Kollum

Bogerman-pastorie

pastorie

Na 1832

Bovenstaande afbeelding ademt een sfeer van treurigheid, een gebouw in afwachting van afbraak. Het stond ongeveer halverwege een pad dat begon aan de Voorstraat tegenover het gemeentehuis en dat langs de westkant van de Maartenskerk noordwaarts omhoog liep. De pastorie stond bij mijn weten op het hoogste punt. De gemoederen liepen hoog op toen de afbraakplannen bekend werden. Het was eind 1964, begin 1965.

pastorie in 1964De Leeuwarder Courant opent het offensief in een artikel op 24 oktober 1964:

Gemeente wil pastorie van Kollum afbreken

Men moet wel goed In Kollum thuis zijn om het pand Kerkepad 1 aldaar onmiddellijk te identificeren als het huis, dat bekend staat als de „Bogermanpastorie". Het is dit gebouw, vlak tegenover de Kollumer kerktoren en aan de westkant daarvan, dat b. en w., met een huis aan de Hoofdstraat, de raad voorstellen aan te kopen. Deze aankoop is nodig, zo schrijven zij, in verband met de toekomstige ontsluiting van het in voorbereiding zijnde uitbreidingsplan Kollum-noord. Wij weten niet, op welke manier men deze ontsluiting wil verwezenlijken - als het er op neerkomt, dat bij de kerk een nieuwe straat op de Hoofdstraat moet uitmonden, wordt het daar een wel heel gevaarlijke situatie - maar wij weten wel, dat bij afbraak Kollum een interessant huis van historische waarde kwijtraakt.
Men zoekt de Bogerman-pastorie tevergeefs op de Voorlopige Monumentenlijst van 1930. Maar hoe die tot stand gekomen is, is ons steeds weer een raadsel, want terwijl er kleine dorpen zijn waar (en terecht) reeksen geveltjes genoteerd zijn voor bescherming, heeft de samensteller destijds in Kollum alleen de kerk-en-toren en het raadhuis een plaats waardig gekeurd. En dat, terwijl er heel wat gebouwen in dit grote dorp zijn, die op de lijst hadden gemoeten. Trouwens, het Kunstreisboek (1960) bracht al enkele correcties aan door ook de Waag (1779) en het Werkhuis (18de eeuw) aan te bevelen. Maar die pastorie had in 1930 (1940) zeker ook beschermd moeten worden. Misschien komt het gebouw nu op de komende nieuwe monumentenlijst, als tenminste de gemeente de minister in Den Haag niet voor is en het gebouw tegen de grond slaat voordat de ontwerplijst de departementale deur uit is.
Kerkpad 1 is een robuust herenhuis met ook aan de achterzijde aardige partijen. Het zal in zijn hoofdvorm 18de eeuws zijn, maar overal vertellen grote muurgedeelten van kloostermoppen, dat de kern uit de 16de eeuw dateert. Trouwens, de in de Kollumer geschiedenis zeer bedreven mr. A. J. Andreae schreef in 1885 al: „De vorige pastorie staande aan de westzijde bij het kerkhof, zal, hoewel nu en dan verbouwd, wel van ouds de woning van de pastoors, later van de predikanten zijn geweest, tot 1873, toen dit huis werd verkocht en er een nieuwe pastorie aan de Voorstraat werd gesticht".
Daar woonde dan ook pastoor Johannes Bogerman, eerst gevlucht, later als predikant teruggekeerd. Van Kollum werd hij op 1 oktober 1580 te Bolsward beroepen. Hij overleed vóór 1607. Men moet hem niet verwarren met Johannes Bogerman jr., een bekend theoloog, die van 1604 af te Leeuwarden stond en voorzitter der Dordtse synode van 1618—1619 was. Dat was namelijk zijn zoon, in 1576 te Upléward in Oostfriesland geboren. Het is te hopen, dat het gemeentebestuur niet zonder meer tot afbraak zal besluiten. Er verdwijnt tegenwoordig al zoveel uit onze dorpen, dat tenminste de markante punten uit het oude dorpsbeeld, ook al staan ze dan bij ongeluk niet op de oude monumentenlijst, bewaard moeten blijven.

