstra. Op 9 september 1915 trouwt hij in Kollumerland met Martje Bos, geboren op 17 januari 1891 te Kollum als dochter van arbeider Jan Bos en Ymkje Kuitert. Zij overlijdt op 18 augustus 1959 te Leeuwarden. De weduwnaar hertrouwt daarna met G. van Beek. Hij overlijdt op 21 juni 1979 te Kollum. Op 19 januari 1981 verkoopt de familie Nicolai het pand publiek.

Nieuwe eigenaar wordt cafetariahouder Harm Vogel, Voorstraat 66 te Kollum, gehuwd met Grietje Frouktje Moes. Door een gedeeltelijke samenvoeging met D2904 (cafetaria en erf) in 1984 ontstaat D3027M (de M staat voor Monument) met een oppervlakte van 4 are 85 ca, omschreven als garage, werkplaats en erf. Huidige eigenaar is de heer Marinus Reitsma uit Westergeest, die het perceel op 6 augustus 2019 heeft gekocht.

Van 1832 terug

In de speciekohieren van de Kerkeburen van Kollum vinden we Bartel Rinses in de jaren 1785 t/m 1790 op het huis nummer 49. Zoals uit de genealogie blijkt, is hij het jaar daarvoor getrouwd met de dochter van Heertje Martens. Heertje Martens woont tot zijn overlijden in 1777 op dit nummer, waarschijnlijk was hij de eigenaar van het huis, maar een koopakte heb ik helaas niet kunnen vinden.. De weduwe overlijdt een jaar later.

In het kohier van 1791 verhuist Bartel naar nummer 102 en Grietje Martens komt van nummer 163. Drie jaar later, in het kohier van 1794, woont Bartel Rinses weer op nummer 49, omschreven als "een leedig huis". Het kan zijn dat hij in dat jaar op die plek een nieuw huis heeft gebouwd, wat ook overeen zou komen met de informatie op http://vastgoedloep.nl. Uit de aanwezige speciekohieren op Family Search blijkt dat de vader van de eerste echtgenote van Bartel, Heertje Martens, van 1769 t/m 1778 ook in het huis nummer 49 heeft gewoond. In de jaren 1754 t/m 1768 staat steeds vermeld: "Klaas Martens op een ledig huis" en van 1749 t/m 1753: "Klaas Martens voor Marten Jans erven". Klaas Martens is een broer van Heertje Martens en zoon van lakenkoper Marten Jansen en Grietje Heertjes. Kortom, huis nummer 49 is lange tijd in het bezit van deze familie geweest, maar het heeft blijkbaar een hele tijd leeggestaan.

Wel koopt Bartele Rinses in 1799 het huis aan de westkant (tegenwoordig Voorstraat 68, het latere kadastrale nummer D355). In de akte staat dat hijzelf ten oosten woont, ten zuiden en ten westen de weduwe van Pieter Jans Guardeniers en ten noorden de (Voor-)straat en dat het een floreenplichtig pand met nummer 27 is, belast met twee floreen. Verkopers zijn mr. schoenmaker Jan Lubbes en Baukjen Johannes. [Bron: proclamatieboek Kollumerland 1789-1803]. Uit de floreenregisters van 1700 en 1705 blijkt verder dat in de directe omgeving aan de zuidkant van de Voorstraat alle naast elkaar staande huizen floreenplichtig zijn, met uitzondering van "ons" huis, wat er inderdaad op zou kunnen wijzen dat het later is gebouwd.