De Bond Heemschut te Amsterdam hoort van de afbraakplannen en tekent protest aan, wat op 11 januari 1965 in het Nieuwsblad van het Noorden wordt verwoord:

Protest tegen sloop pastorie te Kollum

Hoewel de gemeenteraad van Kollumerland c.a. op 27 oktober jl. met slechts één stem tegen besloot tot aankoop en afbraak van de oude "Bogerman-pastorie" nabij de hervormde kerk, is tegen dat besluit thans van verschillende zijden verzet gerezen.
De Bond Heemschut te Amsterdam heeft zich met een adres tot Gedeputeerde Staten van Friesland gericht en er daarin op gewezen, dat het in Kollumerland genomen raadsbesluit vooruitloopt op een in voorbereiding zijnd uitbreidingsplan, dat nog in studie is. Dat uitbreidingsplan is zelfs noch door de raad noch door hogere instanties goedgekeurd. Heemschut vreest, dat door de voorgenomen afbraak van het karakteristieke historische pand het dorpsbeeld van Kollum in ernstige mate zal worden aangetast, met name het bij kerk en pastorie gelegen kerkhof met zijn aantrekkelijke boomsingel.
De Bond Heemschut dringt er met klem op aan, dat de Bogerman-pastorie, die waarschijnlijk nog zestiende-eeuwse bestanddelen bevat, met grote zorg zal worden behandeld en heeft derhalve aan Gedeputeerde Staten van Friesland verzocht om aan het raadsbesluit van Kollumerland goedkeuring te onthouden.
Ook bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg te Den Haag stelt men pogingen in het werk om een oplossing te vinden, die het interessante en schilderachtige huis voor het nageslacht zal kunnen sparen.

Op 15 januari 1965 geeft de Friese Koerier wat tegengas:

Bogerman-pastorie: bijna geen historische waarde - beroemd theoloog woonde er maar korte tijd (van een onzer verslaggevers)

KOLLUM — De „Bogerman-pastorie" heeft deze week nogal in het nieuws gestaan, door het adres van „Heemschut" aan Gedeputeerde Staten van Friesland, in welk schrijven de bond verzoekt geen goedkeuring te verlenen aan het raadsbesluit van Kollumerland, het oude huis af te breken. „Heemschut" meent, dat door de afbraak van het „karakteristieke, historische pand" het dorpsbeeld van Kollum in ernstige mate zal worden aangetast.
Het gemeentebestuur is echter van oordeel, dat het huis karakteristiek noch historisch is. De beroemde ds. Johannes Bogerman jr. heeft er als kleuter maar een korte periode gewoond. Sindsdien is het huis enkele keren ingrijpend verbouwd. Na 1873 werd het ook niet meer als pastorie gebruikt.
Van 1564 tot 1567 woonde er Johannes Bogerman sr., die toentertijd pastoor te Kollum was. Wegens zijn overgang naar de „nieuwe leer" werd hij echter verdreven. Hij vestigde zich in Uplewert (Oost-Friesland), waar in 1576 zijn zoon Johannes werd geboren. Bogerman jr. was later onder meer predikant te Sneek en verwierf vooral bekendheid als voorzitter van de Dordtse Synode.afbraak 1965
De kleine Johannes woonde maar enkele maanden in het huis, omdat zijn vader spoedig vertrok. In 1753 werd het gebouw door een zekere Noordenbosch vertimmerd en bijna een eeuw later, in 1844, bracht timmerman Tjepke Osinga uit Dokkum aan de „list" ingrijpende veranderingen aan. In 1951 werd het interieur nogmaals gemoderniseerd. Slechts enkele oude friezen zijn, in het achterste gedeelte van het huis, overgebleven.
De woning werd in 1873 door de kerk verkocht. De predikant kreeg toen een huis aan de Voorstraat. Ook dat pand dient echter niet meer als domineeswoning. De huidige pastorie van Kollum staat in Kollum-Oost.

hisgis_1832In 1965 wordt de pastorie afgebroken (foto uit "Uit het album van Kollummerland", pagina 35).

Bijgaand HisGis-kaartje toont de situatie bij het begin van het kadaster in 1832. Het roodomrande gebouw is de pastorie, het naast- en daarbovengelegen paarse vlak is de pastorietuin. LC_18440426Eigenaar is (volgens de kadastergegevens) de "Herformde Kerk"; het pastoriehuis is 6 roeden (= 6 are) groot, de pastorietuin 15 roeden 70 ellen (= 15 are en 70 ca). In 1844 proberen de kerkvoogden fondsen te vergaren voor herstelwerkzaamheden aan de pastorie.

In het voorjaar van 1873 regelen enkele Kollumer notabelen in twee aktes bij notaris Beekhuis te Buitenpost dat de oude pastorie wordt verkocht en een nieuwe wordt gerealiseerd in en om het pand op het huidige adres Voorstraat 55. Op 25 oktober 1872, dus ruim voor de ruil, verschijnt in de Leeuwarder Courant het volgende bericht:

Aanbesteding bij gesloten briefjes, wegens het afbreken van een huis en het ter plaatse bouwen van eener PASTORIE voor de Hervormde Gemeente te Kollum. Inzending der briefjes franco, den 4 November e.k., vóór 's nm. 6 uur, aan den President-Kerkvoogd, den Heer KLUGKIST HESSE aldaar. Aanwijzing en afgifte der bestekken op Dingsdag den 29 October e.k. , 's nm. te 12½ uur, van af dien dag inzage der teekeningen enz. ten huize van den Architect H. R. STOETT Fz. te Leeuwarden.

Volgens Peter Karstkarel in "Bouwkunst in Kollumerland" is de nieuwe pastorie omstreeks 1880 gebouwd. Echter, de kadastrale legger spreekt van amotie in het dienstjaar 1874, wat in feite betekent dat het bestaande huis in 1873 is afgebroken. De nieuwe pastorie zal kort daarop zijn gebouwd, maar berichten daarover waren op de krantensite Delpher niet te vinden.

De eerste akte van 3 maart 1873 betreft een ruiling tussen Petronella Maria Eskes, echtgenote van en bijgestaan door notaris Daniël Hermannus Andreae, aan de ene kant en de kerkvoogden van de hervormde gemeente, te weten landeigenaar Hermannus Klugkist Hesse en huisarts Willem Swart, aan de andere kant. Bij de familie Andreae gaat het om "eene huizinge met erf, tuin en verdere aanhoorigheden" en de kadastrale nummers A116 (tuin), A117 (tuin), A117a (tuin), A122 (huis en erf) en A123 (huis en erf). Ook de naastlegers (= de directe omgeving) worden genoemd: "ten zuiden de straat, ten westen Pieter Tonnema en het Mekkama Gasthuis, ten noorden de brugsteeg en ten oosten de heer Morsink en de erven Huizinga". De kerkvoogden brengen de pastorie in met de kadastrale nummers A92 (huis) en A91 (tuin). De pastorie wordt omschreven als "eene huizinge met erf, tuin en verdere aanhoorigheden, staande en gelegen ten westen van het kerkhof te Kollum, "de Pastorie". De naastlegers zijn "ten oosten het kerkhof, ten zuiden de heer Eskes, de weduwe Los, Gerrit Elzinga en anderen, ten westen de reed en ten noorden graaf van Limburg Stirum". De kerkvoogden moeten bij de ruiling ƒ 600 toebetalen. Aanvaarding is op 12 mei 1873.

verkoping 1937 De tweede akte is op 7 april 1873 met dezelfde rolverdeling van de familie Andreae en de echtgenote in de rol van verkoopster van de pastorie. Koper is gemeenteraadslid en administrator Yske de Jongh (Leeuwarden 1814 - Kollum 1888) uit Kollum. Koopprijs is ƒ 3.400. De aanvaarding wordt eveneens vastgesteld op 12 mei 1873, dus de verhuizing loopt synchroon. Met de nieuwe pastorie aan de Voorstraat gaan we ons verder niet bezighouden. In 1876 is sprake van verbouwing en vereniging: dat betekent dat pastoriehuis en -tuin worden samengevoegd tot één kadastraal geheel, genummerd A525 met een oppervlakte van 21 are 70 ca. Van verbouwing verder niets gevonden.

In een testament, op 8 december 1873 opgesteld door notaris Beekhuis te Buitenpost, benoemt Yske zijn beide zussen Akke (Langweer 1817 - Kollum 1882) en Maria de Jongh (Kollum 1832 - Kollum 1918) ieder voor de helft tot enig erfgenaam. Na het overlijden van Yske in 1888 wordt Maria eigenaar van de pastorie. Ook zij blijft, net als haar broer Yske en zus Akke, ongehuwd. Met uitzondering van broer Syne (Langweer 1820 - Kollum 1887) overlijden trouwens alle broers en zussen ongehuwd. Dus de erfgenaam moet na het overlijden van Maria de Jongh onder de kinderen van Syne en zijn echtgenote Froukje Kooi worden gezocht, en dat zijn: Gatske (Kollum 1855 - Kollum 1940), Drieuwes (Kollum 1857 - Kollum 1860), Antje (Kollum 1859 - Kollum 1860), Drieuwes (Kollum 1861 - Kollum 1937), Hero (Kollum 1864 - Amsterdam? 1944), Yske (Kollum 1867 - Vleuten 1922) en Antje (Kollum 1870 - Leeuwarden 1936).

Uit de kadasterinformatie blijkt dat landbouwer Egbert Rinses Luinstra (Kollum 1854 - Kollum 1939) de volgende eigenaar van de pastorie is. Deze is in 1879 in Kollumerland getrouwd met Gatske de Jongh, zodat de pastorie bij de akte van scheiding en verdeling in 1918 aan haar zal zijn toegekomen.

hulpkaart 1919

In bijgaand hulpkaartje van 1919 is de toenmalige situatie getekend; de pastorie met tuin is genummerd A877, groot 20 are 35 ca. Op de afbeelding rechts, een advertentie in de Leeuwarder Courant van 1 juni 1937, staat de aankondiging van een publieke verkoop van het perceel. Koper voor ƒ 1.183 wordt koperslager Timen Hoekstra, aldus een berichtje in het Leeuwarder Nieuwsblad van 11 juni 1937. Volgens de kadastrale legger zijn Hoekstra en timmerman Albert Hoof echter ieder voor de helft eigenaar.

In 1938 wordt een klein stukje grond ter grootte van 1 are 56 ca in de uiterste noordwesthoek van het perceel aan de PTT verkocht voor de aanleg van een telefooncentrale, gevolgd door een stukje aan de zuidkant van het perceel aan Murk Salverda, hoofd der christelijke school in Balkbrug. Van het overgrote deel van het oorspronkelijke perceel ter grootte van 17 are 84 ca, omschreven als werkplaats, bergplaats en erf, wordt Albert Hoof rond 1940 enig eigenaar. Hoekstra zal zijn aandeel aan hem hebben verkocht. Albert overlijdt in 1958 in Dokkum, zijn weduwe Elizabeth van der Laan in 1966 te Kollum. Kort daarvoor heeft ze het perceel aan de gemeente Kollumerland verkocht, die vrijwel direct tot sloop overgaat.

kloekgaling

In het kerkblad Rondom van de Protestantse Gemeente Kollum van eind 2021 komt een schilderij (links) van de pastorie ter sprake, dat vermoedelijk door J. Kloek in opdracht van Janke Luinstra is geschilderd. Zij is een dochter van eerdergenoemde Egbert Luinstra en Gatske de Jongh. We citeren: Het schilderij toont de achterkant van de voormalige Bogermanpastorie met op de achtergrond de Maartenskerk. Foto's in bezit van het archief PG te Kollum tonen aan dat het gebouw, de beuk, de schutting realistisch zijn weergegeven. Het zal vermoedelijk geschilderd zijn in de periode 1943-1950. Het PG-archief was zo vriendelijk om een kleurenafbeelding van het 'Kloek-schilderij' ter beschikking te stellen.

Een tweede bijna analoog schilderij (rechts) is gesigneerd Joh. J. Galing en gedateerd 1946. Het schilderij is in particulier bezit en plaatsing is met toestemming van de eigenaresse, waarvoor dank.

Willem Jacob Immink is ten tijde van de pastorieverhuizing predikant van de hervormde kerk. Volgens de site dominees.nl doet hij op 5 maart 1871 zijn intrede uit Lent en vertrekt hij op 30 april 1876 naar Amersfoort. Zijn opvolger is ds. Isaac van Dijk die op 11 november 1877 uit Baambrugge komt en op 8 juni 1879 naar Arnhem vertrekt. Van Dijk wordt op 4 april 1880 opgevolgd door ds. Gerrit Hendrik van Kasteel uit Oppenhuizen, die nogal wat teweegbrengt in kerkelijk Kollum.

Dat heeft alles te maken met de Doleantie in 1886 waarbij de strenge orthodoxen (de "doleerenden") zich afscheiden van de in hun ogen te vrijzinnige Nederlands Hervormde Kerk, waarvan de leden "synodalen" worden genoemd. Die "strijd" wordt in Kollum op het scherpst van de snede uitgevochten door de bezetting van de pastorie en de inbeslagname van het archief door ds. Van Kasteel en zijn aanhang. De synodale kerk neemt onmiddellijk tegenmaatregelen door de benoeming van ds. Hieronymus Doorenbos uit Holwerd. Zo meldt het Rotterdamsch Nieuwsblad op 16 juni 1887 dat ds. H. Doorenbos uit Holwerd bij de Nederlands Hervormde Kerk is beroepen "ter vervanging van ds. G. H. van Kasteel, die afgezet is". Ds. Doorenbos treedt op 9 oktober 1887 in.

Volgens de kranten van oktober 1887 stellen de synodalen vorderingen in bij de rechtbank te Leeuwarden om de pastorie te ontruimen en de archieven weer terug te geven. Van Kasteel "is in een noodpastorie, door de kerkvoogden daartoe aangekocht en ingericht, gehuisvest" aldus Het Vaderland in een bericht van 29 oktober 1887. De rechterlijke beschikking heb ik niet in de kranten kunnen vinden, maar uit de uitgebreide beschrijving van Douma valt op te maken dat de kwestie na veel correspondentie uiteindelijk wordt geschikt.

Het echtpaar Van Kasteel blijft tot 4 augustus 1890 in Kollum wonen en vertrekt naar 's-Gravenhage. In het bevolkingsgregister van Kollumerland staat de wijziging van religie vermeld: van Nederlands Hervormd naar Gereformeerde Gezindte. Kort daarop vertrekt ook ds. Doorenbos met echtgenote en drie kinderen op 2 november 1890 naar Scheemda.